Samantha Kraak
De Sunrider
Aftands oud. Witte verf, beproefd en doorkliefd door roest. Oud Hollands blauwe strepen. 'Sunrider', zongen de flanken in sierlijk geschrift. Ronde koplampen, vieze velgen, en het mooiste voertuig dat ik ooit aanschouwde. Het was ons edel dier op de weg naar vrijheid. De Sunrider brieste en steigerde maar bleef trouw in dienst in onze zoektocht naar een waarlijk vrij leven. We waren twee strijders, gehard door de gevechten waarbij we altijd als verliezende overwinnaars uit de strijd waren gekomen. Sara schudde haar korte, blonde haren en haar rechterhand bracht een peukje naar de asbak. Haar linker bleef luchtig rusten op het grote, dunne stuur. Ze keek me vluchtig aan. Haar lippen vormden een langgerekt woord. Boven de herrie van de brullende motor uit had ik haar niet kunnen horen, maar zij zei niet echt iets, dat wist ik. Ze keek alweer naar de deinende asfalthorizon of daarachter. Frisse wind stroomde door het opengedraaide raampje naar binnen en in de grote zijspiegel knipoogde de avondzon naar mijn stille glimlach. We waren op weg. Altijd op weg, onderweg, in beweging. Het asfalt schoot onder de wielen door terwijl het miniatuur keukentje, het lege eettafeltje en het schommelende kraaltjesgordijn gedwee onze richting volgden. Ik nam nog een sigaret, liet mijn elleboog losjes op mijn opgetrokken been rusten, en stelde me voor hoe de wegvluchtende rookslierten zich vermengden met de van onder beschenen, gouden wolken. Weldra zou oudroze zich vermengen met het jonge avondblauw van de voorbijtrekkende dag. Haar hand raakte mijn knie even aan toen ze met een verwachtingsvol tik-tik van de richtingaanwijzer een nieuwe koers aannam. Het was tijd om te zoeken naar een plek waar we de onrust uit onze benen konden lopen, en in de nacht onze dromen konden verversen. Een tijdelijke, halfslachtige ontspanning, ergens temidden van de vele snelwegen die ons immer bleven roepen met het verre gesuis van wind langs staal.
Zaligmakende stilte overviel ons toen we de motor eindelijk
lieten rusten. We spraken nog steeds niet. Sara was moe, ik zag het aan haar lippen.
Ze hield ze stevig dicht, haar mondhoeken verkrampt in een poging een opkomende
geeuw te overwinnen. Toen de geeuw haar lippen overwon, keek ze me door haar wimperhaartjes
aan, en mijn plotselinge lach sloeg snel op haar over.
‘Het was wel weer genoeg voor vandaag, vind je ook niet Em?’
Ze zei het terwijl ze moeizaam naar achter klom. Loom staarde ik naar het zachtgroene
riet dat wild heen en weer zwiepte in de opgekomen avondbries, en ik luisterde
naar het gekletter van water waarmee Sara de ketel vulde en hoe ze de plank optilde
waaronder de gasfles lag. Ik rookte rustig mijn sigaret. De koffie zou zo klaar
zijn, het suizen in mijn oren zou zo overgaan.
‘We zijn vast ver gekomen vandaag, denk je ook niet Em?’
Ik knikte, al zag ze dat waarschijnlijk niet. Samen leven in een camper van twee
bij vier had onze vroegere, levendige gesprekken veranderd in gebaren en een intuïtief
aanvoelen wanneer iemand slechts sprak om maar iets te zeggen. Ik drukte mijn
sigarettenstompje uit in het massagraf van de veraste dag en draaide mijn stoel
naar haar toe. Ze had zojuist de koffie klaar en gooide het plastic zakje met
ontspanningskruid naar me toe. Ik glimlachte. De glimlach van de onderkenning.
Ze had precies geweten waaraan ik had gedacht: Even wat afstand tot de werkelijkheid
nemen. Ik rolde een halve sigaret en wat kruid in een vloeitje, stak het aan en
liet me uit de cabine vallen, tussen het hoge gras van de oever. Mijn benen waren
stram, en ik voelde mijn nekspieren trekken toen ik even met mijn hoofd rolde.
De ontspanning was slechts geestelijk en van voorbijgaande aard, maar ik voelde
me al wat lichter en stapte de cabine weer half binnen om mijn vriendin wat respijt
te geven van haar avondroutine. Ze pakte het geurige rokertje van me aan en leunde
naar de geopende cabine deur, vanwege de weeïge geur.
‘Hè, lekker. Em, wat wil je eten straks? We staan vlak bij een dorpskern,
we kunnen ook uit?’
Opgefrist en ontkreukt, liepen we even later hand in hand
over een schilderachtig landweggetje, in de richting van de reeds weggedoken zon.
Boven het kerktorentje toonde de hemel haar felroze vuurwerk en boven onze hoofden
joegen nachtwolken het spektakel na. Ik voelde mezelf langzaam afglijden in de
angstige verwachting van nieuwe teleurstellingen, maar Sara trok mij krachtig
mee, ongeduldig bijna. Een steek van verlangen naar het toonloze gebrul van het
reizen, werd abrupt doorboord door de hoopvolle klanken van mijn beste vriendin.
‘Oh Em, wat is het hier heerlijk! Ik geloof niet dat ik me ooit zo op mijn
gemak heb gevoeld in het onbekende. Moet je die lucht ruiken! Fris, en vol beloften!
Dit is niet zomaar nog een dorpje. Het is hier anders, ik voel het. Zullen we hier
een paar dagen blijven? Gewoon, om wat te rusten, en misschien verkopen we hier
ook nog wat. De voorraad begint te slinken, en wie weet hoe lang het duurt voordat
we een plek vinden waar het zo zalig ruikt als hier!’
Ik pakte haar hand iets steviger vast, maar zij zette haar monoloog kracht bij
door met haar armen wijd een rondje te draaien. Ze sloot zelfs haar ogen, zag
ik. Ik glimlachte haar schuchter toe. Ze was een blonde amazone, een witte dichteres,
een magisch fenomeen. Mijn inspiratie, mijn muze, de vrouw die ik niet was, niet
kon zijn.
We liepen nu het dorpje in. Het rook als alle kleine dorpjes, en alleen God wist hoeveel we er al waren doorkruist. Mijn geest praatte haar 'fris en vol beloften' kinderachtig na, maar ikzelf was zo slim mijn mond te houden. Soms had ze dat. Gevoelens die ze voor de realiteit plaatste en die ze dan zo enthousiast met mij wilde delen. Gelukkig waren mijn emoties gewoon onderhavig aan de hoeveelheid slaap, en soms de hoeveelheid kruid of geld, want ik zou ze liever niet voor waar aannemen. Al die tijd mijn beste vriendin, en ze zag niet dat ik haar talent, haar poëzie, haar droom niet droomde. Het dorp was groter dan ik verwacht had. Verdwalend in de gedachtegangen van onze afzonderlijke geest, liepen we meerdere hoekjes om, en belandden we uiteindelijk op een breed uitlopende straat. De straat mondde uit op een pleintje met een fonteintje in het midden. Vrolijk water spetterde uit de handen van een gebeeldhouwd meisje, dat in gezichtstrekken en figuur wat van Sara weg had. Er schuin achter werd de ingang van een eethuis verlicht door twee hangende lantarens. Het licht wenkte ons zacht schommelend naar de entree van Het Gevonden Geluk, Bar-Restaurant-Atelier.
Dit ging niet goed. Dit kon niet goed gaan. Ik zat nu al minstens een half uur in mijn eentje achter een glas witte wijn, het leeggegeten bord keek me vies in het gezicht, en mijn keel was rauw van het roken, waardoor ik de fles wijn gestaag leegde, om vervolgens nog iets bozer ook aan haar nog volle glas te beginnen. Het geanimeerde gesprek klonk vals in mijn oren, al wees ze regelmatig in mijn richting. Haar blik verried alles. Ze twinkelde, en haar slenterpas had plaatsgemaakt voor een getrippel om de niet onaardige beeldjes heen. Ik had meteen bedenkingen gehad bij een bar-restaurant dat zich in een adem door ook atelier noemde, maar Sara had als een kind op kerstochtend in haar handen geklapt. Hij was knap. Dat zag ik ook. Niet knap als een model, maar aantrekkelijk, als mens. Er sprak leed uit zijn ogen, maar ook humor, en in combinatie met zijn donkere huid en niet geringe lengte zorgden ze voor een overduidelijk charisma. Maar de manier waarop ze een half uur geleden met haar eten zat te spelen, en het gemak waarmee ze met hem aan de praat raakte, was verontrustend. Meestal was ik degene die her en der wat flirtte, al had het nooit een doel. Ik was gepikeerd verlegen onder haar opleving, en een beetje bang. Ergens was ik altijd bang. Bang dat ze me zou ontglippen, dat ze weg zou zweven en ik alleen achter zou blijven. Ik wenste haar terug op de stoel tegenover me, maar zij wenkte mij juist. Haar drukke handgebaren spraken van haast en enthousiasme, en met zware benen stapte ik onvast op hen toe.
De geur van koffie wekte me uit mijn onrustige woelen, en
vogels zongen een veel te vroeg ochtendlied op de tonen van het pruttelende water
in de ketel.
‘Oh Em, ben je eindelijk wakker? Het wordt een zalige dag! Hier, drink maar
lekker op.'
Zoals altijd overwon ze mijn ochtendhumeur door pas tegen me te praten als ze
mijn adrenalineshot al klaar had. Ik nipte van de te hete koffie, brandde mijn
lip, en keek haar vragend aan.
‘Nou, er is niks gebeurd hoor Em, maar hij is wel super, vind je niet? We
hebben nog een tijdje onder de luifel zitten praten, en hij vond de Sunrider helemaal
geweldig. Ik hoop dat we je niet wakker hebben gehouden. Ik denk dat hij zo langskomt,
want ik had beloofd dat hij vandaag het interieur mocht bekijken. Hij is ook razend
nieuwsgierig naar onze waar, zegt dat hij dol is op alles wat antiek is!’
Ik kon op zich wel genieten van de verborgen schatten van de buitenlandse antiekmarkten,
maar Sara voelde pure passie. Het was ook haar idee geweest om met in- en verkoop
van antiek, onze zoektocht zichzelf te laten bekostigen. Ze had er echt een neus
voor, al dat oude spul. Ze wist precies wat nog leven, nog muziek in zich had.
Mijn handen schuurden en schilderden op haar aanwijzingen, in haar belofte. Ik
deed het graag, maar als ze mijn hulp niet nodig had, schreef ik liever. Mijn
verhalen waren niet onaardig. Ze waren het vervormde verslag van de reis die we
samen maakten, maar brachten nauwelijks de inkt- en papierkosten op.
‘Ik ga even brood halen, goed? Ga jij lekker douchen, dan ben ik zo terug
met het ontbijt. Het is hier echt een bron van inspiratie vind ik, ga jij nog schrijven
vandaag?’
Ik haalde mijn schouders op, en vond een verloren glimlach op mijn gezicht. Mijn
kaken verkrampten, maar ik dacht niet dat ze het zag. Ik kuste haar op de wang,
en wrong me in het kleine natte kamertje. De stralen op mijn hoofd waren lauw,
de straf voor het uitslapen en de eeuwige kroon op mijn ochtendhumeur, maar ik
zuchtte diep en dapper, en nam me voor inderdaad te gaan schrijven vandaag. Misschien
had ik gewoon teveel woorden in mijn hoofd, en teveel wijn in mijn buik. Hopelijk
ging mijn hoofdpijn straks vanzelf weg, zodat ik wat had toe te voegen aan de
doordringende blijdschap van mijn zielspartner.
Ik had het allemaal aan het papier toevertrouwd. Mijn groeiende
onrust die zo vreselijk haaks stond op haar uitwaaierende blijdschap, de drang
naar beweging, naar zij en ik op het zwart golfende water, eeuwig zoekend naar
de overkant. Ik liet haar zoveel mogelijk met rust, ging het tweetal uit de weg,
werd geen derde wiel aan de wagen, maar het vergrootte juist de afstand tussen
ons. Sara straalde, ik verduisterde, en de dagen volgden elkaar op terwijl witte
zomerwolken elkaar dartelend nazaten in de blauwe lucht. Ging het maar regenen,
dan waren we verplicht elkaar onder ogen te komen en kwamen we dichter bij mijn
realiteit van zware sluierbewolking, mist. Maar het bleef zonnig, ik bleef schrijven,
en zij… zij bleef stralen. Ze liepen hand in hand op de plek af waar ik
tussen het riet heel dringend aan het schrijven was, opdat ze me niet zouden storen.
Ik keek toch op, en Sara zag eindelijk mijn ware gezicht. Met een hoofdknikje
stuurde ze haar donkere prins naar onze witte Sunrider. Zover was het al gekomen,
dat hij met een simpel gebaar wist wanneer hij zijn liefje even aan haar ‘zaken’ moest
laten. Ze liet zich in het hoge gras vallen, en haar hand tilde mijn kin omhoog.
Ik moest haar wel aankijken, en nog voor ik mijn ogen kon samenknijpen, vloeiden
mijn tranen langs haar hand, op weg naar de waarheid.
‘Em, niet verdrietig zijn. Niet nu ik mijn horizon heb gevonden.’
Ze pakte wat losse vellen op, las hier en daar een zin, en ik kon niet eens meer
ontkennen dat ik jaloers, in de steek gelaten, een kwaadaardige schaduw was omdat
ik het in de afgelopen dagen letterlijk omschreven had. Ik was bang voor verontwaardiging,
voor woede en afwijzing, maar ze omhelsde me liefdevol en leerde me angst te hebben
voor vergeving en begrip. Nu snikte ik erbarmelijk, wist het afscheid dichtbij.
‘Lieve vriendin. We reisden samen, en we zullen altijd samen reizen, maar
we hebben nooit hetzelfde pad gekozen, noch de redenen om onderweg te willen zijn.
Ik wilde mijn thuis vinden, jij wilde jouw thuis ontvluchten. Zie je, we vertrokken
zelfs al van een ander punt. Hoe kunnen we dan ooit samen aankomen? Wees niet verdrietig,
ik laat je niet alleen. Ik ben nu hier, en je kunt me hier altijd vinden, dat weet
je toch? Ik ben nu thuis, en mijn armen staan klaar om je te verwelkomen in een
warme omhelzing. Wees nu niet meer zo bang en ren niet steeds weg. Jouw hart heeft
zijn plaats allang gekozen. Het is je geest die het asfalt berijdt, de vrijheid
najaagt, en zolang de Sunrider bestaat zul je altijd vooruit komen. Maar jouw hart ís
vrij, want het kent liefde. ’
Gestommel ergens onder me. Ik probeerde vooruit te komen, maar de motor wilde niet starten. Grote klavervierkruispunten vulden mijn blik, kwamen dichterbij en drongen zich zwart-wit aan mij op. Ik sloot mijn ogen, en viel omlaag. Ik probeerde te schreeuwen, maar het geluid ging verloren in de harde klik van de slaapkamerdeur.
‘Ssstt, zachtjes hoor, volgens mij slaapt mama nog’
‘Mama, mama! Wakker?’
‘Schat, wij gaan zo douchen, word je wakker? Ik heb koffie voor je.’
‘Poffie mama, papa poffie maakt!’
‘Jeetje Em, was het laat geworden gister? Je hebt dikke ogen, heb je gehuild
of zo? En, hoe is het met Sara? Rijdt ze nog steeds in dat ouwe barrel, of heeft
ze die camper eindelijk omgeruild voor een knappe auto?’
‘Nee, nee, hmmm, ze heeft de Sunrider nog steeds. We hebben er gister een
ritje in gemaakt, en ergens in een bos koffie in gedronken. Ze heeft een nieuwe
vriend trouwens. Hmmm, ugh … pfff, teveel gerookt. Hij is kunstenaar, heeft
een atelier enzo. Hé liefje van me, heb je me gemist? Kom eens knuffelen
met mama, ik heb jóu zo gemist.’
Mijn tweejarige dochter stortte zich wild liefdevol tegen mij aan, en mijn man zette een dampende kop koffie voor me neer, om zich vervolgens languit op ons bed te laten vallen. Hij glimlachte naar me en ik snoof genietend aan het haar van ons kleine meisje. Mijn Sunrider kwam luid brullend tot leven terwijl de zon begon aan de tevreden klim op een nieuwe dag.
Redactie
Dick van Zijderveld
(hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum
Redactiemedewerkers
Thierry Deleu
Redactie
redactie@opspraak.net
www.opspraak.net
insturen kopij: klik hier
ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein