De oude wilg en de vier jaargetijden
Gertjan Kooiman
De herfst
Koning Herfst die, nadat hij de zomerkoning had opgevolgd, zijn rijk vanuit de oude wilgeboom bestuurde, had duizenden dienaren en dienaressen, die ’elfjes van de herfst’ genoemd werden. Deze elfjes woonden op de bladeren van de bomen, waardoor zij de meest wonderbaarlijke kleuren kregen. Goudgeel en bruingeel voor de oude wilg, de iepen en elzen werden goud- en oranjerood. De hele slootkant werd getooid in schitterende herfsttinten. De eenden en de meerkoeten die in de sloot zwommen waren ieder jaar weer verbaasd over deze schoonheid.
Op een dag, toen de herfstzon door de bomen straalde, speelden kinderen bij de grote wilg langs de slootkant. Enkele kinderen zochten de afgevallen bladeren om een kleurrijke herfsttafel te maken, anderen hadden een vlot gebouwd en dreven voort op het water. De watervogels vluchtten wanneer zij in hun nabijheid kwamen. Er waren ook verschillende kinderen die met hun hengel het leven van de vissen op deze mooie herfstdag zuur maakten. De knoestige wilg wist hiervan, want elk jaar werd dit spel in zijn schaduw gespeeld.
Vanuit de oude wilg bewonderden de elfen het schouwspel. Totdat één van hen ontzettend schrok. Je moet weten dat elfjes dingen zien die wij mensen niet kunnen waarnemen en dit elfje zag een wreed, schimmig schepsel, dat de dood in zich droeg. „Zie je het ook?” vroeg hij aan de andere elfen. Ja, nu zij er attent op gemaakt werden zagen zijn vrienden het ook. „Hij moet weg,” zeiden zij, „misschien doet hij de kinderen kwaad. Dit moeten wij de koning vertellen”.
De koning, die midden in de goudgele kruin van de boom woonde, was ontzet toen deze vreselijke mare tot hem kwam. „Pak je pijl en je boog en jaag dat schepsel bij de kinderen vandaan, nog voordat het hen kwaad doet.” Onmiddellijk gehoorzaamden de elfen.
Het gedrocht liep nog steeds tussen de spelende kinderen en omdat elfen goed kunnen mikken, wisten zij hem precies in zijn achterwerk te raken. Schuw en ontzet keek het wezen achterom. Wie waagde het om hem in zijn achterste te schieten? Vervolgens zoefden de pijlen rakelings langs zijn hoofd. Uit angst wist hij niet hoe snel hij moest vluchten. Weg uit dit vijandig gebied.
De elfen hadden hun doel bereikt, de kinderen konden nu ongestoord hun gang gaan.
Zo ging het nog vele dagen door langs de slootkant onder de oude wilgeboom. In de schuchtere herfstzon speelden de kinderen en genoten van de gaven van de herfst.
Maar toen er wolken voor de zon verschenen en het begon te waaien, was het voor de kinderen geen weer om naar buiten te gaan. Bij de warme haard genoten zij binnenshuis van de gedroogde bladeren en vruchten die dit schone jaargetij met zich meebracht.
De koning van de herfst was nu alleen in zijn paleis, in het midden van de oude wilg, te vinden. Vele tinten van de herfst vulden zijn kleurrijke vertrek.
In deze dagen werd op de deur van de wijze oude wilg geklopt. „Wie durft ons bij regen en wind te storen?” vroeg de herfstkoning zich af. „Welke tijding zal dit bezoek mij brengen? Laat het binnen komen.” Gewapend met een paraplu boven het hoofd deden twee goud gekleurde dienaren open. Daar zagen zij vier schepsels die in wreedheid niet onderdeden voor het afzichtelijke monster dat zij enige tijd geleden bij de kinderen weggejaagd hadden. „Wij willen jullie koning spreken,” zeiden zij met een kille, koude stem. De elfjes van de herfst waren zo ontdaan dat zij op hun benen trilden. „W - w - wat willen jullie?” vroegen zij. „Dat vertellen wij alleen aan de koning,” luidde het ijzige antwoord.
Daar stonden zij in de prachtig gekleurde zaal van de herfstkoning; vier donkere wezens met doodshoofden en ijspegels als wapens in de hand. „Koning herfst,” zo spraken zij, „wij zijn dienaren van de winterkoning, die door u in hoge mate is gegriefd. Enige tijd geleden hebben uw elfen pijlen geschoten op één van zijn gezanten, waardoor hij moest vluchten. Als antwoord op deze laffe daad verklaart de winterkoning u hiermede de oorlog. Onze koning heeft gesproken, laat ons nu gaan.”
De koning van de herfst was sprakeloos en wist niet wat hij moest antwoorden. Hij liet deze onwelkome lieden onmiddellijk zijn met herfsttinten getooide woning verlaten.
„Wie haalt het in zijn hoofd om mij, de koning van de herfst, de oorlog te verklaren?” zo sprak hij toen hij weer bij zinnen gekomen was. „Geen vijand kan ons uit onze wilgeboom en ons domein verjagen.”
Maar toen hij naar zijn dienaren keek, zag hij dat velen oud en verschrompeld geworden waren. Hun schitterende gewaden verwelkten en maakten plaats voor vervlogen tinten. De koning echter gaf het niet op, er waren nog genoeg strijdbare elfen.
Van de wachters op de toppen van de reusachtige wilg vernam de koning dat de vijand in aantocht was. Hij liet hen op de hoorn blazen. „Gordt u aan, weest niet bang, maar verdedigt uw rijk!” Duizenden elfen kwamen in slagorde aangelopen, gewapend met pijlen en bogen. En natuurlijk met goede moed en grote strijdlust.
Maar de ouderdom liet zich bij alle elfen voelen. Met het verdwijnen van hun kleuren nam ook hun kracht af. Als verjaarde dienaren die op het punt stonden te vergaan, namen zij deel aan de strijd. Zouden zij stand kunnen houden?
De winter
Het was voor de winterkoning gewoonte een hevige strijd te voeren wanneer hij zijn rijk ging stichten. Harde westenwinden beukten tegen de grote oude wilg en de andere bomen. Aanvankelijk werd gedacht dat koning herfst deze winden had gestuurd, maar naarmate zij guurder en kouder werden, kwam men al snel tot de ontdekking dat het koning winter was die het bewind voerde over deze stormen.
De elfjes van de herfst vluchtten weg, waardoor de oude bladeren van de bomen te zwak werden om deze ruwe stormen te doorstaan. Binnen korte tijd waren de bomen langs de Molensloot helemaal kaal. De winterkoning stuurde de donkere geesten die de stormen veroorzaakten de wijde omtrek in, totdat de herfst verdwenen was.
De herfstkoning kon de ijzige kou niet doorstaan en vluchtte samen met zijn volgelingen. Hierna gebaarde koning winter rust en kalmte. Een zachte winterbries waaide uit het oosten, toen de winterkoning zijn intrede nam in de oude wilgeboom. Teleurgesteld keken de andere bomen langs de slootkant naar dit gebeuren; hun takken werden nors en grimmig.
De oostenwind veranderde in een noordwester, die donkere wolken over het land heen voerde. Vanuit de oude kromme wilg sloeg koning winter zijn wrede dienaren gade. Toen kwamen er grote sneeuwvlokken uit deze wolken tevoorschijn, gedragen door parelwitte elfjes met toverstokken die licht uitstraalden.
De volgende dag toen het helder en rustig was lag er een sprankelend wit laken over de aarde. Als je goed oplette zag je de witte elfjes met hun toverstokjes spelen in de sneeuw. „Wij houden de aarde warm”, zeiden zij, „voordat koning winter zijn legers uit het oosten laat oprukken.”
De kinderen waren de elfen hier dankbaar voor. Onder de knoestige wilg, die volgepakt lag met witte parels, hadden zij dolle pret. Zij gooiden sneeuwballen naar elkaar en maakten sneeuwpoppen met een wortel als neus. Tot het donker werd - en in de winter is dat reeds zeer vroeg - speelden zij bij de wilg langs de slootkant. De bomen schudden meewarig hun hoofd, wanneer een zuchtje wind hen raakte. Hierdoor ontstond een wolk van sneeuw dat op het witte land viel. Maar de mensen hadden daar geen erg in, zij zaten binnen bij de warme haard.
Enige dagen later kwam de voorspelling van de winterelfjes uit. Uit de onderwereld kwamen de dienaren van de winterkoning, voortgestuwd door een stevige noordoosterwind, aanzetten. Zij droegen ijspegels in de hand en zaten op doodsvogels, die het lot van de wereld bezegelden. Koude brachten zij mee, ijzige kou en helder vriezend weer. De dieren die nog niet waren gevlucht zochten hun holen op in de bomen en in de struiken. Ook de oude wilg werd bezocht door kevers, vogels en insekten. Het water van de Molensloot werd nu zo koud dat het vergat te stromen. Het verhardde zich en werd ijs.
De mensen trokken hun dikste kleren aan, pakten hun schaatsen en zwierden over het ijs van de sloot. Tevreden keek de koning vanuit de wilgeboom naar het winterse landschap met al het plezier die dit met zich meebracht.
Maar des avonds wanneer de zon achter de horizon verdween, werd het donker en erbarmelijk koud. De mensen verscholen zich in hun verwarmde huizen en niemand waagde zich nog buiten.
Op een avond liep een klein hondje over straat. Het kon niets anders dan de kou trotseren. Het gezin waar het woonde was op wintersportvakantie en had het dier alleen in de kou gelaten. Overdag had het met de kinderen gespeeld en nu moest het zelf een plek zien te vinden voor de bittere koude nacht. Maar de mensen waren in hun huizen zo druk bezig met televisie kijken en werken op de computer, dat zij het arme diertje niet zagen. En de kleine kinderen met wie het overdag had gespeeld, lagen reeds lang op bed. Hopeloos en verlaten zette het hondje zijn eenzame nachtelijke tocht voort, totdat het niet meer kon. Uitgeput van honger en vermoeidheid legde het zich onder de oude wilgeboom in de sneeuw neer en stond niet meer op.
Koning winter zag dit dode hondje als één van de vele slachtoffers die zijn koude rijk nu eenmaal met zich mee bracht. Want ondanks het feit dat de dagen langer werden, werd het kouder en kouder. Steeds meer angstaanjagende wezens kwamen ’s nachts, gewapend met ijspegels, vanuit het noordoosten aangestormd. Zij plaatsten zich op de oude wilg, de essen en de iepen langs de Molensloot. De volgende morgen kon men lange baarden van ijs aan de bomen waarnemen.
Maar dan, zomaar op een ochtend, kwam er een zachte bries vanuit het zuiden. Een schone fee bracht deze wind met zich mee. Overal waar zij kwam en haar toverstaf de grond raakte, kwamen sneeuwklokjes en krokussen te voorschijn.
„Wee u, gij koning winter,” zei zij toen zij voor de oude wilg langs het water stond. „Want aan uw rijk komt snel een eind. De lentekoningin weent om al de slachtoffers die door uw koude sterven moesten. Haar smarten zullen uw rijk ten gronde doen richten.”
Koning winter lachte toen hij dit hoorde, maar toen hij naar buiten keek zag hij dat sneeuw en ijs veranderden in bittere tranen.
De lente
De voorjaarszon stond aan de heldere hemel. In haar stralen speelden kleine, met het blote oog nauwelijks te ontwaren, feeën die met hun toverstokjes de aarde vruchtbaar maakten. Er ontsproten distels, weegbree, fluitekruid, boterbloemen en madeliefjes uit de grond. Zij openden hun ogen en begroetten de schone, zachte lentekoningin.
Maar de winterkoning gaf de strijd niet op. Vanuit het noordoosten zond hij donkere wolken die de maartse buien veroorzaakten. Regen, koude en hagel trachtten het vruchtbare werk van de lentekoningin te verstoren. Maar de harde winden die deze wolken aandreven waren er tevens de oorzaak van dat zij snel het land verlieten en de schuchtere voorjaarszon greep weer haar kans.
Ook in april was de natuur onbestendig en vulde koning winter bij tijd en wijle de wereld met zijn ijzige grillen. De bloemen die waren ontsproten sloten de ogen en bogen hun hoofden om de koude te weerstaan.
Dit waren echter slechts de zwakke naweeën van de verloren strijd van koning winter. De lentekoningin beheerste nu het domein en zij nam haar intrede in de oude wilgeboom aan de Molensloot. Het was deze boom die zich als eerste tooide in de schone kleuren van het voorjaar. Snel volgden de andere wilgen, de iepen en de elzen zijn voorbeeld. Hun kruinen kregen alle kleuren groen, zachtgeel, wit en roze van de bladeren, katjes en bloesem die de feeën getoverd hadden. Later in de nazomer zouden die plaats maken voor zaden, noten en sappige vruchten.
De boeren die hun land bij de Molensloot hadden, wisten reeds lang dat de kou uit de grond en uit de lucht was verdwenen. Zij pootten en zaaiden om later te oogsten.
In mei wees niets meer op het bestaan van koning winter. Kievieten en tureluurs legden hun eerste ei in de in bloei staande weide. Eenden en waterhoentjes zwommen in de Molensloot langs de oude wilg, gevolgd door een schare jongen. Een mussenpaar was op zoek naar voedsel voor de kleinen die woonden in de kruin van de wilgeboom.
In zijn schaduw speelden kinderen en maakten kransen van madeliefjes en boterbloemen voor de schone lentefee. De kikkers in de Molensloot begeleidden hen en kwaakten het hoogste lied.
Een minstreel uit het verre verleden met grote hoed en ganzeveer galoppeerde op zijn witte paard langs de oevers van de sloot. Hij verstond het lied van de vogels en de boodschap van de bloemen. „Voor wie maken jullie deze kransen?” vroeg hij de kinderen. Als geschenk gaven zij hem één van hun dierbare bezittingen.
Getooid in deze erekrans stond de minstreel nu voor de oude wilgeboom; het paleis van de lentekoningin. „Kom, o lieve fee,” riep hij, „het is bijna juni, de ceremonie van het grote huwelijk is aanstaande.” Zij trad naar buiten en begroette de minstreel met de boodschap dat zij de blijde mare reeds van de reigers had vernomen.
Zij keerde terug naar de zalen van de lente. Haar dienaren en dienaressen vervaardigden voor haar de mooiste voorjaarskledij: een schone japon, gemaakt van de bloemen van vergeet-mij-nieten en paardebloem en een kroon van in bloei staande wilgetakken. Daar liep zij in de ontkiemende frisse velden haar bruidegom tegemoet.
Ondertussen vervolgde de minstreel zijn weg. Overal zag hij in bloei staande kleurrijke tulpenvelden en boeren die tevreden over hun akkers langs de Molensloot staarden.
De maand mei vorderde gestaag en in de verte kon men reeds vaag het dansen en zingen van de kinderen op de muziek van de tamboerijnen die de elfen bespeelden horen. „Kom, dans met ons,” zongen zij, „want het grote huwelijk is aanstaande.” Straks is het éénentwintig juni en de zon heeft beloofd dan heel lang te zullen schijnen. Zal hij zich aan die belofte houden?
De zomer
Toen de langste dag aanbrak liep een schone fee vol verlangen haar gemaal tegemoet. „Verheugt u”, zei zij, terwijl de weilanden onder haar voeten dansten, „want de bruiloft is nabij”. De vogels die in de koude winter de warme landen bezochten, volgden haar. Nu konden zij eindelijk bij de Molensloot vertoeven.
En daar onder de oude wilgeboom voltrok zich het wonder. De zonnestralen veranderden de waterdruppels van de sloot in geslepen diamanten. Deze diamanten weerkaatsten het zonlicht terug de ether in en uit deze weerkaatsing kwam een koning tevoorschijn. Hij was gekleed in glanzend witte kledij, met een diamanten staf in zijn rechterhand en een kroon van edelstenen op zijn hoofd.
Hij opende zijn armen om de liefde van de fee te ontvangen. Hand in hand liepen zij in de stralen van de levengevende zon naar de oude wilg. Het huwelijk van de midzomernacht was aangebroken.
