|
Guirlande F.
Een dag uit het leven van een goede vrijgezel
Het leven van Bernhard werd getekend door grote regelmaat. Zijn dagen
pasten in een rooster waar hij nooit van afweek. Hij had een eenmansbedrijfje
en dacht dat het zijn klanten zou afschrikken als hij steeds iets
nieuws probeerde, als ze niet op hem konden vertrouwen.
Zonder ontbijt verdween hij dagelijks in de vroege ochtendnevels. Hij
rende bij zomer en bij winter, bij lente en bij herfst. Niet dat hij
een topsporter was of een uitzonderlijk goede conditie had, maar over
het algemeen was het goed voor zijn lichaam en zijn concentratie.
Vogels begonnen te zingen en het vroege groen begon te stralen in
het eerste licht, toen Bernhard van zijn ene been op het andere wipte
op een morgen in mei. Warming-up noemde hij dat en hij zwaaide wat
onnozel met zijn armen. Een briesje stak op en liet de bladeren ritselen.
Zonder dat iemand het zag jogde hij langs de hartelijke huisjes in
zijn buurt, door de prettige parken van de binnenstad, langs de ruisende
rivier de bebouwde kom uit. Al jaren nam hij steeds dezelfde route
en zo lang zijn gezondheid het toeliet zou hij dat ook blijven doen.
Drie kwartier later stond hij steevast weer op zijn eigen stoep. Dan
kon hij ademteug noch transpiratie binnenhouden. Hij leunde een minuut
tegen zijn voordeur voor hij de sleutel tevoorschijn haalde. Zijn
hele lichaam verlangde naar de koele douche die hem, zoals iedere
ochtend, te wachten stond. Daarna nam hij de tijd om zijn muesli met
yoghurt te eten en zette zich zonder zuchten aan zijn bureau. Tot
twee uur ’s middags werkte hij onafgebroken. Hij las brieven
en berichten, resoluties en redevoeringen, vorderingen en verslagen.
Hij streepte, fronste, zocht af en toe iets op in een wetboek, las
nog meer en dacht geen moment aan iets anders dan de zaak die voor
hem op tafel lag. Maar als de kerkklok het signaal gaf legde hij zijn
pen neer en verliet hij zijn werkkamer. Hij had een uur lunchpauze.
In de lentezon genoot hij, zoals altijd, van een knapperig stokbrood
gezond. Erbij dronk hij een glaasje sinaasappel-perziksap. Vitaminen
waren goed voor hem, wist hij, maar van het eten van echt fruit kreeg
hij altijd zulke vieze handen, dat hij ze liever uit een pak haalde.
’Alleraardigst,’ zei hij vaak tegen zichzelf, ’dat
ik zo kan zitten.’
Voor het avondeten postte hij zijn brieven, pleegde zijn telefoontjes,
ordende de papieren en ruimde het bureau weer op. Daarna bezocht hij
de buurtsuper en deed hij boodschappen voor het diner. Meestal kookte
hij niet voor zichzelf alleen. Hij hield van bijzonder eten en verwende
er graag vrienden en kennissen mee. Gisteren had zijn buurvrouw gevraagd
of ze wat zout kon lenen. Ze had bijzondere gasten te eten, vertrouwde
ze hem toe. Prompt had hij haar uitgenodigd de avond erop met hem
te dineren.
’Maar wat graag!’ had ze geantwoord en gevleide vlekken
waren op haar weke wangen verschenen.
Bernhard hing zijn colbert over een stoel
en stroopte de mouwen van zijn gestreepte overhemd op. Hij bond
een schort voor en waste zijn handen. Hygiëne is belangrijk in de keuken, vooral als je voor
anderen kookt. Neuriënd halveerde hij een avocado, schepte het
zachtgroen in een kommetje en prakte het met een vork. Hij mengde
er wat culinaire room en cayennepeper door, dan werd het zachter in
de mond, maar pittiger op de tong. Nonchalant vulde hij de lege schillen
weer en deed de koelkast open. Hij steunde tegen de deur en zette
zijn voorgerecht op de onderste plank. Even bleef hij voorover hangen
en pakte de hertenbiefstuk, het potje groene asperges en de kastanjechampignons.
Toen zwaaide hij de deur dicht en wreef in zijn handen, hij zou genieten
van het snijden van het rauwe vlees tot het serveren van het bruingebakken
wild.
Zoals hij al verwacht had, was de vrouw iets te vroeg. Ze had zich
mooi gemaakt voor het diner, maar om de moeite te verhullen had ze
op het laatste moment haar haren in een gewone paardenstaart gebonden.
Toen hij haar zo zag dacht Bernhard aan Bach, en hoe de moeilijkste
stukken pas goed zijn wanneer ze klinken als eenvoudige riedeltjes.
Hij glimlachte en liet haar binnen. In de eetkamer wees de stilte
hen terecht: ze hadden het moment om een onopvallend woord te spreken
voorbij laten gaan. Als een butler ging hij haar voor, wees haar een
stoel en bood een witte chardonnay aan. Met rechte rug zat ze aan
de gedekte tafel en keek verwachtingsvol om zich heen. Deze vrouw
zou de mijne kunnen zijn, dacht Bernhard terwijl hij het voorgerecht
uit de keuken haalde. Hij plaatste de gegarneerde avocado’s
zorgvuldig op de borden en ging tegenover haar zitten.
Onzeker namen ze hun bestek en twijfelden of ze de wonderlijke stilte
zouden verbreken voor een ‘Eet smakelijk’. Uiteindelijk
nam Bernhard een beslissing en bracht, terwijl hij haar aan bleef
kijken, een garnaal naar zijn mond. Zijn voorbeeld volgde ze voorzichtig,
ze at met kleine hapjes en kauwde uitgebreid. Haar blik verraadt zo
weinig, dacht Bernhard, geen verrukking, geen compliment over de bescheiden
opening van de avond. Maar ook geen afkeuring of walging. Ze keek
hem alleen maar aan, terwijl ze zijn voorgerecht at. Gewoonlijk gaven
gasten onmiddellijk een oordeel over de kwaliteit van zijn kookkunsten,
vaak loofden ze hem al voor ze daadwerkelijk iets konden proeven.
Maar zij zweeg.
Ook toen hij haar rode wijn inschonk en de hertenbiefstuk in gembersaus
serveerde glimlachte ze alleen maar. Opnieuw twijfelde hij over een ‘smakelijk
eten’, dit keer week zij uit. Ze nam haar glas bij de steel
en bracht het langzaam tot het midden van de tafel. De klank van kristallen
glazen die elkaar raakten bleef tussen hen hangen. Stil en beheerst
aten ze er het hoofdgerecht onder.
Onder tafel trilden zijn knieën, toen hij het servies naar de
keuken had gebracht en aan de lege tafel tegenover haar was gaan zitten.
‘Jij zou toch zorgen voor het dessert?’ vroeg hij langzaam,
met diepe stem. Zijn hand schoof over de tafel naar de hare. Ze knikte,
stond op en knoopte haar blouse open. Ook hij stond op, sloeg zijn
arm om haar middel en bracht haar naar zijn slaapkamer.
Om elf uur die avond sloeg ze de dekens van zich af en hees ze zich
in haar belangrijkste kledingstukken. Haar haren waren los en geklit,
maar daar deed ze niets aan. Ze kuste zijn voorhoofd en verliet zijn
kamer. Nog steeds had ze niets gezegd. Bernhard bleef liggen. Toen
hij hoorde dat ze de voordeur achter zich dichttrok, zakte hij in
een zachte sluimer.
Om zes uur zoemde zijn wekker agressief. Met moeite ontwaakte Bernhard
uit zijn diepe slaap. Terwijl flarden van zijn dromen nog vochten
tegen de vergetelheid, reikte hij ver uit zijn bed, naar de sluimerfunctie.
Nog tien minuten, dacht hij en pakte de bovennatuurlijke verhaallijn
weer op.
Zo ging dat nog twee keer, toen richtte hij zich op.
’Jakkes,’ mompelde hij terwijl hij naar de badkamer slofte, ’het
lijkt wel of ik een dode muis heb gegeten.’ Hij poetste zijn
tanden dubbel zo lang met extra tandpasta, maar hij kreeg de smaak
niet helemaal weg.
In de spiegel zag hij hoe zijn behaarde buikvet verdween onder een
grijs T-shirt. Met een zucht knielde hij voor zijn sokkenlade en nam
er twee bolletjes uit, een donkerblauwe voor na het joggen en een
witte voor nu. Alsof het iemand zou storen als hij dit stramien een
keer doorbrak.
Buiten wachtte de wijk hem op, wilde de wereld hem als eerste begroeten.
Maar een stap ontbrak: de knip zat niet op de deur. Irritatie welde
in hem op. Iedere achterlijke inbreker had met een paperclip zijn
deur kunnen forceren, terwijl hij stom lag te slapen! Zo’n ding
zit er toch niet voor niets! Met een klap knalde hij de knip omhoog
en trok hem weer los. Zijn slordigheid was onacceptabel!
Grimmig maakte hij zijn spieren los en begon aan zijn dagelijkse route.
Hij stampte op de straatstenen alsof zij het waren die zijn ritme
gebroken hadden. Met wijd opengesperde neusgaten snoof hij diep, maar
spuwde de lucht vol minachting weer uit. Een sliert slijm sloeg tegen
zijn gezicht. Hij kneep zijn vuisten zo hard om zijn duimen dat het
pijn deed, maar liet niet los. Bij iedere stap werd zijn woede wilder.
Hij hoorde het rustieke ruisen van de rivier niet, maar liet zich
verder opzwepen door zijn eigen zwoegen en zuchten. Bij het verlaten
van de bebouwde kom merkte hij een tweede paar voetstappen vlak achter
zich. Verbeten versnelde hij zijn pas, maar raakte het volgende geluid
niet kwijt. Hij wilde zich omdraaien om te zien wie hem op de hielen
zat, maar in zijn hoofd galmde de waarschuwing van God uit Genesis: ’Vlucht,
want het gaat om uw leven, kijk niet om en blijf nergens staan.’
Soepel snelde hij zoals altijd, zonder om te kijken, tot de voetstappen
in een zacht knisperen verdwenen.
Eindelijk weer regelmaat.
|