Jac Vroemen
De woordenboom
‘Kijk opa, allemaal blaadjes!’
‘Dat is herfst,’ zeg ik. Opa haalt kleinkind af, en leert haar nieuwe
woorden.
Als we thuis zijn belt oma, mijn ex.
Eva houdt haar knuffeltje tegen de telefoon, beertje moet ook iets zeggen. Ik
zie dat dit nog geen spel is, Beer kan oma horen, en bromt ook wat terug.
Al haar knuffels hebben namen. En stemmetjes. Als ik er een verkeerd doe, word
ik door mijn kleine woordenschat verbeterd. ‘Zo klinkt Varkentje niet, dat
weet opa toch?’ Ze noemt dingen in de kamer op. Dan begrijpt ze – voor
het eerst, zie ik – dat oma die niet ziet! Opgewonden tovert ze met taal:
afstand overbruggen met woorden, die, zo klinkt het bij kleine Eva, net van de
boom komen. Ze plukt ze als rijpe kersen!
Hoe karig zijn dan de woorden bij Rob, mijn oude vriend die ik vandaag bezocht,
mijn jas ruikt nog naar ziekenhuis. Ik zeg ‘ziekenhuis’ maar het
is een revalidatiecentrum. Ze doen er niet veel meer aan hem, begrijp ik. De laatste
ataque was bijna fataal. Als ik zie hoe de fysio hem helpt zijn ene been uit bed
te tillen, weet ik dat dit met het tweede vandaag niet lukken gaat.
‘Hij kan niks meer’, vertrouwt een personeelslid me toe op de gang.
Lopen en praten bedoelt ze. Als Rob opeens denkt weer te kunnen lopen, vinden ze
hem met een buil op zijn hoofd naast de rolstoel. Of als hij wat wil zeggen, is
de verpleging alvast naar de volgende klus.
Hij denkt zelf dat ze meer geduld moeten hebben. Dat lopen komt weer, het móét,
en de woorden zijn er ook wel, maar het duurt alleen langer voor ze zich láten
plukken. Hij moet wachten tot ze zijn kant uit waaien, en er hangen er niet meer
zoveel als vroeger. Ze zijn moeilijker bereikbaar, het zijn de laatste kersen,
aan de moeilijk bereikbare uiteinden van de boom. Aan zijn expressie is te zien
dat hij je begrepen heeft, en ook iets wil zeggen. Het antwoord komt. Het klinkt
bedachtzaam.
Priesters spraken zo bij het opdragen van de mis, herinner ik me. ‘Hoc-est-enim-mei’:
dit is mijn lichaam. Woorden van lang geleden. Bij Rob klinken ze nu ook zo. Zijn
lichaam wil niet meer. Onze normale breedsprakigheid heeft plaats moeten maken
voor dit bijna zwijgend spreken. Stil wacht hij op de woorden.
Inspanning bespeur ik daar niet bij. Het is zelfs prettig om zo bij elkaar te
zitten, zonder die beduchtheid voor de onvermijdelijk lange pauzes. Bijna niets
meer kunnen, en toch in gesprek zijn: een troost bij zijn onbeschrijfelijke pech.
Ik heb het zo weleens eerder gewild. Elkaar de tijd gunnen. Het muntje laten vallen.
De ruimte nemen voor een afweging. Maar bij ons gewone leven hoorde nu eenmaal
een hoog tempo. Ik herinner mij nog de opmerking van een collega uit die tijd,
na een docentenvergadering: ‘Iedereen praatte vandaag weer te veel en te
vlug. Je hebt je laten meetrekken. Je zou het van jezelf verdacht moeten vinden
als het zo gemakkelijk gaat. Al die woorden die maar voor je uit vliegen.’
Indianen houden op met praten als je ze onderbreekt, en zijn daarin wel zo consequent,
dat wij denken dat het een raskenmerk is. Rob lijkt nu op zo’n spreekwoordelijke,
zwijgende indiaan, zoals hij daar in zijn rolstoel zit.
En kleine Eva? Die praat veel, maar sappig en duidelijk,
met vers geplukte woorden. Ze leert er mee omgaan. Ze heeft ook pas het fluisteren
ontdekt, als iets waar je heel intiem door wordt met elkaar. Oma is ziek, weet
ze, en gaat binnenkort naar de hemel. Ze vraagt of ze oma daar nog kan bellen.
‘Bellen niet, maar praten wel’, zeg ik.
‘Dan zal ik zachtjes praten’, fluistert ze, ‘dat oma het goed
kan verstaan’.
mijn boomlange vriend
nu hij in een rolstoel zit
kijk ik op hem neer
Redactie
Dick van Zijderveld
(hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum
Redactiemedewerkers
Thierry Deleu
Redactie
redactie@opspraak.net
www.opspraak.net
insturen kopij: klik hier
ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein