o

Eervolle vermelding
Nieuwegeinse Literatuurprijs 2009

Marleen Schmitz

M aa n

Er viel post op de deurmat. Voordat ik mijn kopje had neergezet,
stoof Stella de gang in. Ze zwaaide met een kleurige
ansichtkaart toen ze terugkwam.
’Mam! Een kaart bij de post! Wat staat erop?’
Ik droogde mijn klamme handen aan mijn spijkerbroek en
wierp een blik op de voorkant. Ik herkende de Eiffeltoren.
Razendsnel ging ik mijn kennissenkring langs. Wie was er in
Parijs? Ik had er iets over gehoord op de laatste familieverjaardag.
Was het mijn zus? Ik draaide de kaart om en zei tegen
Stella: ’Veel groeten uit Parijs, van Marijke.’
Stella knikte tevreden. ’Van tante Marijke.’

Op weg naar het station hield ik Stella stevig bij de hand. De
grote trap naar beneden, de roltrap omhoog en dan staat de
trein rechts te wachten, rechts, repeteerde ik.
Het enige wat ik moest doen, was zorgen dat we de goede
trein namen. Peter had voor kaartjes gezorgd. Peter had uitgelegd
welke trein we moesten hebben en hij zou ons ginds
opwachten. Er kon niets fout gaan; over twintig minuten liepen
we met zijn drieën gezellig in de dierentuin.
Het was druk op het station. Naast kantoormensen met aktetassen
en laptops waren er rugzaktoeristen en dagjesmensen,
zoals Stella en ik. Op de roltrap raakten we verzeild in een
groep lawaaierige jongens in trainingspakken. Ze droegen allemaal
dezelfde logge sporttassen. Een knul met een stoere
stoppelkin vertelde een smeuïg verhaal. Een jongen met een
sproetengezicht begon te blozen. Ondertussen werd er iets
omgeroepen. Ik spitste mijn oren. Hier volgt een mededeling voor
treinreizigers naar... maar de rest kon ik niet verstaan want de
groep om me heen barstte in lachen uit. Verdorie, had ik door
die flauwekul de mededeling gemist!
Op het perron trok ik Stella met me mee. Het rechterspoor
was leeg! Links stond er wél een trein. Was dát dan de mijne?
Mijn maag roerde zich. Ik keek om me heen, wachtte en luisterde,
maar de mededeling werd niet herhaald.
’Moeten we daarin?’ vroeg Stella.
’Weet ik niet, kindje.’ Daar was een conducteur! Ik pakte Stella
stevig beet en ging op hem af. ’Mam, au, je knijpt!’
’Sorry liefje, maar ik moet die meneer hebben.’ Ik sleurde
Stella mee. ’Hállo, hallo, meneer, mag ik iets vragen? Is dit de
trein naar Amsterdam?’
’Nee mevrouw, die komt over twee minuten aan die kant. Het
staat allemaal op dat bord, dáár.’
Ik voelde dat het bloed naar mijn wangen schoot terwijl ik de
man bedankte.
Ik was bezig met aardappels schillen toen de deurbel ging.
Stella holde de gang in. ’Hoi, ben jij ’t,’ hoorde ik haar zeggen.
Daarna riep ze: ’Mám, ’t is Menno!’
In de deuropening stond Menno, de elfjarige zoon van onze
overburen. Hij had een boekje in zijn handen en klemde een
oranje pen tussen zijn tanden.
’We hebben een loterij van de voetbalclub,’ zei hij. ’Wilt u
loten kopen? Ze kosten twee euro.’
’Geef er maar twee.’ Ik liep naar binnen en pakte vier euro
uit mijn beurs.
Stella vroeg aan Menno wat ze kon winnen. ’Want ik wil
graag een paard.’
Menno lachte. ’We hebben geen paarden. Wel andere prijzen.
En geld.’
Stella antwoordde enthousiast: ’Ook goed. Dan koop ik het
paard wel zelf.’
Menno grinnikte nog toen ik terug kwam. Hij reikte mij het
boekje en zijn pen. ’Wilt u hier even uw naam en adres invullen?’
Invullen... ik trilde op mijn benen en zocht met mijn hand
steun tegen de muur.
’Eh, doe jij ’t even.’
Verwonderd keek Menno me aan.
’Ik heb mijn bril niet bij me.’ Mijn antwoord kwam veel te
snel; ik zag het aan de flits in Menno’s ogen.
Stella stond naast me en begon aan mijn rok te trekken. ’Maar
mama-!’
Ik moest Stella wel negeren. ’Menno, je weet toch dat we Jansen
heten?’ Ik probeerde het als een grap te laten klinken. ’En
de straat is dezelfde als die van jullie. Doe maar gauw.’
’Goed,’ mompelde hij en schreef mijn naam en adres op. Hij
scheurde de loten uit het boekje en wenste ons veel geluk
ermee.
Even later zakte ik moe op een keukenstoel.

Het miezerde toen we naar de supermarkt gingen. We moesten
hagelslag hebben. Donkerbruin. Puur. Bij ons in de supermarkt
weet ik alles blindelings te vinden, de meeste verpakkingen
kan ik zó uittekenen en gelukkig heb ik een goed
geheugen. Ik tel de boodschappen die ik nodig heb; nooit
meer dan tien tegelijk. Soms doet Peter boodschappen.
Die keer had ik niet veel nodig. Sla, melk, margarine en hagelslag.
In het pad met zoet-voor-op-de-boterham kreeg ik het
benauwd: de plek waar mijn donkerbruine hagelslag stond,
was leeg! Er stond een hele rij hagelslagpakken maar de onze
was er niet bij. Stella zag het ook. ’Onze hagel is op,’ riep ze.
’Dan komen we morgen terug,’ zei ik snel.
Bevreemd keek Stella me aan. Toen moest ik wel. Wat was
puur? Ik had geen idee. Met het zweet op mijn voorhoofd
bestudeerde ik de pakken. De hoeveelheid letters die erop
stond, bracht me in de war. Ik nam een rood pak in mijn
handen. Als ik geluk had, was het puur. Maar voor hetzelfde
geld kon het melk zijn. Zuchtend draaide ik het pak rond in
mijn handen. Stella hield me scherp in het oog. Met trillende
vingers legde ik de onbekende hagelslag in mijn mand.
Thuis maakte ik een boterham met hagelslag voor Stella. Het
was puur. Ik had geluk gehad. Puur geluk.
Op het einde van haar eerste schooldag holde Stella enthousiast
naar me toe, in haar hand een wit papier. ’Mama, ik kan
maan: m aa n!’
Het eerste woord is maan, m aa n, goed onthouden Rika, zei
ik tegen mezelf terwijl ik Stella achter op mijn fiets tilde.
Dit werd mijn tweede kans.
Tegen Stella zei ik: ’Goed zo Stella. Ik wil straks heel graag
zien hoe je dat schrijft. En morgen het tweede woordje en het
volgende woordje en alle woordjes die daarna komen, hoor
je.’

 



Redactie

Dick van Zijderveld (hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Jack Koehorst
(internet)
Madelon Kooijmans
Jakob Rosenbaum

 

Redactiemedewerkers

Thierry Deleu
Thierry Langeweg

Jos van Liempdt
Pepijn Uljé

 

Redactie

redactie@opspraak.net
www.opspraak.net

insturen kopij: klik hier

ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein