Tim van ‘t Hul Parasiet De kale man tegenover mij in de trein draagt een duur pak en heeft op schoot een stalen koffertje. 10.000 euro in kleine, ongemarkeerde coupures, denk ik. Hij opent het cijferslot en als er niks ontploft, haal ik opgelucht adem. Hij haalt een dossier tevoorschijn. Staatsgeheimen dus, besluit ik. CIA agent. Natuurlijk, de verkiezingen komen eraan. Net als ik me erover verbaas dat het koffertje niet met een handboei aan zijn pols is bevestigd, vermindert de trein vaart en maakt de man zich klaar om uit te stappen. De gevoelige informatie wordt weer zorgvuldig opgesloten. Daarbij hoor ik de man iets zwaars verplaatsen in het koffertje. Iets waar ongetwijfeld een geluidsdemper op is geschroefd. De man staat op en ik kijk hem na als hij naar het balkon loopt. Net na hem stapt een zwaarlijvig heerschap uit. Borstelige zwarte wenkbrauwen boven een streng gezicht. KGB, denk ik. Dat zie je zo. Het ziet er niet goed uit voor de Amerikaan. Als de trein weer optrekt richt ik me op mijn krant. Naast me zit een jongeman met een mobiele telefoon. Op de achterkant van een kassabon noteert hij iets dat lijkt op een naam en een adres. “Hm… Ja… Hm-hm… OK. Dan doe ik het vanavond,” hoor ik hem zeggen. Mijn oren zijn gespitst. “Nee, dat geld komt later wel,” zegt de jongen. Een huurmoordenaar, denk ik. Dacht ik het niet. “Hoe had je je dat precies voorgesteld?” Ik kan de andere kant van het gesprek niet horen maar kan me de verbeten stem van de jaloerse echtgenoot voorstellen. Laat haar lijden, die teef. “Ja, dat kan wel,” zegt de jongen. Mijn luistervinkerij wordt ruw verstoord door de conducteur, die de coupé binnenkomt. Overal om me heen zie ik mensen in tassen zoeken. Kort nadat de conducteur me gepasseerd is, ontsteekt hij in een hevige hoestbui, die hem dubbel doet klappen. Duidelijk de eerste symptomen van zombiekoorts, denk ik en voor mijn geestesoog zie ik de conducteur met een levenloze blik zijn tanden in één van zijn collega’s zetten. Ik kijk naar mijn nietsvermoedende medereizigers. Maar goed dat ik immuun ben. Als ik uitstap zie ik voor mij op het perron een keurige dame van middelbare leeftijd met een Jack Russel. De hond kijkt me met een ondoorgrondelijke blik aan. Ik doe of ik niks in de gaten heb maar de buitenaardse parasiet in zijn hoofd lijkt er niet in te trappen. Zijn bazin groet een jonge vrouw, waarschijnlijk haar dochter, en arm in arm lopen ze naar de uitgang. De hond houdt mijn blik zo lang mogelijk vast maar als zijn riem strak wordt getrokken loopt hij mee. Even overweeg ik hem te volgen. Dan bedenk ik me. Straks kom ik wéér te laat op kantoor. |