o

Willem de Wilde

Eenenvijftig elegante stappen

Groen en grijs hadden alle andere kleuren al gestolen toen hij de Grevelingendam afreed bij Bruinisse. Schouwen-Duiveland schoof voorbij. De lodderogen van een koe keken hem na, waarbij het dier in het midden liet of het ook een uier en poten bezat. Bomen zonder wortels verhieven hun bast uit de mist en begonnen onmiddellijk hun takken naar boven te verdelen. Een muur. Een raam. Op zijn netvlies bleven de pastelstreken van een vrouwengezicht achter.

Hij was moe. De schoonheid van het moment ging aan hem voorbij. Hij rilde. De kachel werkte weer eens niet goed. Vergeefs morrelde hij aan de knoppen. De trage ruitenwissers deelden de tijd op in foto’s met een lange sluitertijd. Niemand waagde zich op deze oktoberzondag op weg, op de grens van middag en avond. Al sinds Bruinisse bleven de koplampen van een tegenligger uit. Het begon al te schemeren. Hij miste bijna de afslag Goes.

Straks de Zeelandbrug nog, daarna linksaf naar Kats en na nog eens anderhalve kilometer de inrit naar zijn huis. Hij stelde zich de kleine wereld van zijn thuis voor, zag in gedachten zijn dochter van twee op hem af komen rennen: “Daar is de Pappa!”

De Zeelandbrug. Eenenvijftig elegante stappen over de Oosterschelde. Koorddansen over een diepe afgrond. Het water was zwart, zoals dat van Loch Ness. Als hij halverwege was en het gevoel kreeg dat hij niet meer terug kon en dat de weg voor hem nog te lang was, bekroop hem wel eens een woeste angst. Zomaar, even. Hij sluisde het meestal weg met triviale gedachten over voetbal, een heet bad, of het boek waarin hij bezig was.

Een witte veeg aan de rechterkant. Het restaurant. Hij was er al! Zijn blik gleed naar links. Snel wiste hij de condens van de ruit. De mist trok iets op en onthulde de witte dijen van de brug, die na twee pijlers in mist en schemer oploste. Zijn gedachten maakten foto’s. Prachtig!

De brug op. Nog altijd geen tegenligger. In het huisje van de brugwachter brandde geen licht. Zou er niemand zijn? Hij wist niet eens of er dag en nacht iemand waakte. Waarom eigenlijk? De brug hoefde ’s nachts toch niet open.

Voor hem doemde twintig, dertig meter asfalt op, die in de achteruitkijkspiegel weer dichtritste. Je had van die computerspelen. Daar dook de weg ook op uit het niets, met plotselinge obstakels en verraderlijke bochten. Maar die had je hier niet. Op het monotone getik van de banden op de las van de brugdelen en de syncope van de ruitenwissers loste de tijd op in de mist. Pas toen hij voor zijn gevoel ruim over de helft moest zijn, begon hij uit te kijken naar het bordje van Gemeente Noord-Beveland. Schouwen-Duiveland had veel meer Oosterschelde dan Noord-Beveland. Of gold het alleen het beheer over de brug? Hij piekerde erover voor welk van de twee gemeenten dat gunstig was.

Na een paar minuten begon hij zich af te vragen of hij het bordje gemist had. Hij zat nu toch wel vlakbij de afrit? En nog altijd geen tegenligger.

Na nog eens enkele minuten kroop een spoor van verbazing door zijn gedachten. Hij keek op de autoklok. Kwart over zes. Het was al een kwartier geleden dat hij langs het restaurant was gekomen! Zo lang had hij er nog nooit over gedaan. Zo langzaam reed hij toch niet? Hij probeerde zijn blik door de mist te boren, de afrit naar zich toe te halen.

Na nog eens vijf minuten minderde hij vaart. Zijn blik schoot van de weg voor hem naar de achteruitkijkspiegel en toen opzij. Dit kón toch niet? Hij schakelde de motor uit, liet de auto langzaam doorrollen tot hij vanzelf tot stilstand kwam. Snel draaide hij het raampje open en luisterde of hij het geluid van een andere automotor hoorde.

Niets. Het was doodstil. Er was zelfs geen zuchtje wind om hem gerust te stellen.

Voor alle zekerheid schakelde hij het alarmlicht in en stapte uit. Opnieuw bleef hij ingespannen staan luisteren, maar er was geen enkel geluid waaraan hij de werkelijkheid af kon meten. Zelfs het gekabbel van de Oosterschelde was niet te horen.

Hij leunde op het portier en staarde voor zich uit, mond half open.

Had hij per ongeluk het knopje van de autoklok aangeraakt? Het was mistig en dan zette vadertje tijd je wel meer op het verkeerde been. Natuurlijk, hij had zich gewoon laten foppen door de eentonigheid van de rit. Hij schoof weer achter het stuur, liet de deur met een echoloze klap dichtvallen en bracht de auto weer in beweging, bijna gerustgesteld.

Ditmaal hield hij na zes minuten in. Hij duwde de deur open en rende naar de brugleuning. Gespannen tuurde hij naar beneden. Waren de pijlers echt zo lang? Het wit van het beton vermengde zich in de diepte met de witte neveldeken, zonder het water te raken. Wás er wel water? Wat een onzin. Natuurlijk was de Oosterschelde er. Hij liep in de richting waar de afrit moest zijn. Hij had zijn regenjas niet aan Kou en vocht drongen door zijn trui heen. Na hooguit twintig stappen bleef hij abrupt staan. Hij had de oplossing! Hij zou gewoon omkeren en terugrijden naar de andere kant, naar het restaurant. Hij zou een kop koffie drinken en zijn vrouw bellen dat hij iets verlaat was. Misschien zou de mist later op de avond optrekken. Hij draaide zich om. De mist moest dichter zijn geworden, want de auto was niet meer te zien.

Na dertig stappen nog geen auto. Was hij zo ver doorgelopen? Begon hij gek te worden? Met flinke stappen liep hij verder, maar de auto was en bleef weg.

Het asfalt verkleurde, nam de tint van de mist aan. De mist die hem omsloot en met een kalme, besliste beweging al zijn gedachten uit zijn hoofd viste.

 

 



Redactie

Dick van Zijderveld (hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum

Redactiemedewerkers

Thierry Deleu
Thierry Langeweg

Jos van Liempdt
Pepijn Uljé

 

Redactie

redactie@opspraak.net
www.opspraak.net

insturen kopij: klik hier

ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein