|
Jac Vroemen
Paardenspeculaas
Sinterklaas: altijd nog in de
herinnering mooier dan in werkelijkheid.
Rond het gegeven ‘Sinterklaas’ deed zich in mijn leven
het zoeken naar echtheid voor. Hoe mooi gekleed en beplakt ook,
als hij daadwerkelijk verscheen, stelde hij me altijd wel ergens
mee teleur. Die stem, die baard, die geur...
Mooier waren de momenten dat hij niet lijfelijk verscheen maar van
zijn bestaan over-tuigend blijk gaf door geheimzinnige geschenken.
Dát was pas Sinterklaas! Wij vierden het ’s ochtends – in
Zuid-Limburg – nog door een lege ‘teleur’ op tafel
klaar te zetten; een diep bord, want daar kon meer in. Voor elk
kind een. En denk nou niet dat we het lef hadden voortijdig door
de kamerdeur te gluren... Behalve mijn ADHD-broertje dan, die het één
keer gewaagd heeft, en vaststelde dat – die ene keer – onze
moeder Sinter-klaas kennelijk moest helpen. Waardoor het ontzag
voor haar overigens alleen maar toenam: kon zij gevaarloos met een
Heilige verkeren?
Die borden lagen dan – maar pas als we uit de kerk kwamen – vol
met het bekende snoepgoed, een boek, speeltjes, tekenspullen...
De blije opwinding daaromheen zal ik nooit vergeten.
Of, is ook deze herinnering niet
mooier dan het echt was? Een kreet van teleurstelling kon immers
alles bederven: waarom ik een verfdoos en hij niet? Ik wantrouw
nu het herinneren als verglanstechniek.
Zo zal het ook gegaan zijn met mijn meest dubieuze Sinterklaasherinnering:
dat mijn oudere broer, die niet meer geloofde (maar dat wist ik
nog niet) tijdens ons brave kerk-bezoek de hele trap vol paardenvijgen
had gelegd, gehaald bij een boer.
Ik was opgetogen over zoveel echtheid. Maar kon niet begrijpen waarom
mijn moeder, anders toch ook zelf zo blij op Sinterklaasochtend,
nu opeens boos was. Daar kon dat paard toch niks aan doen, als het
nodig moest? Toen ik dat zei, viel mijn broer mij snik-kend van
het lachen bij. Zo’n paard moest je dat niet kwalijk nemen.
We waren het eens – dacht ik.
De gevulde speculaas, persoonlijk gebracht door het edele dier,
zal er niet minder om hebben gesmaakt. En zijn blijmakende herinneringen
niet toch ook werkelijkheid?
heerlijk avondje
gehinnik in de schoorsteen
of is het de wind
De woordenboom
‘Kijk opa, allemaal blaadjes!’
‘Dat is herfst,’ zeg ik. Opa haalt kleinkind af, en
leert haar nieuwe woorden.
Als we thuis zijn belt oma, mijn ex.
Eva houdt haar knuffeltje tegen de
telefoon, beertje moet ook iets zeggen. Ik zie dat dit nog geen spel
is, Beer kan oma horen, en bromt ook wat terug.
Al haar knuffels hebben
namen. En stemmetjes. Als ik er een verkeerd doe, word ik door mijn kleine
woordenschat verbeterd. ‘Zo
klinkt Varkentje niet, dat weet opa toch?’ Ze noemt dingen
in de kamer op. Dan begrijpt ze – voor het eerst, zie ik – dat
oma die niet ziet! Opgewonden tovert ze met taal: afstand overbruggen
met woorden, die, zo klinkt het bij kleine Eva, net van de boom
komen. Ze plukt ze als rijpe kersen!
Hoe karig zijn dan de woorden bij
Rob, mijn oude vriend die ik vandaag bezocht, mijn jas ruikt nog
naar ziekenhuis. Ik zeg ‘ziekenhuis’ maar
het is een revalidatiecentrum. Ze doen er niet veel meer aan hem,
begrijp ik. De laatste ataque was bijna fataal. Als ik zie hoe de
fysio hem helpt zijn ene been uit bed te tillen, weet ik dat dit
met het tweede vandaag niet lukken gaat.
‘Hij kan niks meer’,
vertrouwt een personeelslid me toe op de gang. Lopen en praten bedoelt
ze. Als Rob opeens denkt weer te kunnen lopen, vinden ze hem met een
buil op zijn hoofd naast de rolstoel. Of als hij wat wil zeggen, is de
verpleging alvast naar de volgende klus.
Hij denkt zelf dat ze meer geduld
moeten hebben. Dat lopen komt weer, het móét, en de woorden zijn er ook wel, maar
het duurt alleen langer voor ze zich láten plukken. Hij moet
wachten tot ze zijn kant uit waaien, en er hangen er niet meer zoveel
als vroeger. Ze zijn moeilijker bereikbaar, het zijn de laatste
kersen, aan de moeilijk bereikbare uiteinden van de boom. Aan zijn
expressie is te zien dat hij je begrepen heeft, en ook iets wil
zeggen. Het antwoord komt. Het klinkt bedachtzaam.
Priesters spraken zo
bij het opdragen van de mis, herinner ik me. ‘Hoc-est-enim-mei’:
dit is mijn lichaam. Woorden van lang geleden. Bij Rob klinken ze
nu ook zo. Zijn lichaam wil niet meer. Onze normale breedsprakigheid
heeft plaats moeten maken voor dit bijna zwijgend spreken. Stil
wacht hij op de woorden.
Inspanning bespeur ik daar niet bij. Het is zelfs
prettig om zo bij elkaar te zitten, zonder die beduchtheid voor
de onvermijdelijk lange pauzes. Bijna niets meer kunnen, en toch
in gesprek zijn: een troost bij zijn onbeschrijfelijke pech.
Ik heb het
zo weleens eerder gewild. Elkaar de tijd gunnen. Het muntje laten vallen.
De ruimte nemen voor een afweging. Maar bij ons gewone leven hoorde nu
eenmaal een hoog tempo. Ik herinner mij nog de opmerking van een collega
uit die tijd, na een docentenvergadering: ‘Iedereen
praatte vandaag weer te veel en te vlug. Je hebt je laten meetrekken.
Je zou het van jezelf verdacht moeten vinden als het zo gemakkelijk
gaat. Al die woorden die maar voor je uit vliegen.’
Indianen houden op met praten als je ze onderbreekt, en zijn daarin
wel zo consequent, dat wij denken dat het een raskenmerk is. Rob
lijkt nu op zo’n spreekwoordelijke, zwijgende indiaan, zoals
hij daar in zijn rolstoel zit.
En kleine Eva? Die praat veel, maar sappig en duidelijk, met vers
geplukte woorden. Ze leert er mee omgaan. Ze heeft ook pas het fluisteren
ontdekt, als iets waar je heel intiem door wordt met elkaar. Oma
is ziek, weet ze, en gaat binnenkort naar de hemel. Ze vraagt of
ze oma daar nog kan bellen.
‘Bellen niet, maar praten wel’,
zeg ik.
‘Dan zal ik zachtjes praten’, fluistert ze, ‘dat
oma het goed kan verstaan’.
mijn boomlange vriend
nu hij in een rolstoel zit
kijk ik op hem neer
|