Frank Heinen

Na de dood

Het eerste wat ik me herinner als ik mijn ogen open, is het Licht. Het Licht, in al zijn felle witheid, dat zich aan me opdrong en waarvoor ik mijn ogen niet kon sluiten. De zon die zich naar me toe bewoog, zonder dat ik het warmer kreeg. Net toen ik dacht dat mijn ogen aan het verblindende wit zouden bezwijken, doofden alle lampen in mijn hoofd. Het donker nam zijn oude plek weer in en ik overleed.
Ik zou verbaasd moeten zijn dat ik mijn ogen open nadat ik overleden ben. Dat is niet de gebruikelijke gang van zaken. Maar verbaasd ben ik niet, hoogstens benieuwd.
Het bed waarop ik lig is anders, comfortabeler vooral dan het rijdende ziekenhuisexemplaar met die van pregnante ziekenhuisgeur doordrongen lakens waarin ik gestorven dacht te zijn. Ik lig bovenop de dekens, aangekleed en wel. Ik draag een gekreukt overhemd van goede kwaliteit, duurder dan ik zelf bij leven en welzijn aan zou schaffen, maar misschien ben ik zo iemand die pas na zijn dood met geld begint te smijten.
Voorzichtig laat ik me uit het tamelijk hoge bed glijden en trek de dekens een beetje recht voor een eventuele volgende dode. Ik stap in de leren pantoffels (ook niet mijn smaak, ze ruiken bovendien naar van dat veelgebruikte bowlingschoeisel) naast het bed en zoek een deur in de volstrekt donkere ruimte waarin ik als een slaapwandelaar rondschuifel. Pas als mijn tastende handen op een muur stuiten en even later een lichtschakelaar vinden, kan ik voor het eerst zien hoe mijn dood eruitziet. Het bed is zo groot dat je erin met elkaar naar bed kunt gaan zonder de ander tegen te komen. Aan de gebroken wit geschilderde muren hangt een portret van een oude man met een vermoeiende glimlach. In de hoek staat een ouderwetse linnenkast waartegen een zeis geleund staat. Behalve die zeis – een tamelijk clichématige metafoor voor de dood – is er nog iets in de kamer wat me opvalt, maar ik ben er nog niet achter wat dat is.
Langzaam loop ik naar de linnenkast, zoals je dat ook doet als je voor het eerst een hotelkamer binnenkomt. In de kast tref ik mijn oude pyjama aan, mijn ziekenhuisexemplaar, de outfit in de laatste weken van mijn leven. Het jasje en de broek hangen ieder aan een haakje, mijn eigen pantoffels staan eronder. Ik trek ze niet aan, wie weet welk postuum protocol ik daarmee verstoor. Als ik de kast dichtdoe, zie ik mezelf opeens in een spiegel, die in hotelkamers ook altijd aan de binnenkant van de kledingkast verborgen is.
Wat ik zie, valt me niet tegen. Tuurlijk, ik ben oud en enigszins gerimpeld, wat mager ook. Maar ik bén het in elk geval, ik kan mezelf zien. Geen schim, of spook of doodshoofd. Gewoon een oude man die net uit bed is gekomen en waarvan je kunt zien dat hij niet meer in de kracht van zijn leven is, maar dat laatste lijkt me voor een dode niet meer dan normaal.
Nu ik weet hoe ik eruit zie, weet ik opeens wat er ontbreekt in deze kamer. Vroeger, toen ik nog leefde bedoel ik, bekeek ik mezelf uitsluitend in het daglicht, in de ijdele hoop dat het licht van de dag mij zou flatteren. Er is hier geen daglicht. Er is hier geen raam. Alle muren zijn hetzelfde, alsof de architect gewoon vergeten is een opening in zijn muren te tekenen. Er is zelfs geen deur, zie ik nu.
Zelf heb ik nooit geloofd in iets na de dood. Na de dood bevond zich volgens mij het grote Niets. Voor de geboorte trouwens ook. De vraag is nu hoe ver ik er destijds naast zat. Dat ik me nu niet in het absolute, oneindige en eeuwigdurende Niets bevind, daarvan ben ik wel overtuigd. Maar tot het einde der tijden in een soort sobere hotelkamer zonder ramen en deuren moeten wonen komt heel dicht bij Niets in de buurt, als je Niets een beetje ruim opvat.
’Hallo?’ Voor ik het weet, heb ik ”hallo” geroepen. Mijn stem klink nog net als altijd, een onprettig geluid is het, waar ik liever zo weinig mogelijk naar luister. Ik roep nog eens, maar verwacht nauwelijks een antwoord.
’Goedendag.’Een vrouwenstem klinkt heel dichtbij. Ze verrast me niet; misschien dat het deel van mij dat zich kon laten verrassen wél echt gestorven is.
’U bent de heer Van Wijk?’ Onwillekeurig kijk ik naar het portret van de oude man, maar de stem komt uit het keurig gestuukte plafond.
’Dat is correct. Mag ik ook vragen wie u bent?’
’Ik stel de vragen. Als u ook vragen gaat stellen, komen we niet verder. Dat is algemeen bekend. Dus: hoe oud bent u?’
’Ik was 76, maar nu weet ik het niet.’
’U bent 76 jaar dood geweest.’
’Nee, 76 jaar in leven.’
’Dood dus. Die 76 jaar zijn geweest, verleden tijd. Ze bestaat niet meer. Dus wat zijn ze? Dood. Het is maar een nuance, maar toch. De mensen drukken zich vaak zo ongelukkig uit, vindt u ook niet? Wat vond u trouwens van het witte licht? Toen u uit de dood stapte?’
’Eehm, fraai. Heel indrukwekkend. Ik ben dus níet dood, begrijp ik dat goed?’
’Mooi, hè? Driehonderd jaar geleden in gebruik genomen. We zijn er erg blij mee. Het geeft de boel net dat beetje meer.’
’Pardon? Ben ik nu dood of niet?’
’Meneer Van Wijk, luister. De dood impliceert het Niets. Dus als u dood zou zijn, zouden wij dit gesprek niet kunnen voeren. En stopt u nu alstublieft met het stellen van onnozele vragen! Als iedereen zo traag van begrip was, kwam ik nergens meer aan toe.
Waar het om gaat is dit: u bent even niet aan de beurt. We lopen een paar millennia achter op schema. Dus als u even plaats wil nemen, dan wordt u zo geholpen.’
‘“Geholpen?’
’Niet naar de bekende weg vragen. Dan wordt u opnieuw geboren.’
’Dus toch reïncarnatie. Wist u dat ik dat altijd het meest onwaarschijnlijk geloof heb gevonden, het geloof in de wedergeboorte?’
’Ik geloof werkelijk dat uw naïviteit gemeend is.’ De stem klinkt opeens bijna medelijdend. ’U heeft op school vast wel eens gehoord dat de dood – die jullie dus het leven noemen – bestaat uit cyclussen. Alles komt terug, alles herhaalt zich. Heeft u er nooit bij stilgestaan dat dat ook voor het leven zelf zou kunnen gelden? Dat dat zich elders weer opnieuw afspeelt, precies zoals eerst?’
’Excuses dat ik weer een domme vraag moet stellen, mevrouw, maar wat bedoelt u met ‘elders?””?
’Elders, gewoon elders. Een andere plaats. Ik hoef u toch niet te vertellen dat er meerdere Aardes zijn, in meerdere universums?’
Ik zwijg. Ik voel me behoorlijk dom. De stem zucht vermoeid, als een docent die nog één keer de Stelling van Pythagoras probeert uit te leggen.
’U wordt strakjes – een kleine 2000 jaar wachten nog – wéér geboren. Weer in 1931. U wordt weer 76, uw leven zal zich exact zo afspelen zoals uw dood zich afspeelde. Uzelf heeft daar geen weet van, dat is het mooie van ons systeem. Iedereen beleeft zijn eigen leven steeds weer voor de eerste keer.
Helaas moet u nog even wachten. Maakt u het zich gemakkelijk. Iets te lezen hebben we niet. Ze komen vandaag met de nieuwe leesmap. Koffie?’