Annemieke van Rooijen

Bestemming

“Brocante” staat er op de deur, maar het is gewoon een schuur vol oude rommel. Afgedankte tuinmeubelen, kapotte fietsen, oude lampenkappen, kitscherige schilderijen…
Dat ik hier niet thuishoor is zoveel als zeker. Wit van verontwaardiging werd ik toen die spullenbaas, die hier de scepter zwaait mij een prijskaartje om de hals deed.
€ 60,- vraagt hij! Een schandelijk bedrag voor een driehonderd jaar oud antiek beeld, dat ooit beroemd was in heel de streek!
Maar wat weet die man? Hij komt hier niet eens vandaan.
Ik had hem kunnen vertellen dat wij oorspronkelijk met zijn vieren waren, Amitié, Joie, Fertilité en Espérance.
Honderden jaren lang stonden we aan weerszijden van een grote fontein op een landgoed, wij, lelieblanke klassieke schoonheden.
Wat mis ik het sprankelende water nu de zon brandt op mijn gebarsten lokken, die bijeengehouden worden door een groen uitgeslagen band!
Spijtig houd ik nog altijd mijn kleed bij de heupen bijeen.
Mijn gedachten dwalen af naar de bewonderaars van vroeger: de heren in zijde, de dames onder parasols, de bezoekers in hun koetsen.
Voorgoed verdwenen.
Nu word ik nog slechts aangestaard door zweterige dagjesmensen, die niet het minst verstand hebben van kunst. Het soort dat vroeger nog niet aan de achterdeur geduld zou zijn. Ongegeneerd spuien ze hun mening.
“Is dat soms wat voor in jouw tuin, Fifi?”
“Ach nee, veel te ouderwets! Doe mij maar wat moderners!”
Ik trek mijn Griekse neus op van minachting. Alsof mijn albasten perfectie in zo’n burgerlijk tuintje zou passen!
Het allerergste zijn de mannen met hun hangwangen en bierbuiken, hun kalende schedels, die grapjes over mij menen te moeten maken, ja, me zelfs durven aanraken!
Verdedigen kan ik me niet, maar wie denkt dat beelden niet leven vergist zich. We hebben wel degelijk gewaarwordingen, maar zo langzaam en diep dat die mensen, vluchtig en oppervlakkig als ze zijn, er niets van merken.

Nu ik hier zo sta vliegen mijn gedachten vaak naar het verleden.
Amitié was de eerste van ons die gerestaureerd zou gaan worden. Jarenlang keken we naar haar terugkeer uit, maar om een of andere reden gebeurde dat nooit.
Daarna kwamen er buitenlanders in het chateâu wonen, schreeuwende mannen, die wij niet konden verstaan, in grijze uniformen en hoge laarzen. Overdag reden er legerjeeps langs.
‘s Nachts schrokken we wakker van de herrie van dondervogels, hoog in de lucht, die dood en verderf zaaiden.
Op een van die nachten werd Espérance getroffen door een stuk van hun moordende eieren en stortte in. Joie verloor bij dat incident een arm. Ik, Fertilité, die op het Zuiden stond, ontkwam wonderbaarlijk aan de ramp.

Toen de soldaten weg waren kwamen er geen baronnen of hertogen meer terug. Het huis verviel tot een bouwval, de tuin werd onkruid.
Jaren later forceerden groepjes langharige jongelui het hek en bivakkeerden avond aan avond aan de voet van onze drooggevallen fontein.
Ze rookten grote sigaretten met een vreemde geur, die ze aan elkaar doorgaven. Ze zetten flessen aan hun mond en stookten vuurtjes aan de voeten van Joie, waardoor ze zwart blakerde.
Op een dag struinden er mannen in dure pakken over het terrein, die alles bekeken en aantekeningen maakten.
Joie werd omgetrokken en weggevoerd in een kruiwagen. Lawaaiige werktuigen namen het hele terrein op de schop. Het chateâu zou worden opgeknapt. Ik hoorde de bouwlieden praten over een conferentiecentrum, maar daarna werd ook ik weggehaald en zonder pardon verkocht aan de handel in curiosa.

Op een kwade dag zie ik drie jongelui aan komen slenteren, die in mij geïnteresseerd blijken. Mijn trage hartslag versnelt onrustbarend. Een van de jongens zet mij zijn vettige petje op. Een meisje drapeert een sjaal rond mijn naakte borsten en lacht met overdreven uithalen.
Ze mocht willen dat ze zelf zo volmaakt geschapen was, de schrielkip!
Ik, Fertilité, de personificatie van de vruchtbaarheid! Maar weten die kinderen veel!
“Gaaf! Voor in het studentenhuis!” wordt er gegild.
“En met Kerstmis lichtjes erin en dennengroen!”
De stemming stijgt. De spullenbaas wordt er bijgehaald. De oudste jongen weet nota bene nog een tientje op me af te dingen en dan is mijn lot bezegeld. Ik moet mee of ik wil of niet. Ik zal de streek moeten verlaten waar ik gewoond heb vanaf dat ik het atelier van mijn maker verliet.

Een uur later word ik met veel moeite en geginnegap een busje in geschoven. Hoofd vooruit, balanceer ik horizontaal over de achterbank.
Uit de gesprekken begrijp ik dat we een reis van een aantal uren voor de boeg hebben. Het woord “Parijs” valt. De motor van de bus ronkt in mijn oren als de dondervogels van lang geleden. Aan weerszijden zie ik mijn vertrouwde groene bossen voorbijschuiven.
De jonge bestuurder let amper op de omgeving.
Ik wel. Ik neem afscheid.
Uit mijn ooghoek ziek ik hoe plotseling een reebok de bosrand verlaat en met grote sprongen de weg oversteekt.
Het is eind augustus en de bronsttijd is begonnen. In de opwarmende lucht is het dier aangelokt door de geur van reegeiten en let nergens anders meer op.
Zijn vossenbruine vacht glanst in de zon. Hij is jong en blaakt van gezondheid en lust. Ik, godin van de vruchtbaarheid, bescherm hem instinctief.
Op het laatste moment ziet de bestuurder van de bus het dier ook. In een reflex gooit hij het stuur om en trapt uit alle macht op de rem.
Op hetzelfde moment kom ik van mijn plaats. Mijn 250 kilo albast schuift met een noodsnelheid recht over de halswervels van de bestuurder door de voorruit.
Door een fontein van klaterend heldere druppels- mijn hart springt op van herkenning en vreugde- zie ik nog net hoe de bok, geschrokken maar veilig, de andere bosrand bereikt.
Vanachter een snel groter wordende boom komen mij met wijd uitgespreide armen bekende gestalten tegemoet: Amitié, Joie, Espérance!
In die paar laatste seconden begrijp ik eindelijk waar dit alles, waar deze reis van het begin af aan voor heeft gediend. Het was om thuis te komen.