Manja Sadovska hield van vuur.
Overdag had ze langs de rivier een voorraad van takken en afvalhout
verzameld en aangesleept. Toen de avond viel had ze alles opgeborgen
in de betonnen nis onder het viaduct waar auto’s in een
afgrijselijk tempo overheen dreunden. Het stadium dat haar hoofd
er van bonkte was allang voorbij, al waren er dagen, zoals vandaag,
dat ze haar bloed zowat tegen haar schedelwand voelde klotsen.
Straks zou Jan 2 komen, dat maakte haar nerveus.
Hij zou zijn caravan komen inspecteren en weer wat spullen ophalen,
zo liet hij haar geloven. Ze perste haar lippen tot een witte streep
en broedde op nieuwe gedachten.
De waterige kou had geen haast om te vertrekken, hij had zijn stek
gevonden onder de kille grijze wattendeken. Met een stok porde ze
in de knisperende vlammen. De geur van het brandende hout maakte de
omstandigheden voor even draaglijk.
Ze stak haar laatste sigaret op. Een pakje ging er altijd sneller
doorheen dan ze zich had voorgenomen. Ze moest stoppen. Haar huid
was grauw geworden en haar schoonheid verdampte met een onthutsende
snelheid van haar gezicht.
Een reiger vloog onder het viaduct en landde naast de betonen peilers
op het dak van de werkkeet van de kunstenaar een eindje verderop.
Zijn auto stond er nog en er brandde licht, waarschijnlijk was hij
bezig met het ontwerp van de dierenserie die deel uitmaakte van zijn
opdracht.
Ze overwon haar schroom en sjokte in haar rubberen laarzen naar hem
toe. Hoewel hij gezegd had dat ze naar hem toe komen kon als dat nodig
was, had ze gemerkt dat hij liever niet gestoord werd.
Op zijn terrein stonden in de oprukkende schemer grote gelaste metalen
platen van enkele dieren uitgestald. Ze herkende de contouren van
een edelhert, een raaf en een zwijn. Zijn werk was opgeschoten en
ze besloot er wat aardigs van te zeggen.
Toen ze op de deur bonkte duurde het een tijdje voordat hij opende.
Zijn ogen verrieden een lichte irritatie, maar zijn stem klonk vriendelijk
zoals altijd. Een hoofdpijntabletje en ja, ook wat sigaretten kon
ze krijgen. Zijn vraag of ze het niet koud had deed haar smelten maar
ze schudde haar hoofd. In plaats daarvan maakte ze een onhandig compliment
over zijn vorderingen.
Hij peilde haar blik en vroeg of ze in staat was hem te helpen de
platen enkele meters te verplaatsen. Ze stalden de metalen dieren
een voor een tegen de stenen stammen onder het viaduct. Ze hijgde
en pufte onder het gewicht. Hij schoot in de lach maar zei verder
niets. Het was geen man van veel woorden maar Manja voelde dat ze
hem vertrouwen kon.
Met zijn ogen bekeek hij haar lichaam altijd langdurig en openlijk.
Ze wist dat hij haar mooi vond, maar hij zocht verder geen toenadering.
Nadat ze als laatste het edelhert onder het viaduct hadden gesjouwd
dankte hij haar met een knik. Vanaf een afstand bekeek hij zijn werk.
Hij stak een sigaret op en zakte door zijn knieën naar de grond.
Het zou een heel woud vol worden, hoorde ze hem trots zeggen. Zijn
stem werd daarna overstemd door het verkeer dat in een nieuwe colonne
boven hen heen raasde. De geestdrift waarmee hij sprak gaf zijn ernstige
gezicht een vrolijke, aanstekelijke gloed. Ze glimlachte warm en probeerde
de wereld van zijn woorden binnen te dringen. Plotseling stond hij
op, gaf een zwaai als teken van afscheid en liep naar zijn keet. Ze
keek zijn krachtige gestalte na, keerde terug naar de caravan en hurkte
bij het vuur dat begon te doven.
Een nieuwe sigaret zou ze ondanks de kou buiten paffen, besloot ze
en liet het denken over zich heen komen. Ze mocht Jan 2 niet maar
ze had hem nodig. Voorlopig was er geen alternatief.
Teruggaan naar Myslibórz wilde ze uiteindelijk niet. Ze had
haar verleden nu eenmaal de rug toegekeerd. Het westen had een dwingende
aantrekkingskracht, al wist ze eigenlijk niet goed meer waarom. Berlijn
had haar weliswaar een aardige kamer en een goede job als serveerster
geboden, echte vrienden had ze er niet gemaakt. Ze had zich eenzaam
gevoeld en net op het moment dat ze met tegenzin overwoog terug te
gaan naar haar geboorteplaats in Polen ontmoette ze de Nederlander
Jan die ze ‘ein Limo und Kuchen mit Sahne’ serveerde op
het terras terwijl de hitte de stad martelde. Twee weken lang bediende
ze hem met een horecaglimlach. Ze begreep dat hij niet voor de menukaart
kwam en nadat ze voor de derde keer een avondwandeling Unter den Linden
hadden gemaakt verzocht hij haar mee te gaan naar Amsterdam.
Het leek de beste optie. Jan was aardig en een baantje als serveerster
zou ook in Amsterdam te vinden zijn. Ze sjouwde haar koffers naar
zijn woning en leerde de eerste maanden de taal met behulp van een
CD-rom.
Contact met Nederlandse mensen had ze niet, behalve af en toe wat
oppervlakkig gebabbel in het trappenhuis met een alleenstaande, vaak
naar bier ruikende buurman die zich eveneens Jan noemde. Wanneer Jan
overdag naar zijn werk was verzorgde ze zijn appartement in Amsterdam-Noord
en ’s avonds verdroeg ze hem tussen haar benen. Een geluksgevoel
leverde het allemaal niet op en de eenzaamheid kwam weer terug vanaf
het moment dat hij haar begon te overlaadden met dure lingerie.
Toen hij niet lang daarna in de nacht een videocamera te voorschijn
haalde spoten de schaamte en de vernedering met de heftigheid van
een vulkaan door haar heen. Hoewel ze zich dienstbaar opstelde cirkelden
haar gedachten door haar hoofd op zoek naar een bevredigende uitweg.
Jan’s honger naar erotische opnames leek grenzeloos. Toen ze
ontdekte dat hij de bandjes op zijn werk liet zien sloeg de wanhoop
toe. In het naburige winkelcentrum zonk ze onder het gewicht van de
boodschappen neer op een bankje en bevrijdde haar tranen. Op dat moment
passeerde de buurman met een kratje bier. Hij ontfermde zich over
haar en al snel was de ridder in hem geboren toen ze vertelde dat
ze ongelukkig was en naar een nieuw adres zocht. Het leek hem echter
niet handig om haar onderdak in zijn woning aan te bieden maar ze
kon, als ze dat wilde, voor onbepaalde tijd op zijn caravan passen
die vlak buiten Amsterdam op een terrein langs de Amstel stond. Van
daaruit kon ze dan naar een noodzakelijk baantje als serveerster gaan
zoeken.
De volgende dag, toen Jan naar zijn werk was, pakte ze haar koffers
weer in en liet in gebrekkig Nederlands een kort briefje achter waarin
ze schreef dat ze zich ongelukkig voelde en dat ze hem voorgoed verliet.
In een taxi bracht de nieuwe Jan haar naar zijn caravan. Ze slikte
toen ze het smerige, uitgeleefde wrak zag, maar knikte vriendelijk
toen hij haar ingewikkelde gebruiksaanwijzingen voor een veilig verblijf
gaf. Ze moest met het een en ander voorzichtig zijn, maar ze hoefde
zich geen zorgen te maken want hij zou geregeld langs komen, beloofde
hij. Dat gebeurde vaker dan haar lief was.
Hij benutte iedere gelegenheid om haar te bezoeken. Hij bracht de
meest uiteenlopende spullen, stalde ze, haalde ze na enkele dagen
weer op en ruilde er nieuwe voor in de plaats. Daarbij bleef hij lang
hangen terwijl ze zijn stinkende adem in haar nek voelde hijgen.
Haar lippen zogen de laatste nicotine uit de sigaret en vervolgens
gooide ze het filter in de uitgedanste vlammen. Een toeterende auto
passeerde langzaam en kwam tot stilstand. De kunstenaar draaide het
raampje open en riep iets. Het was de eerste keer dat hij uit zichzelf
contact met haar zocht. Manja stak verrast haar hand op en liep aarzelend
naar hem toe. Zijn stem klonk geamuseerd en zijn ogen lachten. Ze
begreep dat hij een onschuldig, nietszeggend grapje maakte en lachte
naar hem terug. Hij vroeg haar in de nacht een oogje op zijn dieren
in het stenen woud onder het viaduct te houden en vanzelfsprekend
knikte ze. Op zijn vraag of ze het echt niet koud had, ontkende ze
opnieuw verlegen. Hij probeerde haar te doorgronden en leek iets te
willen opperen maar bedacht zich.
‘Dan zie ik je morgenvroeg,’ beëindigde hij het gesprek
en zette zijn auto in beweging richting snelweg.
Morgenvroeg zou hij haar weer zien – het had geklonken als een
afspraakje. In de caravan herhaalde ze zijn woorden waardoor plotseling
de kou verdween. Met een elastiekje bond ze het lange haar in een
staart, zocht naar schone sokken, trok de rubberen laarzen uit en
kroop met nieuwe gedachten op het bankje in een hoek.
Buiten begon het te regenen.
Een aanrijdende brommer zette haar zintuigen op scherp.
Ze ging rechtop zitten en glimlachte koud toen Jan 2 binnenstormde.
Het zou nooit in zijn hoofd opkomen om zijn komst aan te kondigen
door te kloppen. De caravan was zijn eigendom en alles wat zich daarbinnen
bevond behoorde vroeg of laat aan hem, zo leek het.
Hij stalde een kleine kist en een gevulde jerrycan op de grond en
zette zijn helm van zijn hoofd. Woorden vulden de ruimte en tegelijkertijd
rolde, toen hij de ritssluiting van zijn jack omlaag trok, zijn bierbuik
naar buiten.
Hij schoof bij aan het tafeltje, vroeg om koffie en maakte zijn plannen
kenbaar. Hij zou uit Amsterdam-Noord vertrekken en elders een woning
zoeken. Manja kon dan bij hem intrekken zonder dat haar ex een verband
zou leggen tussen zijn verhuizing en haar vertrek enkele weken geleden.
Ze knikte verbijsterd, hoopte dat ze het niet goed begrepen had en
stond op. Ze stapte over het kistje en de jerrycan. In het keukentje
bereidde ze zijn koffie en merkte plotseling dat hij achter haar stond.
Met een ruk draaide ze zich om. Zijn uitgestoken hand raakte haar
buik, gleed naar beneden en drukte tegen haar kruis terwijl hij haar
betekenisvol aankeek. Haar adem stokte, maar instinctief voelde ze
dat ze zich niet verzetten moest. Ze glimlachte, overhandigde hem
de mok en stapte haastig langs hem heen.
Hij dronk zijn koffie en etaleerde zijn toekomstplannen voor beide.
Manja knikte en lachte. Toen hij haar mening vroeg geeuwde ze dat
ze wilde gaan slapen, maar dat ze hoopte hem snel weer te zien. Hij
zei haar te begrijpen en verliet niet lang daarna opgetogen zijn caravan.
Het geluid van zijn brommer stierf weg.
Met onzekere handen stak ze een nieuwe sigaret op. Opnieuw bevond
ze zich in haar leven op een plaats waar ze niet wezen moest. Waar
ze wel thuishoorde wist ze niet, maar ze besefte dat ze vandaag, in
het stenen woud, zich even prettig gevoeld had. Het liefst zou ze
daar gewoon blijven totdat de kunstenaar in de ochtend zijn terrein
op zou rijden.
Met haar hand klopte ze tegen haar voorhoofd en smeekte haar hersens
om een bruikbare gedachte. Ze doofde de sigaret en daarbij viel haar
oog plotseling op de jerrycan. Ze schrok.
Een mogelijke oplossing lag in eenvoud voor haar voeten. Ze stond
op, draaide de dop los en rook benzine. Haar hart begon te bonzen
maar het duurde een poos voordat ze haar beslissing had genomen.
Aan het einde van de nacht had ze haar koffers gepakt, onder het viaduct
gesjouwd en verdere voorbereidingen getroffen. Hier in het woud zou
ze wachten. Toen het grauwe ochtendlicht langzaam terrein begon te
winnen liep ze terug naar de caravan.
Trillend ontstak ze een lucifer.