o

Jan Ruward

Enigma

Welche Ehre Wind zu sein
Und Stein sein, Stein sein
Welch ein Glück
(Alain Bosquet)

Het begon met een boek en het leek te eindigen met een boek: 'The Art of Easter Island' door Thor Heyerdahl. De foto's van de magische beelden zouden me op reis brengen naar het Paaseiland zelf. Waarom hadden de eilandbewoners deze beelden gemaakt? Hoe waren ze gemaakt en opgericht, waarom waren ze opeens opgehouden met de Moai, zoals ze die beelden zelf noemden? Van wat er nu overbleef leken de beelden fascinerende, versteende gestalten op een ontbost eiland ergens ver weg in de oceaan, was het een cultuur die implodeerde en te gronde ging aan zijn eigen grootheidswaan? Hier moest iets gebeurd zijn dat groter was dan de makers zelf en ik, ik voelde me even ongenaakbaar als een van hen. Zo probeerde ik te ontsnappen uit het raadsel van mijn eigen bestaan, door surrealistisch te schilderen en thematisch te schrijven. In mijn obsessie verkocht ik zelfs een tekening met Paasbeeld aan de beroemde blinde pianist na zijn succesvol optreden in het nachtcafé van mijn geboortestad. 'Maar waarom? Waar komt jouw obsessie vandaan?' vroeg mijn muze telkens. Ik wist geen ander antwoord dan dat ik niet anders kon.

Ik zit nu alleen thuis en heb geen idee hoe het verder moet. Eva houdt me aan het lijntje maar met wat voor perspectief? Na de eerste verliefdheid is er nog maar weinig over, ik vraag me af hoe ik de draad weer zal kunnen oppakken wanneer de telefoon rinkelt. Thomas nodigt me uit voor een reis naar Parijs. 'We gaan met de auto en logeren ergens in Quartier Latin.' Hij zegt het met grote overredingskracht. 'In het Musée de l'Homme staat een origineel beeld van het Paaseiland, een Moai. Als we op vrijdag vertrekken zijn we op zondag terug. Voor jou is het zeker interessant, dan zie je tenminste een keer een Moai in het echt.'

Dat is waar, ik ben al ruim een jaar bezig met de kunst van het eiland, gesprekken, correspondentie en het maken van schilderijen: beelden met uitzicht op zee, statig, soms met een traan, in confrontatie met de kathedraal van Chartres, op de Afsluitdijk op groot formaat, als laatste een zelfportret als Paasbeeld. Kort hiervoor heb ik nog het bed gedeeld met de rondborstige Charlotte, een verre nazate van Jacob Roggeveen, de Zeeuwse notaris uit Middelburg en later scheepvaarder, die op Paaszondag 5 april 1722 het eiland ontdekte. Zij wist van niets.

Mijn werk heeft nu een nieuwe impuls nodig. Het wordt inderdaad tijd om ervandoor te gaan, weg van Eva, mijn wettige echtgenote, die in bed en daarbuiten ook niets meer voorstelt: mijn horizon verbreden in Parijs. Thomas is mijn beste vriend, imponerend van gestalte, bedachtzaam maar met een levendig inbeeldingsvermogen. Met schaken wint hij altijd behalve die ene keer toen ik vastberaden was en hij afgeleid werd door liefdesverdriet. Vorig jaar kocht hij van mij een bijzonder zelfportret, je ziet alleen het silhouet van mijn hoofd, een echte spiegel erachter gemonteerd. Thomas was gefascineerd en gebruikt het schilderij van tijd tot tijd als scheerspiegel.

Hij komt op het afgesproken tijdstip in zijn splinternieuwe auto en claxonneert. Dat is niet helemaal zijn aard, ik bedoel zo'n uitbundigheid. Onderweg naar Parijs speelt op de autoradio klassieke muziek. 'is het Haydn of Schubert?' 'Nee, dat is een fragment uit de Enigma Variations. Van Edward Elgar.' Thomas is heel stellig. Merkwaardig, ik ken alleen maar Enigma van toen bij de begrafenis in Utrecht, de teraardebestelling van mijn dierbare schrijversvriend Dick. Zijn baar was mooi opgesteld in de kerk, na de toespraken hoorde je vogelgeluiden met de hallucinerende muziek. Dick werd op de begraafplaats gebracht onder een prachtige eik, de weduwe legde zijn boek plechtig op de kist ('Verbeeldingen van werkelijkheid vanuit de kerkers van Piranesi'). Plof plof, klonk mijn schep aarde dof.

Parijs is nu vlakbij. Na onze intrek in het hotel gaan we de Lichtstad verkennen: Jardin du Luxembourg, Les Deux Magots, waar ik Sartre zie zitten op het terras (oh! was het maar Albert Camus geweest), de boekenstalletjes langs de Seine. Uiteindelijk arriveren we te voet in het Montparnasse van de bohémiens waar ik voorstel de vrouwen van lichte zeden te bezoeken. Is deze avond in mei zwoel genoeg om verliefd te worden? Ik weet wel dat ik de lijfelijke lust altijd ondoordacht heb beleefd, mijn impulsieve obsessie naar het bezit van het vrouwelijk lichaam, de verleiding, de betaalde liefde maakt juist alles anders, raadselachtiger. Ik wil voor de zondige vrouw het eeuwig-mannelijke beeld zijn.

