Jan Ruward
De eerste keer dat ik Thomas ontmoette was in het eetcafé De Zaak in
de Domstad waar ik op zondagavond met Stella uit eten ging. Hij was één
van de studenten die werkten in de bediening. In het pas geopende eetcafé heerste
een ongedwongen sfeer met veel kaarslicht, we zaten aan lange bruine tafels. Toen
heette het een bistro-collectief net zoals je collectieven had van advocaten en
kunstenaars en feministen. Het idealistische Wijgevoel vierde hoogtij in die dagen.
Ik was wel van een andere orde, die van Nietzsche met de neiging van Bakoenin
om de zaak op te blazen hier en nu.
Of er een professionele bedrijfsvoering in het eetcafé was, heb ik nooit
geweten, in elk geval liep de bediening op rolletjes. Daarvoor zorgde ook Thomas,
zo zorgvuldig en vriendelijk als hij was.
Een goed gesprek met Stella had ik nauwelijks meer, soms dacht ik dat het beter
was als ze me inruilde voor een dildo of voor een lesbo. Ze sprak als de ondertiteling
van een B-film.
Misschien was ik daarom ook wel blij toen Thomas laat op de avond bij ons aan
tafel aanschoof. We raakten in gesprek over het hoe en waarom van De Zaak, over
idealisme en collectivisme, de idee van de absolute vrijheid. Anarchia si si,
grapte ik over de bom in mijn nog jeugdige brein. De kameraden waren ver te zoeken
in de Spaanse Burgeroorlog waar George Orwell en de zijnen gesaboteerd werden
door Stalin en diens trawanten. Van politieke vrienden moet je het niet hebben,
liefde op het eerste gezicht met alleen de mooie vrouwen, neuken op het eerste
gezicht, zij willen alleen maar mijn lijf.
Thomas moest er niets van hebben, nee, hij wilde niks met politiek.
‘Ik studeer Engelse taal en letterkunde,’ zei hij terloops. Bij
die opmerking sprong bij mij de vonk over van de vrolijke wetenschap. De literatuur.
Ik oreerde over letterkunde maar hij wilde per se spreken van letterkunst.
‘Het verschil is belangrijk. James Joyce combineerde schrijf- en spreektaal
in zijn gedachtenwereld en schiep zo zijn eigen universum.’
Thomas stotterde. Ik heb hem nooit gevraagd waarom. Hij had een smal bleek gezicht
dat me deed denken aan dat van filmster James Dean voor hij zich te pletter
reed. Thomas was innemend, brutaal en jongensachtig. Ik vertelde hem over mijn
rechtenstudie, mijn vertaalwerk van Franse poëzie, Le bateau ivre van
Rimbaud:
Ik heb een archipel van sterren gezien! en eilanden
met ijlende luchten geopend voor de reiziger
is het dat je slaapt in deze bodemloze nachten, in ballingschap
een miljoen vogels van goud, de toekomstige levenskracht?
Ben ik dronken? Hoor ik je goed? Vaar ik op zijn dronken boot die zinkt? Ik
wist niet hoe het verder moest hier te leven, bij het graf van de grote architect,
de wortels van de duizendjarige olijfboom, haar warme borsten, de man die de grafzerk
schoonmaakt onder het zachte ruisen van de wind, in vreemde aarde slapen.
Ik vroeg Thomas of hij een bijdrage wilde leveren aan ons tijdschrift Intermezzo.
Daarover moest hij nadenken. Stella probeerde een glimlach die niet lukte.
‘Laten we naar huis gaan,’ zei ze bijna dwingend. Die nacht zouden
we opnieuw proberen een kind te maken, want dat wilde ze zo graag.
Amper een week later trof ik Thomas bij het bezoek aan mijn nachtcafé.
Zijn gestalte viel meteen op, lang met smalle schouders en heel erg rechtop. Hij
zat naast mijn oude vriend Simon achterin bij de bar en gebaarde naar mij.
‘Hoe gaat het?’
‘Goed.’ Ik loog, in feite voelde ik me rampzalig en wanhopig.
‘Kijk niet zo mismoedig. Hier lopen geile vrouwen rond die hun haar zwart
hebben geverfd maar daarom zijn ze nog geen weduwe. Je lijkt zelf wel een echte
weduwnaar. Wat is er met je aan de hand?’
‘Gisteren heb ik een vruchtbaarheidsonderzoek laten doen.Stella wil per
se kinderen en het ziekenhuis geeft geen uitsluitsel, dus ben ik met vers sperma
onder mijn jas in deze kou naar mijn vroegere studievriend Robbert gefietst. Hij
heeft nu een huisartsenpraktijk en zegt dat alles met mij in orde is. “Kijk
zelf maar, Jan, in de microscoop, ze zijn met velen zonder afwijking en ze hebben
allemaal heftige zwiepstaartjes.”’ – Ik ben al die onderzoeken
spuugzat. Het hele gedoe trouwens,’ zei ik.
Thomas zweeg, ik somberde in mijn bierglas. Simon gaf me een schouderklop.
‘Als ik je zo hoor praten, zit je op een dood spoor, trek het het je niet
aan.’
Simon was veel ouder dan ik. Hij was in mijn vriendenkring de enige echte anarchist,
althans dat vond ik. Heimelijk beneed ik hem om zijn talrijke escapades met prachtige
vrouwen die voor mij onbereikbaar leken. De verbeelding aan de macht was onze
leuze, het leidde tot eindeloze schaakpartijen tot diep in de nacht. Simon was
altijd op zijn hoede, maar wij deelden een gemeenschappelijk ideaal, een werkelijk
vrije maatschappij.
Op een keer had hij me gevraagd of ik zijn Syrische vriend Hassan in huis wilde
nemen, onderduiken of zoiets. Hassan werd gezocht door de veiligheidsdienst
vanwege vermeende connecties met de CIA. Collaboratie of verzet, ik wist niets
van dat soort zaken, ja, de Tweede Wereldoorlog kende ik uit de boeken en van de
televisie. Uiteindelijk had ik toegezegd voor één nacht. Mijn jawoord
aan Simon schiep een heimelijke band. Het heeft ons een pond hasj opgeleverd.
‘Wat jij nodig hebt is een echte vrouw.’ Simon meende het oprecht.
Ik werd nog meer dronken bij die woorden toen Boris zich in het gesprek mengde.
Nieuwsgierig als hij was als aankomend journalist met de bijnaam Boze Boris vanwege
zijn lange rode haar en zijn lidmaatschap van de Communistische Partij van Nederland,
kameraad in de drank en alle andere genotsmiddelen. Natuurlijk waarschuwde hij
me voor het complot van de handlangers van het kapitalisme. 'Laat je niet meeslepen
in verdriet en ellende van de burgerlijkheid.'
Hij bedoelde het goed, in feite was hij op zijn manier een non-conformist zoals
Simon, misschien was Thomas net zo?
‘Het IJzeren Gordijn was niet de idee van Churchill maar van Stalin,’ durfde
ik te liegen tegen Boris. Wat beneed ik in stilte zijn rotsvaste geloof in de
Heilstaat. Komt allen tot mij.
Het nachtcafé werd stiller bij de muziek van Lou Reed's Walk
on the Wild Side.
‘Je moet niet harder lopen dan je kunt, het brengt de horizon niet dichterbij.’ Voor
ik het wist duwde Boris me een glas wodka in de hand. Hoeveel dronken mannetjes
zwommen nu al rond in mijn zaadballen? Wie haalt de eindzege nog?
Het café begon leeg te lopen. Inmiddels praatten Thomas en ik hardop
in het Frans en in het Engels. Over Franse literatuur, de eigentijdse roman
en over James Joyce. Maar waar bleef nu die mooie zwarte weduwe voor mij? De stoelen
stonden al meedogenloos op de tafels. Er was geen ontkomen meer aan.
‘Laten we bij mij nog wat drinken.’ Thomas nam een slok van zijn
jenever.
Ne me quitte pas, neuriede ik bij de uitgang van het café waar
we in de motregen zochten naar onze fietsen. Wankelend in dronkenschap liepen
we op straat toen plots een auto met hoge snelheid kwam aan rijden. De riante
Mercerdes Benz stopte met gierende remmen vlak achter ons. Twee grote negers
stapten uit. De bestuurder liep vastberaden naar me toe terwijl de andere iets
in in het Frans naar Thomas schreeuwde. Ik weet niet meer hoe of wat maar ik
kreeg een vuistslag voluit in mijn gezicht. Door de klap vloog mijn bril een
paar meter verder op de grond. Verbouwereerd zocht ik bukkend en bijna blind
naar mijn montuur op het glimmende asfalt. Het glas was niet gebroken, het montuur
kon ik zo bijbuigen. Heel kalm stapten de negers weer in de auto.
Ik ben niet het type dat de fysieke strijd aangaat, maar kwaad was ik wel, natuurlijk
moet dit tuig meteen dood. De Afrikanen verdwenen onverklaarbaar even snel met
de auto als ze gekomen waren. Thomas gooide vergeefs zijn fiets uit alle macht
naar de achterkant van de Mercedes Benz.
‘Dood aan die zwarte racisten!’ riep ik.
‘Maak je niet druk, Ruward, maak je niet druk om die vechtersbazen, ze
krijgen nog wel hun verdiende loon in Timboektoe. Het wordt tijd voor een pistool
of een Magnum, dan kunnen we meteen in de knie schieten als ze op ons afkomen.’
Ik kon weer lachen ondanks een bloedende lip, een pijnlijk oog en een kapotte
fiets. De dronkenschap had ons gered van kwetsuren van ernstiger aard.
In de druilerige regen zijn we naar zijn huis gelopen, ik met beslagen brillenglazen
het Franse chanson zingend en Thomas stug voor zich uitmompelend: er
is geen remedie dan de kunst.
Hij woonde in het studentenhuis op een zolderkamer waar overal verspreid boeken
lagen, op zijn bureau, op de tafel en zelfs onder zijn bed lagen boeken.
‘Wat wil je drinken? Jenever, een biertje of rode wijn?’
‘Doe maar rode wijn.’ Daarmee zou ik tot rust kunnen komen en het
zou mijn francofiele gevoelens voor de wijngaard bevestigen. Maar het etiket
op de fles gaf zich prijs: Drakensberg, wijn van oorsprong kusstreek
produk van suid afrika. 'n milddadige rooiwijn, ruim op de tong, subtiel van smaak
met 'n skoon boeket en 'n ligglimmende kleur. Die geskiedenis van die variëteit
gaan sover terug als Jan van Riebeeck. Ons beveel aan dat hierdie vol wyn jonk
geniet word.
Thomas schonk zichzelf de Schiedamse jenever in waarbij hij het kelkglas schuinlinks
bij de onderlip aanzette en dan in één keer het protestantse vocht
opdronk. Hij had een zenuwtik bij zijn rechterbovenlip. Zo morste hij niet en
bleef alles schoon. Ik vond dat een afdoende en heel bevredigende handeling.
Hij liep naar zijn platenspeler en draaide de akoestische muziek van de Modern
Lovers, jazeker, moderne minnaars, waren we dat zelf niet in deze nieuwe dronkenschap? Pablo
Picasso, he was never called a asshole.
Aan de zolderbetimmering hing een levensgroot portretaffiche van Jonathan Richman,
de leadzanger van de Modern Lovers. Leek hij ook op James Dean?
De agressie van daarstraks op straat probeerden we te verklaren vanuit het ongrijpbare.
Het geweld als onstuitbare drang er lekker op los te meppen.
‘Weet je, Thomas, ik heb al een tijd het gevoel dat ik op de rand van
een vulkaan leef hier in de grachtenstad. Mijn leven staat op een kruispunt
van blijven of vertrekken.’
Hij bukte en haalde vanonder zijn bed triomfantelijk het boek van Malcolm Lowry
tevoorschijn.
‘Lees dit maar: Onder de Vulkaan.’
‘En hier, hier heb ik een pocket, zijn biografie met een foto erin waarop
hij poseert met een fles Bols Dry Gin.’
‘Jenever met een G.’ Ik was oplettend genoeg gebleven.
Hij stotterde niet meer, eenmaal op dreef kwamen de volzinnen als een waterval
uit zijn mond.
‘Je weet toch dat, toen de grote schrijver en onverbeterlijk romanticus
besefte dat zijn muze niet meer riep, hij de hand aan zichzelf sloeg. Whisky
en slaapmiddelen, in feite had hij zijn Mexicaanse vulkaan eigenhandig gedoofd
en sloeg met zijn hoofd op het toetsenbord van zijn schrijfmachine. Dqaddfvrb
gffeuhgfjdy tdhlkunlwrys.’
Thomas vertelde dat hij in het voorjaar naar Ierland zou gaan, eerst een rondreis
en daarna een bezoek aan Dublin.
‘Natuurlijk ook naar de Bibliotheek, de Trinity College Library, daar
is het langste ononderbroken vertrek ter wereld met boeken. Ik ga het zelf zien.
Dat moet mijn ideale zolderkamer zijn, een oceaan van boeken, van kust tot kust.’
De Drakensberg rooie wijn raakte op. We zaten in hetzelfde dronken schip en
voeren over de oceaan van onze boekenwijsheid. De demonen keken toe toen we afscheid
namen in de stilte van de nacht. Op de weg terug naar huis, naar Stella, hoorde
ik op de hoek van de verlaten straat een hond blaffen. Het was de hond van Lowry
die in het ravijn werd gegooid.
In december kreeg ik een lange brief van Thomas. Bijgesloten
was een kopie van een gravure in renaissancestijl. Boven een vrouwenfiguur,
als de Mona Lisa in een Toscaans landschap, zag je twee in de lucht zwevende
engelen die een enorme kroon vasthielden. Schuin achter deze vrouw, in wie ik
de heilige Maagd Maria meende te herkennen, was een oudere man met lange baard
getekend die van opzij naar haar keek. Misschien wel misprijzend, in elk geval
met een zekere argwaan. Het zou wel eens God de Vader kunnen zijn, veeleer dan
Jozef de timmerman, zo vermoedde ik.
De vrouw op de prent leek iets in haar handen te houden. Maar daar was een witte
plek waar Thomas schijnbaar in de prent had gegumd. In onbeholpen trekken had
hij zes keer de beide handen van de vrouw hertekend en daar doorheen telkens strepen
gekrast. Onderaan stond in zijn handschrift in hoofdletters: dammit!
Ik heb nooit de betekenis van deze afbeelding met zijn veranderingen kunnen
doorgronden maar de tekst van zijn brief was heel spontaan.
Zo kort vóór het nieuwe jaar schrijf
ik je nog even, het houdt de oefening erin en je weet nooit waar het goed voor
is. Voor later, als ik beroemd en jij bekend bent, met een eigen dierentuin
jij. Ik ratten van me afslaand op een gehuurd zolderkamertje. Deze donkere dagen
is het weer zuipen geblazen, nu met de gezellige tijd in aantocht moet ik weer
met mokken lauwe thee boven studieboeken hangen.
Deze brief lijkt me een aardige aanloop. Prachtig beeld toch, jij als beschermheilige
tegen drank voor zelfstudie, hoewel – Voor de komende winter heb ik voor
mijn nieuwe installatie ook bijna alle noodzakelijke elpees aangeschaft, 3 van
de Modern Lovers, Split enzovoort. De installatie is ook alweer kapot, hij viel
uit mijn klauwen, maar hij heeft daardoor wel een ontroerend mooie armafslag.
Heel traag huppelend, zo van hè hè alweer een plaat afgedraaid.
Je begrijpt, we zijn dikke vrienden geworden.
Vrienden en kennissen zijn nu ook definitief uit mijn gezellige jongenskamer
gewenst, alleen nog na telefonische afspraak en dan nog in een onduidelijk studentencafé.
Dat wordt brieven schrijven deze winter, denk ik. De reden dat ik aan jou schrijf
is dan ook niet dat je zo leuk bent, maar simpel uit eigenbelang. Je bent een
van de weinigen die een keer een waarheid over mezelf wist die ik zelf al niet
eerder bedacht had en dat kan gevaarlijk worden. Je zou het tegen me kunnen
gebruiken. Ik weet niet meer welke waarheid dat was, dat is niet zo belangrijk,
er zijn er vele maar ik weet nog wel waar en wanneer. Op jouw verjaardag verleden
jaar heel laat op de avond. Ik kleurde, dat weet ik nog, kan jij erachter komen
wat het nou was?
Of ga ik nu toch te scheef?
Hoe gaat het met jou, kun je daar wel je vrienden goed uitselecteren, bijvoorbeeld
of dat hun adres een mooie straatnaam bevat, of dat ze een prettig te onthouden
gironummer hebben?
Als je even niets te doen hebt, in de dierentuin is het nu toch rustig, schrijf
dan of telefoneer even wanneer je langskomt, mij komt het beste uit met of vlak
na Kerstmis, anders eind januari. Met Kerst is er toch niemand om ruzie mee te
maken, niemand wil dan ook. Nee, geef mij Pasen maar, dat geeft altijd veel meer
ellende, hoewel met Oud en Nieuw wordt het ook weer lachen geblazen.
Ik houd er nu maar weer mee op, het is al kwart over 1 en morgen is het weer
vroeg dag.
Thomas
Het werd een stroomversnelling vanaf het moment dat Eva
en ik samen in bad zaten met de kleren aan en een plastic lok-eend tussen ons
in. Het zinderend liefdesspel erna. In de zevende hemel met haar was spelen
op een wonderlijke rotonde van hartstocht en wellust.
Met Stella werd de breuk definitief toen ze mij met Eva op heterdaad betrapte.
Ik ging bij Eva wonen en begon weer te schilderen met olieverf op doek. Natuurlijk
een portret en ik had haar verteld over mijn nieuwe vriendschap met Thomas, dat
hij was vertrokken voor een rondreis door Ierland.
Het gebeurde laat in de ochtend terwijl Eva het ontbijt klaarmaakte en ik in
ons liefdesbed lag weg te dromen. Er viel post door de brievenbus, ik stond op
en liep naar de gang waar een ansichtkaart op de deurmat lag. Terwijl ik bukte
om de kaart op te rapen, werd er tegelijkertijd aangebeld bij de voordeur. Met
de kaart nog in mijn hand deed ik open. Het was Simon die me strak aankeek (het
was de harde blues).
‘Heb je het al gehoord?’
‘Of ik wat gehoord heb?’
‘Dat Thomas dood is.’
Ik keek naar de ansichtkaart uit Killarney met op de de achterkant zijn handschrift. Ierland
is erg mooi. We zijn nu in het gebied van Killarney met bossen en meren. Ici
aussi on manque La France.
Simon zei dat hij verongelukt was in Ierland, een frontale botsing bij zonsondergang
tegen een boom ergens op een provinciale weg in Killarney.
‘Ze waren op weg naar Dublin. Ik heb het gisteravond gehoord.’
Een oorverdovend lawaai raasde door mijn hoofd, zonder erbarmen werd een mes
in mijn rug gestoken. Welk toeval kon dit zijn? Welke betekenis kon ik hieraan
geven? Eva was nog meer ontredderd, want toen Simon weg was, vertelde ze over
haar vroegere abortus en huilde onafgebroken.
Niet lang daarna vertrokken we naar Frankrijk met mijn
groene Volkswagen, verbouwd tot campingcar, en samen met haar hond en mijn kat
reden we door het Franse land naar de Middellandse Zee. Er leek geen weg meer
terug. En zo was het ook.
Na enige omzwervingen vestigden we ons in een bergdorp vlakbij de Italiaanse
grens. Eerst was daar Julien: de wijnboer stond in een manshoge ton met blote
voeten de druiven te vermalen, zo raakte ik aan de rode wijn en later nog meer
aan de Franse literatuur.
Julien werd een vriend, een andere Thomas. Hij was weduwnaar met tanige huid
en met handen als van de druivenrank die hij verbouwde. In het dorp werd hij
de dichter genoemd, die naam had hij te danken aan de manier waarop hij praatte,
poëtisch. Hij hield van vrouwen als mooie planten die je tijdig moet besproeien.
Telkens wanneer ik hem wijn aanbood, dan weigerde hij eerst, legde zijn hand
op het glas, maar na aandringen opende hij de vingers en schonk ik hem het glas
vol waarbij hij nadrukkelijk zei 'een druppel, alleen maar een druppel’.
(Juste
une larme, een traan...)
Er was nog meer, Julien noemde zich anarchist en bohémien avant la lettre
of zoiets, daar was het raakvlak dat ik zo node had gemist sedert mijn vertrek
uit de Lage Landen. Hij kende de chansons van Jacques Brel vrijwel uit zijn
hoofd. Julien kon ik vertellen wat er gebeurd was in de Domstad, over Thomas, over
mijn studie, schilderen en vertaalwerk.
Op een avond leende hij me een boek over de grote Franse auteurs van de twintigste
eeuw, de poëzie van de fantasten. In zijn boek ging het ook over het existentialisme,
'men moet zich Sisyphus verbeelden als een gelukkig mens’. Op een zekere
pagina bij Mort d'Elizabeth vond ik een visitekaartje met daarop gedrukt Mr
et Mme Julien Dellerbe. Julien vertelde later dat Elizabeth de naam
van zijn overleden vrouw was.
‘Zij was mijn enige echte liefde, ze is vroeger nog minnares van Pablo
Picasso geweest.’
Mijn hart brak, toen hij vertelde dat hij op nadrukkelijk verzoek van Elizabeth
geen steen had laten plaatsen op haar graf. Julien ging iedere week verse bloemen
leggen en het dorp sprak er schande van dat hij nooit een zerk had laten plaatsen.
Iedere keer dat hij op bezoek kwam was ik bevreesd dat Eva zou zwichten voor zijn
charme.
De kaart uit Killarney was ik kwijtgeraakt, misschien was dat wel een extra
reden om aan het schilderij te beginnen, een surrealistische collage met elementen
uit het verleden.
Die avond zou het Lentefeest beginnen. Een koude harde
wind beukte onophoudelijk tegen de luiken. Het was de spookachtige mistral die
de harten van de mensen openrijt en sommigen tot waanzin of zelfmoord drijft.
Daarstraks was het buiten nog aangenaam geweest tijdens de wandeling met de
hond. Ik had de knoestige stam en uitgroeiende wortels van de duizendjarige
olijfboom langs het pad hoog naast de zee even aangeraakt. Gisteren had Eva
me gezegd dat ze zwanger was.
Tegen tien uur die avond kwamen de eerste gasten, langzaam ontstond een kleurrijk
gezelschap. Het huis en de tuin leken een perfecte rotonde in een Felliniaans
landschap.
De schaapherder, die dacht dat Nederland naast Zwitserland lag, de stuntman
uit Nice, die nog had gespeeld met Jean Paul Belmondo, de Italiaanse zeeman (van
hem had ik nog een portret gemaakt in marine-uniform), de Schotse restauranthouder,
die met zijn auto een betonnen paal onder het viaduct had geramd, de eenbenige
man uit het Vreemdelingenlegioen, die met zijn parachute onder een tank was terechtgekomen.
Ze waren allemaal gekomen. De croupier uit Monte Carlo in gezelschap van zijn
vrouw, zo mooi en ongenaakbaar als Silvano Mangano in Bittere Rijst,
de Engelsman in zijn kokstenue, die in Mexico twee policias had
doodgeschoten, de Iraanse huisarts in zijn tijdloze witte jas, hij was gevlucht
voor de ayatolla's van Khomeini, en nog vele anderen. Maar vooral mijn galeriehoudster
uit de stad, de mooie Isabelle in haar strakke zwarte jurk, zij had in haar Nouveau
Galerie een schilderij van mij verkocht voor een goede prijs. Deze avond
kon niet meer stuk, temeer toen ze voorstelde dat ze mijn nieuwe schilderij
met het thema Killarney wilde tentoonstellen zodra het
klaar was.
Opeens blafte de hond luid toen op de voordeur werd geklopt, het liep al tegen
middernacht. Ik excuseerde me en ging opendoen. Daar stonden in de snerpende wind
Simon en Boris. Achter hen ontwaarde ik de rijzige gestalte van Thomas. De farao
was uit zijn mummie gestapt. Hij leek niet ouder geworden, bij zijn hals had hij
een litteken van wat een diepe wond moest zijn geweest.
Ik zat achter het stuur en werd in een bocht door de zon verblind. De botsing tegen de boom was frontaal, we waren op slag dood. Een scherf van de voorruit heeft mijn hals opengesneden, het deed geen pijn, alles was een kwestie van seconden. Later ben ik even naar India en Perzië voor de eeuwigheid gereisd. Voor jou heb ik volop tijd. Hier is de ansichtkaart van Killarney, dan kun je je schilderij afmaken. We zijn allemaal wezens met een verborgen bedoeling. Jij moet het opschrijven. Gelukkig is de mens die geleden heeft, want hij heeft het leven gevonden.
Voor ik het wist waren Boris, Simon en Thomas in het holst van de nacht verdwenen naar het plaatselijke hotel. De komende dagen zou ik eindelijk het schilderij Intermezzo kunnen afmaken.
Redactie
Dick van Zijderveld
(hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Jack Koehorst
(internet)
Madelon Kooijmans
Jakob Rosenbaum
Redactiemedewerkers
Thierry Deleu
Redactie
redactie@opspraak.net
www.opspraak.net
insturen kopij: klik hier
ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein