Peter Hulscher

DODELIJK

Pas op voor mensen die zichzelf heel sociaal vinden, want dat zijn over het algemeen je vrienden niet.
Uitspraak van een Goth

Inleiding

Daar stond hij.
Alleen.
Zoals gewoonlijk de laatste tijd.
De regen was net begonnen naar beneden te stromen.
Waar haalden de mensen toch zo gauw hun jassen vandaan?
Hij had zin om te rennen, om naar een plek te gaan om te schuilen.
In plaats daarvan stond hij stil.
Want er was in deze omgeving geen plaats om te schuilen, om naar binnen te gaan.
Naar een nabijgelegen bar kon hij ook niet, want geld had hij niet.
Hij glimlachte.
Iets bestellen had daar toch niet gekund.

De regen vormde plassen in de schemering van het kunstlicht van een knipperende, defecte lantaarnpaal.
Hij keek in de plassen.
Zijn gedachten zonken weg en hij besefte dat hij eventjes weer terug was in een andere tijd.
Een tijd van leven, niet gelukkig, maar tenminste echt léven.

Hij dacht weer terug aan een geschiedenis die de zijne niet meer was.
De tante die hem in zijn kinderjaren vertelde dat hij anders was dan andere. Dat ze dat aan hem merkte.
‘Maar,’ zei ze, ‘je bent niet minder. Je hebt talenten, en die zul je moeten gaan gebruiken.’

Hij was de oogappel van zijn tante geweest.
Een steun en vol goede raad, in een moeilijk leven.
‘Wat moet ik nu later?,’ had hij een keer gevraagd toen hij twaalf jaar oud was. ‘Wat moet er later in godsnaam van mij worden?’
Zijn tante keek hem aan met een blik van medeleven. Ze keek hem recht in de ogen om ze vervolgens langs hem heen af te wenden naar een grote eikenboom die achter hen stond.
‘Het gaat erom wat je wil en wat je kan,’ zei ze zachtjes. ‘Daartussen zul je een keuze moeten maken.’
Een simpele, maar gevatte gedachte, vond hij. Kóm er maar eens op.

De flarden van vroeger gingen over in een beeld dat hij in het begin niet goed kon thuisbrengen. Hij probeerde dat beeld instinctief te weerhouden, maar plotseling zag hij een rivier die kalmpjes richting het zuiden stroomde. Hij zat aan de waterrand te kijken naar zijn eigen spiegelbeeld, niet wetend hoe bijzonder dat eigenlijk was. Een kikker verslond een libelle en was in een oogwenk in zijn kaken verdwenen.
In de verte hoorde hij zachtjes het geluid van een eend die kennelijk door de groep uit het oog verloren was geraakt.
De steentjes die hij met precisie naar een voorbij drijvende tak probeerde te gooien misten hun doel nauwelijks.

Toen werd alles anders.
Voor altijd.

Het duurde maar kort, maar het was het meest ingrijpende wat er ooit in zijn leven was gebeurd. Het luidde een nieuwe periode in, een periode die hem zou brengen naar de status van een jager.
Terwijl hij nog bezig was om van de rust en kalmte te genieten die van de omgeving uitging, zag hij hoe er grote kringen in het water ontstonden.
Dat komt niet door de steentjes, flitste er door zij hoofd.
Wat er toen gebeurde was godslasterlijk, een aanval op alle redelijkheid en zijn hele zijn.

Hij zag hoe zich plotseling uit het water een figuur verrees die vlak voor hem uit het water opdoemde.
Verstijfd van schrik en angst zat hij als aan de grond genageld en was niet in staat om zich te verweren.
Om te vluchten ging het allemaal te snel, hij was kansloos.
Een arm greep hem bij zijn nek en hij voelde hoe die door twee scherpe punten werd doorboord.
De hand voelde koud aan, en dat kwam niet alleen door het water, wist hij nu.
Welkom bij de eenzame elite,’ hoorde hij hem zeggen, voordat hij in shock het bewustzijn verloor.
Lieve Jezus, had die vampier kieuwen of zo?

Hoofdstuk I

Het lag er verlaten bij.
Dat was het eigenlijk altijd wel, maar er was een keer dat een aantal pubers het ’s nachts hadden betreden. Ze schrokken zich wezenloos toen hij op kwam doemen in het midden van de nacht. Ze tierden naar hem en daagden hem uit.
Dat was meteen het laatste wat ze hadden gedaan.
Het kerkhof was schaars verlicht door het weke maanlicht en enkele lantaarns die op enkele plaatsen een plekje hadden gekregen.
Hij besefte dat deze plek het laatste zou zijn. Dat deze maan de laatste keer voor hem zou schijnen. En het kon verbeelding zijn, maar deze keer leek hij dat helderder te doen dan ooit tevoren.
Hij liet zijn schop vallen. Alles was goed voorbereid. Hij moést het vinden, al zou het de hele nacht duren. Zijn lieveling, zijn laatste band met het verleden.
Het was van essentieel belang dat het zou lukken.
Om de zaken af te ronden. Voorgoed.
Hij dacht weer terug aan zijn kinderjaren. Toen hij de pop kreeg. Het was het mooiste cadeau dat hij ooit gekregen had. En moge het hem vergeven worden, maar ook misschien wel het enige waar hij ooit van had gehouden. Een kleine oase in zijn jeugd, dat van pijn bij elkaar getrokken leek.

Zijn tante had het hem gegeven, zij ogen waren melancholiek en droevig tegelijk. De paarse kleur van zijn kleding stak prachtig af bij het witte gelaat en handen. Het hoofd, handen en voeten waren van hout, de rest was van stof.
Hij nam het van haar aan en drukte de pop dicht tegen zijn borstkas aan.
‘Dank je, tante…,’ zei hij. ‘Dank je.’

Hij pakte de schop weer van de grond en stak het in de aarde. Vlak tussen een boom en grafsteen waar hij het al die tijd geleden begraven had. Om af te rekenen met zin verleden, zijn mensheid. Al die tijd had hij het bewaard, om het daarna in de grond te doen verdwijnen.
Vernietigen kon hij het niet, eigenlijk had hij het cadeau alleen maar nóg beter bewaard.

Voorzichtig moest hij zijn, om er zeker van te zijn dat hij het niet zou beschadigen. Schepje voor schepje, hij had alle tijd. De aarde liet los van de grond en langzaamaan vorderde zijn werk. Hij glimlachte, want na tien minuten zag hij hoe de schep het hoofdje omhoog tilde. Enthousiast ging hij verder met zijn handen graven. Na het hoofdje kwam het lichaam, armen en benen. Hij wreef de aarde eraf.
Het was nog even prachtig als voorheen. Opeens ging er een gevoel van akeligheid door hem heen. Een rilling. Hij pakte het rechterbeentje en zag dat het voetje ontbrak.
Hoe was dat nu mogelijk? Had hij toch niet goed opgelet?
Het was een rotstreek van het lot. Hij was er op zijn manier zo zuinig op geweest.

Hij keek de pop aan. Zijn gezichtje glimlachte.
Er kon nu met het ritueel begonnen worden.
De voorbereiding was goed. De slaappillen had hij gisteren al bij zich gestoken. Hoe zou de eeuwigheid er aan de andere kant er voor hem uitzien? Hij probeerde daar niet aan te denken.
Alleen, dacht hij, heb ik geen bloed bij me. Geen bloed om ze in te nemen. Het zou zonder moeten gebeuren.
Hij zakte door zijn knieën. Dit was zijn afscheid. Eenzaam, als een verlengde van zijn bestaan.
Hij voelde in zijn colbertzakje en haalde er het potje pillen uit. Als hij ze had ingenomen zou hij hopelijk doorslapen. En dan zou hij de pijn niet voelen als hij levend zou verbranden door de zon. Het zou kunnen dat hij evengoed gillend wakker zal worden. Dit risico was onvermijdelijk.
Hij wierp voor de laatste keer een blik op de maan, die hem in zijn hele nieuwe bestaan begeleiding had gegeven. Na het potje opengepeuterd te hebben, nam hij ze in zijn hand. Dit is het dan, dacht hij. De kou snerpte door zijn broek en colbertje heen.

Hoofdstuk II

Hij voelde een bonzende hoofdpijn. Alle kracht in hem leek te zijn verdwenen.
Hij merkte dat hij een paar tenen en vingers langzaam maar zeker in beweging kon brengen. Zijn denken begon ook gaandeweg in gang te komen. Met grote concentratie kon hij nu ook weer zijn benen weer wat bewegen. Daarna ook zijn armen en hoofd.
‘Ben ik in de hel..?’ kermde hij.
‘Nee,’ klonk het van dichtbij.
De vampier verstijfde. Een grote schrik ging door hem heen. Hij bestond nog, en hij was ook niet alleen.

Langzaam opende de vampier zijn ogen. Uit de duisternis om hem heen kwam langzaam een figuur los die voorzichtig dichterbij kwam. Hij voelde een hand die op zijn hoofd werd gelegd.
‘Hier ben je veilig,’ zei de stem. De vampier focuste zich nu op zijn omgeving en zag een jonge vrouw rechts naast hem staan. Ook merkte hij dat hij op iets zachts lag.
‘Ik dacht dat ik hier had opgehouden te bestaan,’ zei hij.
‘Zonder mij was dat ook gebeurd,’ zei de vrouw. ‘Je hebt hier al bijna een etmaal geslapen, en ik heb zoveel mogelijk over je gewaakt.’
‘Gewaakt..,’ stamelde de vampier, ‘wie ben jij?’
‘Mijn naam is Cula,’ zei ze, ‘althans zo noem ik mijzelf en zo wil ik ook genoemd worden door de mensen die mij kennen.’
De vampier had nu een goed zicht op de vrouw. Ze had een zwart gewaad aan en haar gezicht was donker opgemaakt. Haar lange zwarte haren golfden over haar schouders. Ze zag er opvallend goed uit.
‘Jij bent geen vampier,’ zei hij.
‘Hoe weet je dat?’ vroeg ze.
‘Een vampier is niet zo toegewijd aan anderen. Zeker niet als het een vreemde is, en ik heb geen vrienden. Bovendien...ik kan je hartslag hiervandaan horen. Jij bent geen ondode. Wat of wie ben je wel?’
‘Ik ben een gothic,’ zei ze. ‘En met overtuiging. Ben jij een echte vampier? Ik zag hoe je je hoektanden ontblootte toen ik je hierheen sleepte.’
‘Correct,’ zei de vampier.
Cula slaakte een gilletje en riep half opgewonden: ‘Ha! Ik heb het altijd al geweten. Vampiers bestaan écht !
Wat geweldig ! Een echte vampier!’
Hij antwoordde niet, maar met een krachtige greep van zijn arm omklemde hij plotseling de nek van Cula. Zij voelde zijn hand die haar in een wurggreep hield. Ze kermde.
‘Ik weet niet wat je van mij wilt,’ zei de vampier, ‘maar eerst zal je me precies vertellen wat er gebeurd is. En misschien, heel misschien laat ik je dan leven.’
Hij liet los. Cula viel bijna achterover en snakte naar adem. Ze probeerde wat te zeggen, maar haar keel deed nog te veel pijn. Toch kon ze met moeite al snel weer wat spraak oppakken.
‘Ik heb je gered,’ zei ze.
De vampier antwoordde niet. Even viel er een stilte, maar Cula voelde haar krachten terugkomen.
‘Ik heb je gered,’ zei ze weer. ‘Je lag op het kerkhof. De zon zou snel opkomen en je gedood hebben. Je was in een soort coma.’
De vampier glimlachte nu.
‘Wat koddig,’ zei hij, ‘Je redt een vampier van de ondergang die op het punt staat om geen gevaar meer te worden voor de mensen. Mensen zoals jij. Besefte je wel dat ik een vampier ben?’

‘Zoals ik al zei,’ zei Cula met enige angst, ‘zag ik je hoektanden. Ik besloot toen om niemand anders erbij te halen. Ik wist eigenlijk niet precies wat ik moest doen.’
‘Een gothic...,’ glimlachte de vampier. ‘Heb je mij daarom gered? Omdat je een gothic bent? Red je daarom het bestaan van een vampier?’
‘Ik heb respect voor al het leven,’ zei Cula, ‘en ik vind het een eer om een echte vampier te ontmoeten. Ik wist niet eens of ze nu wel of niet bestonden. Ik kon alleen de geruchten. De legendes.’
De vampier ging rechtop zitten.
‘Wat je hebt gedaan is dom,’ zei hij. ‘Ik leef van mensen. Letterlijk.’
‘Wij zijn alle twee kinderen van de nacht en duisternis,’ zei Cula. ‘Zo voel ik dat tenminste. Maar ik denk dat je nog wel wat rust kan gebruiken. Ik ga terug naar huis en zal morgennacht hier weer zijn. En maak je maar geen zorgen. In dit grafhuisje komt helemaal niemand.’ De vampier zag haar uit de kleine, bedompte ruimte verdwijnen en liet hem alleen met al zijn gedachten. Hij sloot zijn ogen en viel in een diepe slaap.

‘Goedenacht,’ hoorde hij zeggen, ‘sliep je nog?’
‘Enigszins,’ zei de vampier.
‘Voel je je al wat beter?’
‘Veel beter.’ Hij ging recht op het matras zitten en keek haar met priemende ogen aan.
‘Ik had iets bij me,’ zei hij. ‘Waar is dat?’
‘Bedoel je die pierrot-pop die je zo vastgeklemd in je armen hield? Die heb ik daar achter je gelegd.’
De vampier keek achter hem en zag hem liggen.
‘Hoe heet je eigenlijk?’ vroeg ze.
De vampier keek haar weer aan.
‘Ik heb geen naam,’ zei hij. ‘Die heb ik nooit gekregen.’
‘Onzin,’ zei Cula. ‘Iedereen heeft een naam.’
‘Ik dus niet,’ ,zei hij. ‘Bij leven heette ik Martin, bij dood noch leven heb ik geen naam.’
‘Wat triest,’ zei Cula. ‘Iedereen zou een naam moeten hebben.’
Even viel er een stilte.
‘Maar kijk eens achter je,’ zei ze. ‘Lees eens wat er op die graftombe staat.’
Hij keek achter zich en zag een graftombe vlakbij. De beeltenis van de oude man was erop gebeeldhouwd. Op de stenen kist stond te lezen: ‘Hier ligt graaf Lucas. Hij vocht voor de verschoppelingen en hij...’ De rest was onleesbaar geworden.
‘Ik kende die tekst al. Waarom laat je me die lezen?’
‘Lucas,’ zei ze. ‘Dat wordt je nieuwe naam. Lucas. Zo zal ik je vanaf nu noemen.’
De vampier glimlachte.
‘Lucas,’ zei hij. ‘Lucas is een mooie naam.’

‘Heb je eigenlijk wel onderdak?’
‘Nee,’ zei de vampier die nu plotseling Lucas heette, ‘nee, niet echt.’
‘Hier kan je ook niet blijven,’ zei Cula.
‘Je kunt beter ergens echt onderdak krijgen. Een plek waar je mag zijn. Ken je Het Grote Huis? Dat ligt hier niet al te ver vandaan.’
‘Het Grote Huis,’ dacht Lucas. Zo werd het in de omgeving altijd genoemd. Het huis had nooit echt een naam gekregen.
‘Ja,’ zei Lucas, ‘maar binnen ben ik nooit geweest.’
‘Daar wonen kennissen van mij,’ zei Cula, ‘of eigenlijk zijn het meer vrienden van mijn familie. Maar ik weet dat ik er welkom ben. We zullen vragen of we er enige tijd mogen logeren. Ik ken het huis van binnen nog van vroeger. Sfeervol. Ik had er vaker moeten komen.’
‘Goed,’ zei Lucas. ‘Dan kan ik daar voor mezelf het een en ander op een rijtje zetten. Maar daarna trek ik weer verder… Alleen.’
‘We kunnen er vannacht al heen,’ zei Cula.
‘Vannacht?’ zei Lucas. ‘Kijken ze dan niet vreemd op? Zullen ze niet kwaad worden?’
‘We verzinnen wel wat,’ zei Cula. ‘Ik denk dat de atmosfeer van het huis je goed zal bevallen. De hele sfeer in het huis heeft iets duisters.’
‘Mooi,’ zei Lucas.
‘Ik neem je pop mee,’ zei Cula. ‘Volgens mij is dat belangrijk voor je.’

‘Het is koud,’ zei Cula toen ze op weg naar Het Grote Huis waren.‘Maar de maan schijnt erg mooi. Heb je dat al gezien?’
‘Ja,’ zei Lucas, ‘Wij houden allebei van het maanlicht.’
‘We leven nu in de zesde eeuw van de Federatie,’ zei Cula, ‘en dat zijn al zes eeuwen narigheid.’
Lucas keek haar aan, maar antwoordde niet.
‘De Federatie is klote,’ zei ze met duidelijke haat in haar stem.
‘Weet je wel wat je zegt?’ vroeg Lucas. ‘Er zijn mensen voor minder omgebracht.’
‘Maar de Federatie ís klote,’ zei Cula. ‘Wist je dat mijn broer in een gevangenis zit? Alleen maar omdat hij zich uitliet over het systeem.’
Lucas legde een hand op de schouder van Cula.
‘Het zijn inderdaad schoften,’ zei hij, ‘Het is heel erg van je broer. Juist daarom zou je voorzichtig moeten zijn.’
Lange tijd kwam er een stilte tussen de twee.
Totdat Cula een bankje zag, waar ze al vaak op had gezeten.
‘Zin om even te zitten?’ vroeg ze.
Ze namen plaats. Cula zag een regenton naast het bankje staan.
Ze keek erin en zag dat het voor de helft gevuld was met regenwater.
‘Ik moet opeens denken aan iets uit mijn verleden,’ zei Cula.
‘Van een ver verleden… Stoort het je als ik je dat vertel?.’
‘Nee,’ zei Lucas, ‘vertel het maar.’
‘Oké,’ zei Cula,’Vroeger zochten een vriendje van mij en ik naar bloedzuigers in een emmer water die buiten stond. Dat waren achteraf gezien geen bloedzuigers, waarschijnlijk waren het muggenlarven.
Ook voerden we mieren aan een grote spin, die in een hoekje achter een stapel stenen zat, in onze tuin.
Die vriend was een kleine jongen, ook voor zijn leeftijd. Zijn haar was donker met veel slagen erin. Op een dag kwam hij de tuin binnen en keek mij met grote ogen aan, en verdween weer. Ik heb hem nooit meer gezien. Eigenlijk wist ik alleen zijn voornaam, en die ben ik vergeten. Soms denk ik dat hij al zag dat ik anders ben, en mij daarom liet vallen.
‘Je bent een vreemd meisje,’ zei Lucas. ‘Heb je veel vrienden?’
Cula antwoordde niet, en keek sip voor zich uit.
‘Je hebt geen vrienden, hè,’ zei Lucas.
‘Op school wordt ik ook niet geaccepteerd,’ zei Cula. ‘Ik wordt zo gepest.’
‘Ik weet hoe het is om anders te zijn, Cula. Geloof me.’
‘Het wordt me te koud,’ zei Cula, ‘kom, we gaan weer verder.’
Cula en Lucas stonden op, en liepen verder door de nacht.

Na enige tijd doemde Het Grote Huis zich voor hen op.
De ronde koepels en torentjes werden speels verlicht door de maan.
‘Vind jij het ook zo’n mooi huis?’ vroeg Cula.
‘Zeker,’ zei Lucas, ‘het is grotendeels zwart. Alleen de torentjes zijn grijs, echt heel apart.’
‘Maar hoe komen we binnen?’
‘Wacht maar af,’ zei Cula.
Even later liepen ze de statige trap op naar de hoofdingang, waar Cula aanbelde.
‘Ik ben benieuwd,’ zei Lucas.
Enige tijd gebeurde er niets, maar toen ging de deur open.
Er verscheen een rijzige, magere gestalte in de deuropening.
‘Dag Roderick,’ zei Cula.
‘Ik vond een vriend niet ver van het kerkhof. Hij is verward en heeft echt even rust nodig.
Mogen we naar binnen?’
Roderick keek hen verbaasd aan.
‘Is hij dronken?’ vroeg hij.
‘Nee,’ zei Cula. ‘Nee, echt niet.’
‘Kom maar binnen,’ zei Roderick.
Roderick leidde Cula en Lucas door een hal.
Cula Kon zich de landschappelijke schilderijen uit de derde eeuw van de Federatie nog goed herinneren.
‘Je overvalt me hier wel mee, Cula,’ zei Roderick. ‘Wat is er aan de hand met je vriend?.’
‘Hij heeft alleen wat rust nodig,’ zei Cula.
Ze gingen door de gang naar een van de kamers van Het Grote Huis.
‘Ga zitten,’ zei Roderick.
Hij ging naar een kast en maakte die open.
‘Willen jullie iets drinken?,’ vroeg hij.
‘Nee,’ zei Lucas.
‘Ook geen glas water?,’ vroeg Roderick weer.
Cula wilde het onderwerp van gesprek veranderen.
‘Waar is je vrouw?’ vroeg ze.
‘Op zakenreis,’ antwoordde Roderick.
‘O?’ vroeg Cula.
‘Voor computeronderdelen.’
‘Je moet wel eenzaam zijn in zo’n groot huis,’ zei Cula.
‘Ja,’ zei Roderick, ‘dat is zo. Maar waarom kom je niet wat vaker langs? Je zou toch moeten weten dat je altijd welkom bent.’
‘Zal ik doen,’ zei Cula.
‘Het liefst zou ik elke keer als ik kom in een andere kamertje willen slapen. Dat vind ik leuk.’
Roderick glimlachte.
‘Natuurlijk mag dat…,’ zei hij.

Cula zag de grote gotische spiegel tegenover haar tegen de muur staan. Ze kon zich die nog goed herinneren van de laatste keer dat ze bij Roderick was. Ze vond hem prachtig. De lijst was van donker hout, waar allerlei duivels omheen uitgesneden waren. De spiegel was zeker twee meter hoog.
‘Als Lucas maar niet in de buurt van de spiegel komt,’ dacht Cula.
‘Roderick mag geen argwaan krijgen.’

Roderick keek naar de pop die Cula vasthield.
‘Waarom heb je die pop bij je?, vroeg hij.
‘O..., eh..., die vond ik onderweg.’
‘Wat grappig,’ zei Roderick.
‘Ik stel voor dat jullie de nacht hier doorbrengen,’ zei hij, ‘Wat denken jullie ervan?.’
‘Heel graag,’ zei Cula, ‘echt geweldig van je.’
‘Jullie zullen wel moe zijn.’ Kom, dan zal ik jullie naar de logeerkamers brengen.’
Roderick stond op en ging een trap op, Lucas en Cula volgden. Bovenaan de trap kwamen ze in een gang met een aantal deuren.
‘Jullie mogen zelf een kamer kiezen,’ zei Roderick. ‘Ik ga beneden nog wat werk doen.’
Toen Roderick was verdwenen, opende Lucas een kamerdeur en ging naar binnen. Hij zag een kleine ruimte met veel houtsnijwerk aan de muren. Het was puur decoratief gemaakt, met veel krullen en bogen. Er stond een bureau met een stoel en een bed. Lucas ging op het bed zitten, en zag dat Cula hem was gevolgd.
‘Ik wil je iets vragen,’ zei ze, ‘dat wil ik al geruime tijd.’
Lucas keer haar aan.
‘Loop ik gevaar? Wil je mijn bloed ook drinken?’
Lucas glimlachte.
‘Vampiers hebben niet veel bloed nodig,’ zei hij. ‘Daardoor kunnen we ons onopvallend tussen de mensen begeven.’
‘Gelukkig maar,’ zei Cula.
‘En nog iets,’ zie ze. ‘moeten vampiers niet in doodskisten slapen?’
‘Nee,’ zei Lucas, ‘dat is alleen zo in de legendes.’
‘Aha,’ zei Cula.
‘Morgenavond vertrek ik weer’ , zei Lucas, ‘alleen…’
Cula slikte even.
‘Is dat hoe je met vrienden omgaat?’ zei ze.
‘Vampiers hebben geen vrienden,’ zei Lucas.
‘Voor mij ben je dat wel. Je mag mij niet zomaar verlaten...’
‘Het spijt me,’ zei Lucas, ‘maar het is niet anders.’
Cula liep de kamer uit en gooide de deur met een knal dicht.
Lucas ging liggen en dacht na over wat er de afgelopen dagen was gebeurd. Toen ging hij weer op het bed zitten.
‘Vampiers slapen ’s nachts niet,’ dacht hij.
Hij ging aan het bureau zitten en pakte uit een la pen en papier. Na enige tijd geschreven te hebben, maakte hij er een prop van en gooide het in een hoek van de kamer.
‘Dat was niks,’ dacht hij. ‘Opnieuw.’
Lucas merkte dat het nu beter ging. Terwijl hij aan het schrijven was hoorde hij stemmen beneden.
‘Op dit uur nog zoveel bezoek?’ dacht hij.
Lucas stond op en besloot om te kijken wat er aan de hand was.

