Sabine Ernst Een tik van de literatuur De intercity is op weg naar Enschede. De mensen zitten te lezen, te slapen of naar de film van het voorbijtrekkend landschap te kijken. Achmed, de conducteur, controleert de kaartjes en schertst met de reizigers. Het lijkt een heel gewone treinrit op een heel gewone woensdag. Opeens gaat de trein heel hard remmen. Sommige reizigers vallen van de bank, tassen storten van de bagagerekken en een tas valt, de wetten van het noodlot volgend, op het hoofd van Achmed. Hij is voor heel even buiten kennis. De eigenares van de tas, een studente Nederlands, kijkt geschrokken naar hem. Maar Achmed komt gauw weer bij en de vraag, hoe hij zich voelt, beantwoordt hij met: “Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.” Inmiddels is ook bekend waarom de trein zo plotsklaps moest stoppen. De machinist heeft een paar vakantiedagen in Limburg doorgebracht en voor de allereerste keer, maar dan wel veel te uitbundig carnaval gevierd. En nu op Aswoensdag is hij achter de knoppen in slaap gevallen waarop de noodrem in werking is getreden. Hij schrikt wakker en laat de trein weer optrekken. Via de luidspreker verkondigt de stem van Achmed het volgende station: “Deventer koek, voor het onwelkom familiebezoek.” Ook de volgende haltes worden op een nogal ongewone manier aangekondigd. De trein nadert zijn eindbestemming: “Het is het eindpunt van de trein, bijna geen mens hoeft er te zijn, bijna geen hond gaat zo ver mee: Enschede.” Vrolijk glimlachend verlaten de mensen de trein. Nieuwe reizigers stappen in. De trein gaat naar Den Haag en iedereen kijkt verheugd en verbaasd op wanneer de stations worden aangekondigd. Misschien is de conducteur verliefd, denken zij. Of gek, of misschien gewoon nog onder de indruk van carnaval. “Den Haag, stad, boordevol Bordewijk en van Couperus overal een vleug” roept Achmed door de luidspreker. Den Haag is niet alleen de eindbestemming van de reizigers maar ook voor vandaag het einde van de dienst van de conducteur. Hij fietst naar huis, waar zijn vriendinnetje Jamina op hem wacht, en roept: “Ik ben thuis, schattebout! Zet de couscous alvast maar klaar...!” Een zoen, een liefdevolle omhelzing, dan gaat het stel aan tafel. Na de afwas heeft Achmed een verrassing voor haar. Hij geeft haar een bos rode rozen en zegt vol minnevuur: “O ja, ik hou van je, ik hou zo vrees’lijk van je, ik wou het helemaal zeggen – Maar ik kan het toch niet zeggen.” “Je bent echt helemaal knettergek. Ik hou van je, hoe gekker hoe liever.” Allebei voelen een en al rozengeur en maneschijn. Achmed declameert plechtig: “Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu, wat unbidan we nu.” Jamina omhelst haar hartedief liefdevol en antwoordt: “O ja, mijn lief, we gaan zo gauw mogelijk trouwen.” De volgende dag wanneer Achmed weer naar zijn werk gaat, zijn de collega’s verbaasd over zijn raar taalgebruik en bellen een ambulance. Hij wordt naar het ziekenhuis gebracht. De dokter vraagt hem wat voor maand we hebben. “Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open [...]. De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind. Ik draag het donzen masker van de eerste lentewind.” Achmed wordt opgenomen omdat de artsen denken dat zij met een echte zot te maken hebben. De beste neurologen van Nederland gaan hem heel nauwkeurig onderzoeken, er wordt een e.e.g. en een CT-scan gemaakt. Bij een kernspin-onderzoek blijkt dat de gebieden van de hersenen, waar het talig en literair vermogen gelokaliseerd zijn, buitengewoon actief zijn. Er wordt een commotio cerebri litararis geconstateerd, een soort literaire hersenschudding. Hij haalt het nieuws als de man met een raadselachtige hersenziekte. De oud-minister van integratie vindt echter dat zijn opmerkelijke taaluitingen in feite niets anders zijn dan een geheime code en dat hij onderdeel uitmaakt van een terroristisch netwerk. Een ME wordt op pad gestuurd om Achmed van zijn ziekenhuisbed te lichten. Maar de ME’ers worden tegengehouden door een heel leger van neerlandici. Deze tonen grote belangstelling voor Achmed. Iedere literaire uiting van hem wordt genoteerd en tot in detail onderzocht. Bij de oud-minister en tevens voormalig gevangenisdirecteur valt een pakketje met het boek ‘De Nederlandse literatuur in een notendop’ in de brievenbus, opgestuurd door mensen die haar achterstand willen verhelpen. Literaire Achmed, zo wordt hij inmiddels genoemd, treedt op in tv-shows, waar kandidaten moeten raden, van welke schrijvers de citaten afkomstig zijn. Op een speciale homepage wordt dagelijks een top 50 van door hem geciteerde schrijvers en citaten vermeld. Harry Mulisch houdt nauw in de gaten hoe vaak hij wordt geciteerd en voor hem kan de dag niet meer stuk wanneer hij in de top 10 staat. Maar ook voor veel andere schrijvers voelt het bijna net alsof zij een literaire prijs hebben gekregen wanneer zij door Achmed worden geciteerd. Inmiddels is de inhoud van de omineuze tas bekend die op Achmeds hoofd is gevallen. De tas zat vol met literatuurgeschiedenisboeken en talrijke werken uit de schatkamer van de Nederlandse literatuur. Achmed blijkt dus een tik van de literatuur te hebben. |