o

Eleonora Reijn

De spiegel

Links van de deur in het zijgangetje naar de slaapkamer van keizer Willem II, de laatste keizer van Duitsland, in Huis Doorn, liep ik langs een manshoge spiegel, gevat in een dofgouden lijst., die het aanzicht van het smalle gangetje domineerde. In de alkoof pal voor de slaapkamerdeur hing een smal bruin koord dat te ondernemende bezoekers ervan moest weerhouden de slaapkamer echt te betreden. “Hier, in dit bed is de keizer overleden”, zei de vrouwelijke gids eerbiedig. Ik keek even om het hoekje. Eigenlijk vond ik het ongepast om in die kamer rond te kijken. Een, in zijn glorietijd bijna onaantastbaar machtig mens had, hier in die betrekkelijk eenvoudige ruimte, ver van zijn geboortegrond, zijn laatste ogenblikken op aarde gekend. Ik deed een stapje terug en liep weer naar het gangetje. Achter mijn rug hoorde ik de gids, met licht duits accent, uitleg geven over de badkamer van de keizer.

In het gangetje bleef ik staan. Door het raam links van de spiegel gleed het grijzige namiddaglicht van deze novemberdag in een vale streep over het versleten tapijt. Ik stond stil en keek terloops naar de spiegel. Zulke spiegels zag je steeds in oude buitenplaatsen, in kastelen en nadrukkelijker nog in paleizen, overal in Europa. De lichte bolling aan de zijkanten en die speciale, bijna fluwelige weerschijn getuigden van zijn ouderdom.

Ik staarde naar mijn spiegelbeeld. Ik verschikte wat aan mijn shawl, bekeek mijzelf en profiel en net toen ik wilde doorlopen, zag ik een vlekje bij mijn linkermondhoek. Ik boog mij meer naar de spiegel toe en wreef verbaasd over mijn mond. Gek, vanochtend had ik dat niet opgemerkt. Aarzelend bewoog mijn linkerhand zich van mijn wang naar de spiegel. Maar het vlekje zat niet bij mijn mondhoek, het zat op de spiegel, donker, vaag omlijnd, een tache de beaute, maar dan op de spiegel. Heel voorzichtig gleed mijn linker wijsvinger er over heen. Het vlekje voelde korrelig aan. Het leek me een miniscule beschadiging en niet van recente datum.

Van beneden hoorde ik muziek. In de kelder, in de wachtruimte voor bezoekers, draaide non-stop een film over het leven van keizer Wilhelm II. Een uurtje geleden hadden wij daar ook gezeten. Fragmenten van parades werden afgewisseld met flitsen van feestelijke bijeenkomsten. De muziek leek op dansmuziek, ouderwetse vrolijke dansmuziek. Heimelijk bijna ging mijn vinger nog een keer over het piepkleine plekje. De spiegel toonde zijn onbeweeglijke, donkere oppervlak, en toch, toen ik even langer keek, was het alsof ik in een gelaagde diepte staarde.

Bezorgd gaat Marie met haar linkerhand over de spiegel. Ze voelt het kleine, geschaafde puntje onder haar wijsvinger. Het is gelukkig bijna niet te voelen, en op de plek waar de spiegel nu staat, in een hoek tegen de muur buiten de lichtval van het grote raam, valt het ook niet op. Gelukkig maar, mon Dieu wat schrok zij vannacht. Ze zal het nooit kunnen uitleggen aan L’Impératrice. Eugenie is niet gemakkelijk en zeker niet waar het haar bezittingen betreft. En in deze dagen, nu de keizer geinterneerd gaat worden in Wilhelmshöhe, is haar alles van waarde nog dierbaarder. Immers, haar toekomst is volstrekt onzeker. De Derde Republiek zal geen consideratie hebben met de echtgenote van de afgezette Keizer Napoleon III.. De rol van de Bonapartes is uitgespeeld. Marie heeft horen fluisteren dat L’Impératrice naar Engeland gaat. Deze spiegel wordt morgen opgehaald door Carlo Benezetti, de meubelmaker van L’Empereur. Hij neemt hem terug tegen betaling, hij is de Bonapartes altijd goed gezind geweest. Maar een beschadiging zal de prijs drukken. Ze heeft Jean nog zo verboden in deze vertrekken van Maison Rue de L’Elysee te komen, zeker nu L’Impératrice hier haar toevlucht heeft genomen. Maar zijn jaloerse aard en zijn groeiende achterdocht hebben hem vannacht naar hier gevoerd. Ze was van lawaai wakker geschrokken. Op de tast was zij naar het grote voorvertrek gegaan en abrupt tot stilstand gekomen in de deuropening. Tegenover de spiegel die daar schuin tegen een wand was geplaatst, stond Jean heen en weer te zwaaien, terwijl hij zijn sabel in aanvalshouding op de spiegel had gericht. Lodderig had hij haar aangestaard en iets gemompeld. Hevig geschrokken en bang dat L’Impératrice op het lawaai zou afkomen, had zij Jean bezworen dat er geen ander is en dat zij slechts van hem houdt. Hij had zich, ondanks zijn dronkenschap laten overtuigen en was afgedropen.

Maar nu kijkt Marie toch ongerust naar het plekje op de spiegel. De vlijmscherpe punt van de sabel heeft een klein gaatje geboord in het spiegeloppervlak. Nog een mirakel dat er geen stervormige barst is ontstaan, indachtig de felheid waarmee haar Jean vannacht in zijn dronkenschap de denkbeeldige rivaal te lijf heeft willen gaan. Als Carlo Benezetti het maar niet opmerkt.

Langzaam wrijft Liesl over de spiegel. Steeds als zij in de bovenhal komt, om naar de privézitkamer aan de voorkant van Het Huis te gaan, maakt zij een kleine stiekeme bocht om even naar de spiegel te kijken.. Ze heeft altijd haar lap bij zich, en wrijft dan snel over de plek. Hier, vlak voor de slaapvertrekken van de keizer, hangt de spiegel die zij haar hele leven heeft gekend. Toen zij pas in de officiele vertrekken in Berlijn was toegelaten om, in de voetsporen van haar moeder en grootmoeder, schoonmaakster te worden van de keizerlijke interieurs heeft haar moeder haar op deze spiegel gewezen. De spiegel is meegekomen uit Frankrijk in 1871. Haar grootvader, die daar was geweest als voetknecht in het gevolg van keizer Wilhelm I, heeft persoonlijk deze spiegel moeten ophalen bij een beroemde meubelmaker en hem moeten opslaan in het tijdelijke hoofdkwartier in Versailles. Grootvader had pas veel later ontdekt dat de spiegel beschadigd was, miniem, maar toch, een beschadiging, links op de spiegel. Toen hij verhaal wilde halen bij de meubelmaker, bleek deze Benezetti, in het gevolg van L’Impératrice Eugenie naar Engeland te zijn vertrokken. Grootvader had, uit angst voor ontslag, het niet gemeld en zo was de spiegel toch verstuurd naar Duitsland. Tot 1918, het rampjaar, heeft de spiegel gehangen in de prive-vertrekken van prins Wilhelm, de kleinzoon en latere keizer Wilhelm II, in Berlijn.

En nu hangt de spiegel al weer 14 jaar hier, in Holland, in Huis Doorn. Haar moeder heeft haar geleerd altijd een beetje olie op de beschadiging te wrijven, daarmee wordt het plekje praktisch onzichtbaar. Haar moeder is niet meegekomen naar Holland. Maar de zorg voor de spiegel is nu in goede handen bij haar. Zij zal het geheim van de beschadiging bewaren en de eer van de familie hoog houden.

Bevreemd bekeek ik mijn linkerhand. Mijn wijsvinger stak recht vooruit. Ik trok mijn arm langzaam terug van de spiegel en draaide me om. De muziek beneden was opgehouden. Buiten had mist de toch al grijze middag in een vroege avond veranderd. Veel verder dan het begin van het gazon kon ik vanuit het raam op de overloop niet meer kijken. Echt licht was het vandaag niet geweest. Langzaam draaide ik mij af van de spiegel en liep naar de trap, die naar de grote ontvangsthal beneden leidt. Even keek ik nog om.

In een matgouden lijst gevat hing daar de spiegel en staarde, onaangedaan, met een donkere, fluwelige weerschijn, de eeuwigheid in.

 



Redactie

Dick van Zijderveld (hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum

Redactiemedewerkers

Thierry Deleu
Thierry Langeweg

Jos van Liempdt
Pepijn Uljé

 

Redactie

redactie@opspraak.net
www.opspraak.net

insturen kopij: klik hier

ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein