o

Jac Vroemen

Handwarmte

hier ben ik geweest
zal zo ook het einde zijn
een bekende plaats

Op zoek naar de verborgen opdracht in mijn leven ging ik jaren geleden eens naar een soefi-kamp. Ik liep die hele zomer al met de ziel onder mijn arm. Ik hoopte wat contact te kunnen maken.

Het was in de Zwitserse bergen van het Engadin. In een grote witte tent midden in een klein dal vonden bijeenkomsten plaats. Andere grote tenten waren er voor de gezamenlijke maaltijd als het regende, of voor activiteiten zoals yoga. De deelnemers kampeerden op de bergrichel die op klimhoogte – zo leek het althans – rond het dal liep. Wat verder over die richel wegwandelend, kwam je bij een veel dieper dal, waar wolken uit opstegen als uit een reuzenkookpot. ‘Ons dal’ – dat wordt het al gauw als je ver van huis bent – was ondiep genoeg om in en uit te klimmen, van je tentje naar de echte kookpotten. Dagelijks ging ik, deels op handen en voeten, een paar keer naar beneden en weer naar boven. Toch bleek dat al gauw zo inspannend, dat ik mijn klimpartijtjes moest terugbrengen tot de meest noodzakelijke, zoals voor maaltijden, groepsmeditaties, samenzang, yogaoefeningen, verhalen en rituelen; alles onder leiding van een soefi-leraar.
Er werd gezamenlijk gekookt en – bij goed weer – gegeten aan lange tafels op schragen. Een ‘Bertolli-sfeertje’ was het niet, want er werd ook veel gezamenlijk gezwegen. Bijna woordeloos deed je dan alles samen; het had iets van een openluchtklooster.
Hoewel midden in de schitterende natuur, was het niet altijd even behaaglijk, omdat het daar eind augustus al behoorlijk koud kan zijn. Een koude zon stond in een, soms strakblauwe, soms ijzigwitte lucht. Korte hevige regenbuien vielen bij verrassing.
Door deel te nemen aan het werk dat gedaan moest worden probeerde ik nader kennis te maken. Toen ik een keer met de voor mij veel te zware soepketel van een spekglad geregend hellinkje gleed – ik had nog net de tegenwoordigheid van geest de ketel vol gloeiendhete soep voor me uit te gooien – werd alles zwijgend opgeruimd.
Naast goed georganiseerde gezamenlijkheid, in de buitenlucht of in grote tenten, was het er vrij kamperen, elk voor zich. Er waren hele gezinnen, maar ook eenlingen zoals ik. Mijn eenpersoons sheltertje had ik ergens op de richel gezet; ik was wat later gearriveerd en het was moeilijk geweest een vlak stukje te vinden tussen de struiken en stenen. Andere kampeerders, links of rechts van mijn plekje, kon ik niet zien, zo dicht was aan onze kant de begroeiïng op de richel. Wel keek ik, als ik wat verder door liep, over het dal heen naar de overkant[]tegen de bergwand aan, waar ’s ochtends de zon bovenuit kwam, die dan wat extra scheerlijnen van licht rond mijn tentje schoot. Misschien heeft de zon er op die manier voor gezorgd, dat mijn slaaprupsje is blijven staan. Ik begreep pas toen ik weer opbrak, dat ik weg had kunnen spoelen, omdat het er eind augustus al flink kan spoken. Er was niemand die je daarop alsnog attent maakte, behalve het weer zelf, dat ik onderschat had. Ik was te dun gekleed. Het kan ook zijn dat ik me vooraf beter had moeten informeren. De zoektocht naar de verborgen opdracht in mijn leven is lang niet altijd planmatig verlopen. Ik lees bij voorkeur geen brochures. Kenmerk van die zoektocht is immers dat de opdracht, zo die er al is, vooralsnog verborgen blijft. Vaak doe ik maar wat.
Dan kom je wel eens op verrassende plekken, met, het moet gezegd, schitterend uitzicht. Ik stond of zat, buiten de georganiseerde activiteiten, meestal in m’n eentje te genieten. Overdag droegen de bergen hun wattige wolkenpakketten, ’s avonds werden de zwijgende wanden diepzwart. Als vleermuis zonder radar had ik me tegen het nachtelijk duister te pletter kunnen vliegen.
Urenlang zo voor je uit zitten kijken werkt in de hand dat andere zonderlingen je gaan opvallen. Twee mannen aan de overkant trokken vooral mijn aandacht; ook zittend, soms staand maar roerloos, als uitgeknipt uit de papierdunne lucht. Ze droegen allebei een soort cowboyhoed, wat hun silhouetten nog meer markeerde. Ik begon me af te vragen wie ze waren, wat ze in het gewone leven deden, of ze die hoed daar ook droegen, en wat hen hier bracht. Waren het soefi’s, of kennismakers zoals ik? Tot enige vorm van begroeting kwam het niet. We keken wel eens een tijdje naar elkaar, onbewogen, zoals ik me van mijn indianenboeken herinnerde, dat je dat zo deed in de wildernis. We zaten geen enkele keer naast elkaar aan tafel, buiten of – bij slecht weer – in de eettent. Het toeval kwam niet te hulp.
Of, misschien heb ik wel eens naast een van hen gezeten; maar spraken we niet. Zwijgend moeten we elkaar dan de aardappels hebben aangereikt. Maar omdat ik, ook tijdens samenkomsten, er niet in slaagde mijn eigen zwijgen te verbreken, lijkt het me niet waarschijnlijk. Lange stiltes doen me steeds dieper wegzakken. Ik wist dat al van eenzame fietstochten. Uren doortrappen, ergens op een terrasje belanden, en dan nog maar met moeite de woorden kunnen vinden voor een bestelling. Zeker, tijdens de bijeenkomsten met rijdansen en gezang omhelsden we elkaar. Dat hoorde bij de cultuur van degenen die er al langer kwamen, begreep ik. Het was een ritueel. Het voelde niet verkeerd, wel sober. Maar mijn verblijf bij de soefi’s begon met de dag meer eenzaamheid dan innigheid te bieden.

Dag van vertrek. De meeste mensen zijn al vroeg verdwenen. Het waren overwegend Duitsers, die natuurlijk weer naar hun werk moesten in de grote steden. Een enkeling heeft de kampeerbroek al vervangen door een stadse broek voor onderweg. Ik besef dat ik zelf geen nette kleding bij me heb voor straks in de trein. Het kamp wordt afgebroken door ervaren vrijwilligers, verrassend snel, als bij kermis. De overgebleven gasten zijn al de berg af gelopen, langs een pad dat naar beneden gaat, tot aan een chalet, dichter bij de weg, waar je ook iets kunt eten. Ik besluit dat straks ook te doen, voor het vakantiegevoel.
Als ik er aankom ben ik de enige gast die bestelt. Dat gaat even duren. Besluiteloos loop ik met mijn tas weer naar buiten.
En kijk, daar zijn ook nog de twee mannen. Ik zie ze nog steeds in de verte, maar dit keer de verte van het grote, vlakke terrein bij het chalet. In het hoogseizoen zullen hier wel autobussen rangeren, nu ligt het er verlaten bij. Ze doden kennelijk hun wachttijd met zweefbordgooien. Zwijgend werpen ze het zoevende plastic schoteltje naar elkaar toe, over een grote afstand. Een afstand schijnbaar net zo groot als die van waaruit we elkaar konden zien tijdens het kamp. Natuurlijk had het daar niet gekund, bij een misgreep had iemand dan naar beneden moeten klauteren.
Het lijkt of ze elkaar niet zien, alleen het gele ding in het oog houden. Er wordt ook niet geroepen, zoals toch gebruikelijk bij dat soort bezigheden. Geen kreten als op een tennisbaan. Deze mannen spelen muisstil. Ik sta erbij en kijk ernaar.
Dan, zonder enig teken vooraf, zweeft die frisbee – ik herinner mij opeens de juiste naam – mijn kant op. Ik aarzel: is het bedoeld? Zoals met jongens onder elkaar, zet ik snel mijn reistas neer en vang in nog net verantwoorde snoeksprong de frisbee op, en speel hem terug, laag over de grond, het ding op een been nakijkend. Dan zij weer. Dan ik weer. Dan...
Ik wil nog wel zeggen dat het zo genoeg is, maar dat gaat niet. Ik ben stilzwijgend opgenomen in hun spel.
Zo spelen wij een twintig minuten met elkaar. Er stopt een auto. Een van de twee stapt in en zwaait een keer vanuit zijn gebukte toestand bij het aanschuiven naast de chauffeur.
Zwaaide hij ook naar mij? Dat weet ik nog steeds niet zeker. Wel, dat de ander toen zonder om te kijken is weggeslenterd.
In de trein terug naar Nederland ging ik in de restauratiewagen zitten, met een flesje wijn - alcohol was in het kamp taboe. En bedacht dat de frisbee, als ik hem opving, net uit hun hand was vertrokken. Dat we elkaar dus toch hebben aangeraakt. Dat kon ik voelen, het bordje was bij het vangen nog warm.

 



Redactie

Dick van Zijderveld (hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Jack Koehorst
(internet)
Madelon Kooijmans
Jakob Rosenbaum

 

Redactiemedewerkers

Thierry Deleu
Thierry Langeweg

Jos van Liempdt
Pepijn Uljé

 

Redactie

redactie@opspraak.net
www.opspraak.net

insturen kopij: klik hier

ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein