|
LA Elsenaar Winnaar Nieuwegeinse Literatuurprijs 2007 - categorie prozaDe laatste vraagIk had mijn cabana opgezet, mijn handdoek uitgespreid en wilde mijn boek openslaan, toen ik haar voor me zag staan: een jong meisje, haar lange zwarte haar in twee staartjes samengebonden, met donkere ogen die van een vroege wijsheid spraken. 'Eras mi padre', zei ze, met een gezicht dat meer blijdschap dan verbazing uitdrukte. Ik legde mijn boek neer en keek haar vriendelijk aan. 'Ik heb nooit een dochter gehad.' 'Nee nee,' ze schudde ongeduldig haar hoofd. 'Vroeger. Toen ik een jongen was.' 'Jij bent jongen geweest?' Ze knikte. Toen ik haar vriendelijk bleef aankijken, ging ze gerustgesteld verder: 'Ik had een meisje moeten zijn, maar ik was toch een jongen. Dat is toen snel veranderd. En nu ben ik een meisje.' Het klopte: hij was volgroeid, voldragen – en gestorven. Voordat ik kon antwoorden, kwam een jonge vrouw aanlopen die het meisje bij de arm nam. 'Kom mee, Erica. Ik hoop niet dat ze u lastiggevallen heeft, meneer.' Ik schudde vriendelijk van niet, en zwaaide terug naar Erica toen ze zich omdraaide en met een gulle lach haar hand opstak. Erica. Erik. De laatste twijfel was weg. Het boek bleef onaangeroerd op het badlaken; de zee bood voldoende ruimte voor herinnering - en warmte. De pijn was overgegaan in berusting, in aanvaarding, in het besef dat er ook goeds van gekomen is. Dat gaf de ruimte voor warmte. Er restte slechts een laatste vraag. Tot vandaag. Ik zag haar een paar keer langskomen met vriendinnetjes en boog inwendig vol respect mijn hoofd.
Die middag kwam ze terug. Ik had net mijn cabana gedraaid om mij een betere bescherming tegen de wind te bieden. Ze dook diep in de cabana, onzichtbaar voor haar ouders, en keek me bijna uitdagend aan. 'En toch was jij mijn vader.' 'Ik geloof je, Erica.' 'Ja, maar mama zegt altijd dat ik niet zo gek moet praten. Dat je altijd een meisje of een jongen blijft. Dat is niet waar, hè?' 'Jullie hebben allebei gelijk. Jij bent nu een meisje en dat zul je je hele leven blijven.' Ze knikte. 'Zeg eens, Erica, ben je zeven of acht jaar oud?' 'Acht.' 'Dan ben je net jarig geweest.' Ze knikte weer, een verbaasde blik in haar ogen. 'Vorige maand. Hoe weet je dat?' 'Ik was toch je vader, vroeger?' Ze zei: ‘Oh ja,’ maar de verbazing verdween niet van haar gezicht. Ik lachte en keek haar aan. Ze zat met haar knieën opgetrokken, haar armen om haar benen geslagen. 'Mag ik je bedanken dat je naar me toe gekomen bent?' Haar blik werd zo mogelijk nog verbaasder. ’Por qué?’ 'Ik zou jou nooit herkend hebben, en als ik je wel herkend had, zou ik het nooit gedurfd hebben om naar jou toe te stappen. Jij herkende mij, en je had de moed.' Ze knikte; ze begreep het. Voorzichtig keek ze langs de rand van de cabana. Haar ouders lagen beiden rustig te zonnen. 'Ik zie jou niet meer hè?' De vraag kwam plotseling en overviel mij. 'Eh nee, dat denk ik niet. Ik woon in een ander land en kom hier zelden.' Stilte. Ze bekeek, nee: bestudeerde me nieuwsgierig. 'Maar misschien hoef jij nu niet meer erover te praten dat je vroeger een jongen was.' 'Waarom niet?' 'Omdat je vandaag mijn laatste vraag beantwoord hebt.' Ik zag hoe haar moeder opstond en zoekend om zich heen keek. Ik trok haar aandacht en wees in de cabana; ze liep naar ons toe. 'Welke laatste vraag?' vroeg Erica. 'Of met jou ook alles goed gekomen is. Ola buenas dias mevrouw. Komt u alstublieft even zitten; uw dochter en ik zijn gezellig aan het praten.' Erica keek haar moeder aan, die aarzelend ging zitten. 'Hij is mijn padre viejo, mama!' 'Erica, niet zulke rare dingen zeggen. Meneer, het is een lief kind, maar vanaf het moment dat ze kan praten, roept ze al dat ze andere ouders heeft gehad -' 'En dat ze een jongen was' vulde ik aan. De moeder keek me aan, zuchtte en zei: 'Nu gaat ze het ook al tegen vreemden vertellen.' Ik zag hoe een paar meisjes zich bij Erica's vader meldden. Die keek zoekend rond en ging weer liggen. De meisjes keken ook om zich heen. 'Ik geloof dat je vriendinnen je zoeken, Erica.' Erica stak haar hoofd boven de cabana uit en sprong op. 'Ik ga weer spelen hoor!' Weg was ze. 'Mevrouw, uw dochter weet precies waar ze over spreekt. Ik zou het jammer vinden als zij daar niet met haar moeder over zou kunnen praten.' Het was er feller uitgekomen dan ik wilde. Ze keek mij lang aan, liet haar blik langzaam over mij en mijn spullen glijden, staarde een tijdje naar het boek dat naast mij op de handdoek lag en keek mij weer aan. Al die tijd wachtte ik rustig af, uit respect voor haar dochter. En met verbazing in haar stem zei ze tenslotte, zacht en langzaam: 'U meent het nog ook.' Ik knikte alleen maar. Er kwam onrust in haar ogen. 'U laat haar verder wel met rust, toch?' Ik kon alleen maar opgelucht lachen en stak mijn hand naar haar uit. 'Ik ben zelfs blij met uw bezorgdheid, mevrouw. U heeft mijn woord!' Toen ze me de hand drukte, zag ik dat ze me geloofde - en vertrouwde.
Ze zaten nog op het strand toen ik mijn spullen inpakte. Ik wikkelde het ongeopende boek in de handdoek; de dag was te mooi geweest om te lezen. Toen ik naar de weg achter het strand liep, zag ik haar spelen naast haar ouders. Ze keek op en zwaaide. 'Dag, padre viejo!' Ik knikte naar de ouders die beiden opkeken en riep naar haar: 'Dag Erica! Vaya con Dios!
|