Zij is Parisienne van geboorte en met een heerlijke erotische uitstraling, ze draagt zwarte naadkousen met hoge hakken. 'Tu viens avec moi, chéri?' vraagt ze uitdagend op de hoek van de straat, ik voel me bijna verloren. Het lijkt wel een zoektocht zonder eind naar haar appartement door het nachtelijk Parijs. Het appartement is grandioos van eenvoud en smaakvol hoerig. De manier waarop ze me uitkleedt voelt warm en vertrouwd, eerst mag ik haar niet zoenen noch haar rode volle lippen en prachtige borsten aanraken. Zij wast liefdevol en zorgvuldig mijn roede. Op het grote bed vóór een langgerekte spiegel mag ik voor extra geld wel alles met haar doen zelfs zonder condoom. Er is geen weg meer terug, la femme putain me caresse avec grande tendresse, zij is de vrouw die ik kwijt ben, Eva, en ze fluistert hoe heerlijk het is. 'Sst...chéri.' Na afloop kust ze me op beide wangen en noemt haar naam: Michelle. Ze belt met haar vriendin over de liefde (ik lig nog op haar bed) en pas daarna vertel ik haar waarom ik eigenlijk in Parijs ben. Over het Musée de l'Homme, over het Paaseiland. Ze is gefascineerd. Ze zegt dat haar oom Francis vroeger het Paaseiland zelf heeft verkend en erover heeft geschreven. 'Zullen we samen gaan?' vraagt ze in mijn gedachten.

Die zondagochtend hebben Thomas en ik het museum aan de Place du Trocadéro bezocht. In de grote hal bij de ingang staat inderdaad een Paasbeeld, met een hoogte van een paar meter, eerder een foetus uit de vroege periode maar toch heel ontroerend en natuurlijk heb ik deze vertederende Moai even met de hand beroerd (steen was vlees en bloed geworden). Op dat moment besluit ik naar het Paaseiland te gaan, om het mysterie ter plekke beleven. Thomas durft op de terugweg te voorspellen dat mijn laatste schilderij een zelfportret zal zijn. 'Magisch en stoïcijns.'

In Nederland houd ik met Michelle contact via de telefoon en zelfs een paar keer per brief, in oktober mag ik bij haar in Parijs komen logeren. Thomas heeft me getipt voor een vrachtboot in het najaar. Het is een prachtige heldere dag wanneer we vertrekken vanuit Le Havre, we mogen voor weinig geld mee in ruil voor het doen van lichte werkzaamheden aan boord. Ik heb de kapitein nog gevraagd wat de vracht was, maar hij hult zich in raadsels. Melkpoeder? Whisky? 'Waar bemoei je je mee? Het gaat jullie helemaal niets aan!' De kapitein schreeuwt duizend bommen en granaten.

De reis verloopt voorspoedig. Na weken onderweg te zijn naar het 'Eiland dat de Hemel ziet' zijn we moe. Ik denk aan Thor Heyerdahl op zijn vlot de Kon Tiki en kijk omhoog naar de staalblauwe hemel. De Grote Reiziger spreekt me toe: 'Ja, het is goed zo, jullie zijn op de juiste koers.' Op het achterdek, in de luwte van de stuurmanshut, staan we te kijken naar de verre horizon en roken een sigaret. Binnen handbereik hangt aan de reling een door de zoute zeewind verweerde reddingsboei. Plots zie ik hoog in de lucht een vogel machtige cirkels draaien boven ons schip. Het is een roofvogel. Na korte tijd krijgt hij ons in het zicht en strijkt neer, vlak naast me, op de reling. Even ben ik bang dat de Zeearend met zijn klauwen mijn hoofd zal openrijten, dat ik zijn prooi ben (au! eerst pikt hij mijn ogen eruit). Hij kijkt me indringend aan, hier lijkt geen ontkomen meer aan, maar wanneer onze blikken elkaar kruisen, begrijp ik wat hij bedoelt: 'Mijn vleugels moeten rusten.' Het lijkt wel een eeuwigheid te duren voordat Michelle en ik naar onze kajuit lopen, tot het moment waarop de Zeearend zijn reusachtige vleugels uitslaat en het luchtruim kiest. Voor ons is het verlangen naar de magische beelden nu sterker dan ooit.

In diepste wezen waren het mijn eigen gedachten, mijn geweten en intuïtie die zich tot één onzichtbare geest verenigden. Tot iets dat van het stoffelijke bevrijd en verlost was, iets zonder beenderen maar dat het lichaam zolang dit leefde tot opvallende prestaties kon aanzetten en dat zonder vlees en bloed kon achterblijven en het eiland bewaken wanneer wijzelf en onze verweerde beenderen allang verdwenen waren.

Het eiland is niet groter dan Texel omringd door de zee, met op elke hoek een vulkanische krater. De kapitein en zijn bemanning hebben het schip goed aangelegd en de geheimzinnige lading gelost. De eerste nacht cirkelt hoog boven ons de Zeearend en vliegt op zoek naar prooi in de richting van Mohunnui, het kleine rotseiland voor de kust. De bewoners noemen die plek van oudsher het Vogeleiland. Daar nestelen de zeezwaluwen die vanaf de Noordpool hierheen komen vliegen om te broeden. Wij hebben onze veilige plaats gevonden onder de oude steengroeve bij Manga Terevaka, met ruim 500 meter de hoogste vulkaan. Ik omhels Michelle Ma Belle en de volle maan beschijnt de magische beelden, hun machtige kin, hun trotse mond en hun oogloze hoge voorhoofd, wanneer één van hen zich losmaakt uit de aarde en beweegt in de richting van de spiegelende oceaan. Stein sein, Stein sein, gelukkig te zijn.

 



Redactie

Dick van Zijderveld (hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum

Redactiemedewerkers

Thierry Deleu
Thierry Langeweg

Jos van Liempdt
Pepijn Uljé

 

Redactie

redactie@opspraak.net
www.opspraak.net

insturen kopij: klik hier

ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein