Anne-Margot van Eijck

TWINTIG

Vandaag, mijn teerbeminde echtgenote, is de dag dat ik me voorgoed verlos van jou.

Twintig jaren, twintig maanden, twintig weken en twintig dagen geleden spon je me in, in je benauwende cocon. En vanavond, twintig minuten en twintig seconden na het twintigste uur, zal ik opnieuw de vrijheid proeven. Een smaak overigens die ik sinds lang vergeten ben.

De laatste dag dat ik je geslurp moet horen. Uit het donkerblauwe kopje, gevuld met bijna zwarte thee. Dat veel te sterke bocht dat je ook mij dagelijks serveert – al kan ik me het aantal keren niet heugen dat ik je gevraagd heb het zakje eerder uit de theepot te halen.

De allerlaatste keer dat ik hoef te zien hoe je je boterham bestrijkt met pindakaas en daarna met hagelslag bestrooit. Hoe je die weerzinwekkende combinatie naar binnen schrokt, met je vage, afwezige blik gericht op het raam, in de hoop dat buiten wél iets belangwekkends gebeurt. De pindawalm die me de adem beneemt, samen met die ouwewijvenlucht, je onafscheidelijke bondgenoot sinds je de vijftig passeerde. Je knetterende nylon kousen die – tegen alle wetten van wat draaglijk is in – eindigen onder je knieën, mij een volle blik gunnend op het bobbelvlees erboven.

Maar niet meer. Nog minder dan één dag en mijn kwelling is voorbij. Het enige wat nog moet gebeuren is dat ik me van jou ontdoe.

Dat is wat ik dacht, vanochtend, toen ik mijn ogen opensloeg. Het is genoeg geweest. Vandaag is de dag. Zoete dag.

20:16. Wat heb je misdaan om mijn intense haat te verdienen? Strikt genomen niets. Als het niets is om dromen te stelen van een ander. Zilverwit eiland , blauwgroene golven, een vrouw bedekt me met haar lichaam, glanzend van vocht en zout. O lust, geilheid, zoete vrucht, oneindigheid, o jeugd. Als het niets is dat jij, veertien jaar ouder, me in een leven hebt gelokt dat me doet kotsen van saaiheid, een bestaan van bridge, geborduurde kussens en een pendule die te hard en te langzaam de seconden wegtikt. Gruwel van grauwheid, ik stik, ik kan niet langer, ik haat je om wat ik zie als ik me ’s ochtends scheer. Jij heks, je gezicht vol goedheid en onbenul, wat heb je met mijn dromen gedaan?

20:17. Zeven maanden geleden bedacht ik mijn plan. Omdat geen mens langer mag lijden dan dit. Twintig jaren, maanden, weken, dagen, uren, minuten en precies twintig seconden. Daarom zijn we hier, op dit uur, op deze plek in de Franse provincie waar we vaker een huis huurden. Het kwam niet in je op tegen mijn verlangen in te gaan om hier in oktober te zijn. En zonder één tegenwerping vergezelde je me in de vroege avondschemering naar waar we jaren geleden belandden op aanwijzing van een bordje cascade. Geen wilde waterval die ons wachtte, slechts een paar dunne slierten neervallend water. Maar het is diep en afgelegen en wij staan hoog, we staan dichtbij de rand.

Over iets minder dan drie minuten zal ik je omhelzen en jij zult je verrast tegen me aan vleien en zo je grip op de vaste grond opgeven. En om exact twintig seconden na twintig minuten over acht zal ik je van me afduwen en jij zult me niet-begrijpend aankijken terwijl ik steeds hoger boven je uittoren, steeds verder van je af, tot met een klap al je botten zullen breken op de rotsbodem. Misschien een kort gekreun nog, dan de stilte.

20:18. God wat heb ik verlangd naar dit moment! Je vraagt waarom ik steeds op mijn horloge kijk. Ik geef geen antwoord en het maakt niet uit, je babbelt wel door. Ik hoor het niet, ik hoef niet meer. Wie ben je anders dan een vrouw die ooit mijn leven deelde? Die struikelde en in een afgrond dook? Niets hoef ik meer met je, niets hoef ik meer van je. Nog twee minuten scheiden me van dat leven. Het leven dat ik verdien. Twee minuten.

20:19. Bijna donker is het nu. Het enige geluid zijn koeienbellen in een dal verderop. Ik voel je onrust, je staat op het punt je om te keren. Het spijt me, lieve, dat kan ik niet toestaan. Te dicht bij mijn verlossing ben ik. Ik pak je hand, maar te fel - ik voel je verstrakken. Je doet een kleine stap terug, weg van de diepte. Ik laat je niet los, mijn schoenen in de grond geperst, op de plek waar ik jou voor het laatst hoop te zien.

20:20. Het is tijd. We gaan afscheid nemen, jij en ik. Ik trek je naar me toe. Maar je reageert niet verrast, ontroerd zoals ik verwachtte. Je kijkt me alleen bedachtzaam aan, je ronde kinderogen strak in de mijne. Haat je me zo erg? vragen ze me. Mijn god, heb ik zeven maanden gewacht, in intense eenzaamheid mijn plan gesmeed – en je ként mijn voornemen? Je laat je gewoon door mij het ravijn insmijten? Is er geen grens aan je sullige goedheid? Die ogen – ze maken dat ik me een monster voel. Waarom doe je dit? Zodat ik mezelf haat tot ik straks ook in mijn graf lig? Is dat wat je wilt? Of moet ik morgen weer naast je wakker worden, terug in mijn gevangenis? Het is te laat, ik kan niet terug, ik kan het niet. Nog vijf seconden. Ik hoor mijn hartslag bezit nemen van mijn lichaam, steeds harder bonkt het, harder, harder. Die starende ogen – maar het kan nog, ik zie op mijn horloge dat het nog kan: nog drie seconden… nog twee… één…

ik ga nu, echtgenote

vrij ben ik

de wind streelt me

ik hoor een kreet, hoog boven me

nu zwijgt de wind

stil is het

mijn witte eiland, ik ben bij je

als het morgen weer licht is zal ik je zien