Hij liep de trap af.
Toen hij naar beneden keek ging er een gevoel van weerzin door hem heen. Hij herkende de donkerblauwe uniformen met glimmende zwarte laarzen meteen.
‘Federatie-agenten...,’ dacht hij.
‘U staat onder arrest,’ zei een van de agenten.
Lucas versnelde zijn pas.
‘Ik raad u aan rustig met ons mee te komen,’ zei de agent weer.
Lucas liep op de agent af.
‘Staan blijven!’ riep de agent nu.
Lucas ging echter door.
Een kogel sloeg in op Lucas.
Terwijl hij bijna bij de agent was, riep die ‘Wat ben jij verdomme?!’
‘Je ondergang,’ zei Lucas, en brak zijn nek.
Kogels bleven nu inslaan op Lucas, die het machinegeweer van de dode pakte. Een regen van kogels doorzeefde de andere agenten. Vanuit zijn ooghoeken zag Lucas dat Roderick naar de uitgang van de hal rende.
‘O nee!’ zei Lucas, en schoot door zijn benen.
Roderick viel kermend op de grond.
‘Je vertelt me nu precies wat er is gebeurd, en misschien, héél misschien laat ik je dan leven.’
‘Je zou me toch niet geloven,’ kermde Roderick.
‘Probeer het maar.’
‘Ik werk voor een geheime overheidsorganisatie. We doen onderzoek met psi-meters, apparaten om gedachtes te lezen. Het ultieme controlemiddel voor de staat. Bij jou kreeg ik geen ontvangst. Dus of mijn psi-meter deugde niet, of er is wat raars met jou aan de hand. Ik gokte op dat laatste.’
Lucas grijnsde.
‘Ik geloof je,’ zei hij, en brak zijn nek.
Hij keek naar de dode Roderick. Zonder medelijden, zonder mededogen.

Opnieuw ging er een gevoel van afschuw door Lucas heen. Maar dit keer veel dieper dan daarvoor.
‘Cula…,’ dacht hij.
Hij hoorde haar gorgelende en haperende stem. Zo snel hij kon rende hij naar haar toe. Ze lag in een plas met bloed, een agent moest haar hebben geraakt.
‘Lucas...,’ zei ze, ‘Lucas ...Ik wil niet dood… Doodgaan is klote...’
‘Er is maar één ding dat ik voor je doen kan, maar je zal voor eeuwig vervloekt zijn...’
‘Doe het,’ zei Cula, ‘doe het.’
Lucas boog zich naar haar toe.
Het oude leven van Cula was voorgoed voorbij.

Epiloog

‘Je nieuwe naam Esther past goed bij je,’ zei Lucas. ‘Het is echt een mooie naam.’
‘Dank je,’ zei Esther.
Samen zaten ze op een bankje, ver weg van Het Grote Huis.
‘Ik heb nog iets voor je,’ zei ze.
Ze gaf Lucas de pierrot-pop.
‘Ik heb hem niet meer nodig,’ zei hij, en zette de pop naast zich neer.
‘Ik heb iets geschreven,’ zei Lucas.
Hij haalde een papiertje uit zijn colbertje te voorschijn, en gaf dat aan Esther.
‘Ik ben benieuwd wat je er van vind.’
Esther pakte het aan en keek ernaar.
‘Het is een gedicht,’ zei ze, en begon het te lezen.

DE VAMPIER

Daar stond hij,
Een man alleen.

Bespiegelingen van zijn leven
In een plas water.

Geen bezigheden meer
Die het daglicht konden verdragen.

Van kuddedier
Tot jager.

Een leven als verwrongen takken
Die nooit ophielden met groeien.

Zonder grens.
Zonder ziel.

Maar ook zonder vrees
Voor een einde van zijn bestaan.
Toch kan die worden toegebracht.

En als die komt,
Zal hij die vervloeken,
Of juist verwelkomen?

Was het dierlijke in de mens
Bij hem bewezen?
Was het noodlot,
Of bestemming?

Zijn jas
Plooide in de vorm van de wind.
De koude nacht
Was al even eenzaam als hij.

Hij had alle tijd van de eeuwigheid
Voor zijn vragen.
Maar zelfs dat was niet genoeg
Voor maar een enkel antwoord.

Hij bleef nog even staan
Om daarna door te lopen
In een maalstroom
Zonder einde.

Esther keek met bewondering naar Lucas.
‘Echt mooi,’ zei ze.
Ze voelde hoe kleine spatjes tegen haar aansloegen.
‘Het begint te regenen, Lucas. ‘Ik zou willen dat er met het maanlicht ook een regenboog kon verschijnen, net zoals met de zon’.
‘Je went wel aan het vampierbestaan,’ zei Lucas, ‘We zullen wraak nemen. We zullen de leiders van het systeem opjagen als echte wraakengelen. We zullen geen genade kennen.’
‘Maken we een kans?,’ vroeg Esther.
Lucas antwoordde niet.
De regen begon steeds harder te stromen.

(januari 2008)