In de schaduw van de wilgeboom werd een lange eikehouten tafel feestelijk klaargemaakt. Er was melk en karnemelk van koe en geit. Er lagen vers gebakken stokbroden met allerlei soorten kaas, vruchten en noten. Kinderen speelden in de weiden, terwijl de muzikanten hen begeleidden op de fluit. De eenden kwaakten met hun al groter wordende jongen en de snoeken hadden het nakijken. Aan de grote tafel deden de volwassenen zich te goed aan de spijzen en zij dronken bier en wijn van rozenbottel. De uren gingen voorbij tot diep in de midzomernacht. Uit volle borst werden liederen gezongen over dit schone land van sloten en dijken totdat de muzen verschenen uit de dauw van het ochtendgloren en een ieder in slaap zongen.
De zomer was aangebroken en zijn koning bracht het goede van de heldere zonnestralen. De korrels van tarwe en rogge rijpten in de zon. Bessen en aardbeien, groene en witte kolen kleurden helder en vrolijk en verblijdden mens en dier met hun levenskracht. De tuinders bewerkten het land en keerden iedere avond terug met verse spijzen. De kinderen kregen vrij van school en speelden hun spel tot in de lange avonduren, terwijl hond en kat hen volgden. De wilgeboom was nu vol bladeren en gaf de voorbijganger de nodige beschutting.
Dat was erg prettig, want de verzengende zomerhitte kon het werk van de mensen erg verzwaren. Arbeiders op het land moesten zich beschermen tegen de stralen van de zon en mensen die hun werk binnenshuis hadden, verheugden zich op een klein windvlaagje.
Om zich tegen de middagzon te beschermen lag een landarbeider in de schaduw van de wilgenboom te slapen. Het zweet droop van zijn gezicht en ondanks beschermende maatregelen was zijn lichaam verbrand. In zijn slaap droomde hij dat een man voorbij kwam met lang haar en gekromde wandelstok. Hij zag het gezwoeg van de landarbeiders. Terwijl hij voor hen ging staan en zijn hand naar de zon hief zei hij: „Koning zomer zal niet voor altijd heersen. Hij zal opgevolgd worden door een vorst voor wie de zon minder zal schijnen”. Toen de man wakker werd lachte hij om deze profetische droom. Een profeet wordt immers nooit geëerd! Doch die avond brak een hevig onweer los.
De volgende dag was alles fris bij de Molensloot. De ozon gaf de lucht een verfrissende geur, zodat alles weer volop kon groeien. De jonge mus begon aan zijn eerste morgenvlucht en aan de waterkant probeerde een blauwe reiger zijn maag te vullen, toen de nieuwe mare kwam. Het waren geen mensen die spraken en de vogels en de bloemen bleven stil. Nee, de mare zat in de frisse lucht want haar groeikracht deed de zomerkoningin een kind baren, die gevoed zou worden met nectar.
Toen de nazomer kwam gingen de bomen vrucht dragen en de oogst werd van het land gehaald. De zon begon haar kracht te verliezen. Zomerregens vielen uit de hemel. Aanvankelijk zachtjes en verkwikkend, maar later zo hard dat de mensen het huis niet verlieten.
De zomerkoning wist dat zijn einde nabij was. Zijn gemalin was de wilgeboom reeds ontvlucht. Ver weg naar de landen van altijddurende schoonheid. Aan de voet van de oude wilg liet de zomerkoning zijn zoon ontbieden. „Mijn zoon,” zo sprak hij, „de einders van de verre zee roepen mij. Ik vertrek naar de stranden van de horizon, daar waar de bomen voor altijd groen zijn en het eeuwige lied weerklinkt. Daar zal ik mijn geliefde weerzien. Aan jou, mijn zoon, geef ik de heerschappij over het land van de oude wilg.
Nu verschenen er donkere wolken voor de zon, zodat zij haar stralen niet meer kon geven. De diamanten scepter van de koning veranderde in waterdruppels en zijn glanzende gewaad was verdwenen.
Zijn zoon was nu koning geworden, maar - zoals de droom reeds had voorspeld - zijn stralen waren minder dan die van zijn vader. Daarom werd hij ook niet zomerkoning genoemd, maar koning herfst.
Redactie
Dick van Zijderveld
(hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum
Redactiemedewerkers
Thierry Deleu
Redactie
redactie@opspraak.net
www.opspraak.net
insturen kopij: klik hier
ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein