Hans L. Roosen

Een zwarte bakelieten telefoon

Ze riep aan de telefoon:
‘Wij zijn gescheiden. Jacques! Hoort ge dat? Uiteen. Het is gedaan tussen ons en ge hebt u aan de afspraken te houden. Uw emotionele chantage werkt niet meer.’
Emotionele chantage. Zij verweet mij emotionele chantage! Le culot, het lef! Om maar te zeggen wat een wijf die vrouw kan zijn. Ik weet nog dat ik met de hoorn tegen mijn oor gedrukt bleef staan. Wezenloos. Ik vond, en ik vind nog steeds, dat ik dat niet verdiende, zoveel oneerlijke hardvochtigheid. Heel voorzichtig legde ik de glanzend zwarte hoorn op de haak. Die telefoon. Die glanzende bakelieten bak. Die oude telefoon dat is voor mij pure romantiek. Het is het overblijfsel van het laatste romantische moment tussen mij en Marthe. Ik kan daaraan terugdenken, aan die romantische momenten, zoals oude wijvekes naar de foto van hun overleden man kijken. Die telefoon, dat is voor mij Marthe zoals ik ze graag zie, dat is mijn passionele vrouw. Een oud bakelieten model uit de jaren vijftig. Oud van buiten, nieuw van binnen. Ik had het ding ooit gezien op de Marché aux puces. Een oude technicien van de telefonie had dat als hobby. Het terug tot leven wekken van oude telefoontoestellen. Het was een herfstige winterdag. Jonathan was naar school en Marthe en ik hadden samen een dag vrij genomen. Heel bleek, grijs licht hing over het Vossenplein. De brocanteurs scholen onder versleten paraplus voor een miezerige drup. Motregen. Ik had de revers van mijn regenjas rechtgezet. Zoals Franse detectives. In de ene hand hield ik de paraplu schuin voor me uit en met de andere trok ik Marthe tegen mij aan. Marthe liet zich doen. Ze kroop dicht tegen mij aan. Maar dat kon ook geweest zijn om te schuilen onder de paraplu. Zij bleef staan bij meubelstukken en glazen vazen. Wat doet een mens op zo’n prondelmarkt: naar oorlogsmateriaal en prularia staren. En dan zat die trieste man daar onder een parasol van Jupiler. Zijn dikke besnorde echtgenote zat naast hem. Ze zaten op vissersstoeltjes naar de radio te luisteren. Zijn marchandise verregende onder een plastiek zeil. Ik was onmiddellijk verkocht voor de charme van het nog glanzende bakeliet. De man was trots op zijn werk. Hij schroefde een toestel open om te bewijzen dat langs de binnenkant alles splinternieuw was.
‘Allez, c’est à dire analogue, hein monsieur. Le digital ce n’est pas mon truc.’
Toen ik een model wou kopen, trok de man een lip. Was hij te trots om geld te vragen? Zijn vrouw alleszins niet, zij sprong van haar stoeltje. De man keek met hondenogen toe hoe vrouwlief de telefoon in een gazettenpapier wikkelde en in een zak van de GB dropte. Ik herinner me nog dat ik de man vroeg of hij soms moeite had te scheiden van het telefoontoestel. De man deed zijn mond open maar nog voor er een klank uitkwam had madame al uitgelegd dat het een complete ramp aan het worden was gelijk hij heel de zolder vol oude telefoons aan het stouwen was. Nu doen ze één keer in de week de markt en zit er een beetje beweging in zijn collectie.
‘Comme ça, cela a au moins encore un sens de bricoler les vieux appareils. Ce n’est pas le Pérou vous savez la retraite.’
Ik was content als een hond met vlooien. Marthe heeft mijn enthousiasme voor dat toestel nooit begrepen. Door het systeem met de draaischijf kan je niemand doorverbinden. Marthe en ik hadden diezelfde dag een tafel gereserveerd bij Romeyer. Marthe sprak over huissiers en juges d’instruction. Ik sprak over collega’s en het snoepreisje dat Demartelaere aangeboden kreeg van een farmaceutisch bedrijf.
‘Ze smeren hem zo een hoop stroop om de baard dat er vliegen komen opzitten. Puur en alleen omdat hij die twee uurtjes in de week les geeft aan de ULB. Ik denk dat ik ook eens ga uitkijken naar een paar uurtjes achter een katheder.’
Ik zie nog voor me hoe Marthe ongeïnteresseerd knikte terwijl ze een aanviel op een arlequin met mandarin Napoléon. Achteraf bezien praatten we met overtuiging naast elkaar. We namen champagne als aperitief, een grote Bourgogne bij het eten en een halfje Sauterne bij het dessert. Fijne keuken en oude wijn maakt de tongen losser, de zeden weker en het hart weemoediger. Het was tijden geleden dat we nog eens echt een hele dag voor mekaar vrij gemaakt hadden.
‘Un peu de temps pour nous.’
Ik vertelde dat ik last kreeg van mijn kuiten bij het plomberen. Dat vond ze grappig. Ze giechelde er mee, speelde de rol van een schoolmeisje dat met een oude vent uit eten gaat. Marthe vertelde, zoals steeds, over haar ambitie.
‘Ze hebben een tekort aan vrouwen, zeker bij de hogere functies.’
Ik was in een zoet melancholische bui toen we het restaurant uitkwamen. Ik wilde haar tegen me aandrukken en een boswandeling maken. Marthe zei “ ‘we We gaan nu naar huis, dat ik u los door het tapijt naai.” .’
Dat is maar om aan te geven hoe gelijk voedsel een verschillend effect kan hebben op mensen. Marthe greep naar mijn ballen. Ze wou weten hoe het met de oude boomstronk gesteld was. Die boswandeling kon ik vergeten. Thuisgekomen had ik zin in cellocantates en een glas Oban bij het haardvuur. Marthe legde een plaat op van de Cuban All Stars en gooide haar hoofd in de nek. Ze dribbelde een paar salsapasjes en kirde mij in een zetel. Ik liet mij met de armen achterovervallen. Zij knielde tussen zijn benen. Nog voor ik boe of ba kon zeggen, had Marthe mijn pantalon open geritst. Ze grabbelde met haar roodgelakte nagels naar mijn slappe piemel. Ik had teveel gedronken maar toch, zoals altijd als ze mijn wapenen ter lippe nam, kreeg ik een schuldgevoel. Maar ze was al aan het sabbelen aan een halfstijve. Ze haalde mijn ballen uit mijn broek en liet haar tong rondjes draaien over mijn eikel. Tegen de tijd dat de Cuban All Stars uitgezongen waren, waren ook Marthe en ik klaar gekomen. Ik had sinds heel lang niet aan andere vrouwen gedacht terwijl ik binnen in Marthe zat. Ik had zelfs de sinds mensenheugenis verloren gegane traditie weer opgenomen haar in het vuur van de liefdesstrijd Maartje te noemen. Ze raakte er volledig van in de wolken.
‘Ben ik nog altijd uw Maartje? Hé? Ik ben nog altijd uw kleine spannende Maartje hé?’
Maar Maartje werd werd weer Marthe en Jackie lag terug als Jacques naar het plafond te staren. Mijn penis deed pijn en ik had zin in een glas water. Marthe lag zwaar te ademen in mijn arm. Het was veel te lang geleden. Ik gaf mezelf toe dat ik liever in een boekske van zeilboten zou zitten bladeren dan hier met mijn vrouw in mijn armen op klaarlichte dag een gat in het plafond te staren. Ik vertel dit allemaal omdat dit de laatste keer was. De laatste keer sex seks met Marthe die ik mij kan herinneren. Ik stond met de bakelieten hoorn nog altijd in de handen. Marthe had zonet gezegd dat we gescheiden waren en ik bedacht hoe lang die vrijpartij toen geleden was. Het was de laatste keer dat we écht samen waren. Ongelofelijk. Het was mij allemaal een beetje overkomen. Zoals alles. Zoals altijd. Zij had de procedure ingezet. Ze had het documentje op de salontafel gelegd en er bij gezegd ‘nu Nu is het officieel.’
Dat was het dan. Ze had alles geregeld. Ik moest een minimale alimentatie betalen. Als tegenprestatie bleef zij wel in het huis wonen.
‘Nathan, blijft natuurlijk bij mij,’, zei ze, ‘maar ge hebt wel bezoekrecht en tijdens de grote vakantie blijft hij bij u.’
Het ging allemaal zo vlot, zo snel en zo zonder dat er woorden over vielen. Ik spartelde alleen eventjes tegen toen Marthe mij een appartement van een kennis wou opsolferen. Ze gebruikte zelfs het argument dat het vlak bij de praktijk gelegen was. Een appartement zoeken, dat kan ik zelf wel. Ze triomfeerde compleet bij het idee dat ze mij uit mijn eigen huis zette. Na een weekendje rondsnorren door het centrum had ik in Elsene een benedenverdieping gevonden van een herenhuis dat op appartementen was getrokken. Geen parking, geen kelder, wel een mooi, piepklein stadstuintje en een volledig geïnstalleerde keuken. Een ander leven. Ik was er aan toe. Geen file meer, gedaan met de Welriekende Dreef. Ik wandelde ’s ochtends naar de praktijk. Op tien minuutjes was ik er en had zelfs nog tijd voor de bakker en de krantenwinkel. Ik had het gevoel een halve dag langer in bed te blijven. De avonden vulden zich spontaan met jazzconcerten of lange overuren. Ik ging voor het eerst weer echt vooruit op het woensdagavond partijtje schaak en werkte aan een gestage, systematische aangroei van zeilliteratuur. Zoals vanouds ging ik met Jonathan op zonnige zaterdagen uit zeilen. Het enige verschil was dat ik hem nu op vrijdagavond kwam ophalen in Overijse en dat de jongen de zondagmiddag doorbracht op een lamlendige zetel in het appartement in plaats van in een lamlendige zetel in de villa. De details veranderden, een zetel, de geur van het wasproduct dat de Poolse huishoudster gebruikt, de lichtinval; maar de fundamentele ritmes van mijn leven bleven hetzelfde. Toegegeven, daar verschoot ik zelf een beetje van. Ik ben het soort van mens die dat durft te dramatiseren. Zo van : :
“ ‘Hemel, ik ben een gescheiden vent. Misschien verword ik in geen tijd tot een depressief, vervuild, alcoholisch wrak. Maar niet dus. Zondagavond, tussen acht en tien, nam Jonathan zijn vuile was bij elkaar. Daarop voerde ik hem naar huis. Zo simpel is het. Ik ging altijd mee binnen, sprak een paar nietszeggende woorden met Marthe die een paar nietszeggende woorden terug zei; een kus aan de jongen en tot vrijdag. In het begin had het iets hartverscheurends. Ik zag de weg niet meer van de tranen toen ik die eerste zondagavond naar mijn kot terug reed. Ik heb er toen, echt waar, mee gespeeld om vol gas rechtuit een boom op te knallen. Maar ge doet dat niet, ondanks de regen, ondanks de wegen ‘van tranen nat’. Je rijdt hard, gevaarlijk. Maar je geraakt thuis, je trekt die fles open en laat u een half uur later zwijmelend in bed vallen. Als de wekker door uw houten kop ratelt sta je toch op. je gaat uzelf toch opfrissen en je gaat naar uw eerste patiënt. En zo, onmerkbaar bijna, gaat het leven gewoon door. Zeker toen na een tijdje bleek dat Jonathan er absoluut geen probleem van maakte, legde ook ik mij bij de feiten neer. De zoon had het allemaal veel vlotter verwerkt dan zijn vader. Ik moest iets anders hebben om mijn aandacht op te richten. Ik wou een sportzeilboot op de kop tikken. Het was een oude droom heropgerakeld. Die oude schuit in Nieuwpoort van de hand te doen en met een echte sportzeiler naar de Méditerrannée. En toen was het plotseling zomer en hing Marthe aan de lijn. Of ik met Jonathan wou afspreken voor het verblijf in de villa gedurende de zomermaanden. Ik had het niet direct door. Het woord zomermaanden blokkeerde mij. Dat woord deed mij niet langer luisteren. Ik ben zo iemand die direct kan beginnen dromen bij een woord. De zomermaanden: Cagnes-sur-mer, pijnbomen, blauwgeverfde luiken voor de ramen, de Méditerrannée ligt stil onderaan het gazon. Een stuk van de zee. Mijn stuk van de zee. Mijn eigen vader, die de verkoolde wijnranken aan het gloeien brengt. De geur van olijfolie, verse tijm op een avondlijke barbecue. Badminton spelen met mijn jongere broer Willy. Moeder die van binnen roept of die tomaten moeten geschild worden of niet. De krekels die een aanzwellend tjirpconcert geven en het zonlicht dat oranje kleurt. Bij de scheiding was La Fenouillette pasmunt voor het huis in Overijse. Volgens Marthe deed ik mij profijt want La Fenouillette was volgens haar een pak meer waard dan ons huis in Overijse. La Fenouillette was gebouwd van natuursteen. Ik herinner mij nog de eerste keren dat we er kwamen met vader en moeder. Er lag elektriciteit maar er was geen stromend water. Het water van de douche moest eerst met de hand in een reservoir gepompt worden. Het was daarenboven ijskoud water. Vader vond dat een goeie zaak. .
‘Koud water hardt de moraal en verzacht de velletjes’, zei hij. Moeder zei dat ze dan evengoed in een tent op een camping kon gaan liggen.
Vader had La Fenouillette in Brussel gekocht van een bevriende architect zonder het pand gezien te hebben. Het was toen dat Vader besloot elk jaar de hele maand augustus zijn barak, zoals hij dat noemde, te sluiten. Tussen kerst en oud en nieuw deed hij ook altijd een volledige week dicht om naar La Fenouillette te gaan maar dan ging hij alleen, om te klussen. Dat kwam goed uit. Was hij ook verlost van de familiereünies. Hij had een hekel aan zijn schoonfamilie. Een afkeer die ten andere wederzijds was. Moeder was enig kind en dochter van ‘ Monsieur Le Juge’. Pa zei altijd : ‘ de juge van Dèremonne Godverdomme.’
De rechter van Dendermonde vond een veterinair beneden de stand van zijn dochter. Daarom vertrok vader met de glimlach naar een besneeuwd Cagnes-sur-mer om daken te herstellen, muren te witten, elektriciteit te leggen, frigo’s te installeren, aflopen te ontstoppen, leidingen te repareren, gordijnen op te hangen, schouwen uit te kuisen. Vader was onvoorstelbaar handig. Hij heeft eigenhandig in een ondergesneeuwd gat in Frankrijk een gasboiler geïnstalleerd zodat wij de zomer daarop konden douchen met warm water. Herinneringen. Met ouder te worden, denk ik meer en meer aan de tijd bij mijn ouders. Ik ben onder mijn stand getrouwd. Een Brusselse bourgeois die met een beenhouwersdochter uit Westkapellegem trouwt. Dat kan niet anders of het is van moeten.
Marthe riep aan de telefoon: “
‘Wij zijn gescheiden. Jacques! Hoort ge dat? Uiteen. Het is gedaan tussen ons en ge hebt u aan de afspraken te houden. Neem Nathan voor de zomermaanden mee naar uw stomme Fenouillette.”.’
Wezenloos keek ik naar de zwarte bakelieten hoorn van mijn retrotelefoon. Maar dat had ik al gezegd.

 


Secretariaat bestuur
Israëlslaan 37, 3431 AS Nieuwegein
info@opspraak.net >
www.opspraak.net >

ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein

© 1994 - 2008 >