Hans Kilian
Liefde op het laatste gezicht
"Alles is lelijk wat mooi bedoeld is." (Judith Herzberg)
Natuurlijk had ik het artikel van professor Bock in The Lancet als één van de eersten gelezen. En werkelijk niet alleen omdat hij mijn promotor was, maar vooral ook omdat mij zijn onderzoekingen in hoge mate interesseerden. Zijn wetenschappelijke bevindingen boeiden mij al vanaf het moment dat ik op de universiteit aankwam. Daarbij kwam dat ik al spoedig het geluk had hem persoonlijk te leren kennen. Weliswaar studeerde ik psychologie, maar mijn belangstelling ging eigenlijk meer uit naar medicijnen, waar ik helaas voor was uitgeloot. Bock gaf als chemisch bioloog een aantal colleges over de raakvlakken tussen psychologie en biologie als specialist op het gebied van de werking van medicijnen. De colleges waren niet verplicht, maar werden door enkele van mijn docenten wel aanbevolen. Wie ze volgde, kon erop rekenen dat dit doorberekend werd in de beoordeling bij sommige van de tentamens.
Zoiets liet ik mij natuurlijk niet ontgaan en al spoedig behoorde ik tot de trouwe volgelingen van deze geniale en tegelijkertijd zo charmante en bescheiden man. Door de vragen die ik stelde viel ik de professor blijkbaar op en zo af en toe kon ik na afloop van een colleges een praatje met hem maken. Hoewel ik medicijnen noch chemie studeerde, behoorde ik in korte tijd tot wat men aan de universiteit ‘de Bock-sekte’ of ook wel de ‘Bockenrijders’ noemde. Deze groep bestond eigenlijk uit weinig meer dan wat studenten die net als de professor van mening waren dat het gedrag van de mens binnen afzienbare tijd – nog binnen honderd jaar of minder, want de wetenschap ontwikkelde zich in een steeds sneller tempo – volkomen gestuurd zou worden door de chemie. Had zelfs W.F. Hermans al niet gezegd dat de mens een chemisch proces was als ieder ander? Net als Bock betreurden wij het dat iemand als Buikhuizen indertijd was weggepest door non-valeurs, zoals wij in onze kring dergelijke lieden noemden. De wetenschappelijke ontwikkeling hadden ze gelukkig alleen maar wat op kunnen houden, maar de hoofdlijn ervan konden ze volgens Bock natuurlijk niet verstoren. Als toonbeeld van ouderwetse domheid en bekrompenheid gold in ons groepje dan ook Hugo Brandt Corstius. Niets was erger dan op de jaarclub van ons dispuut voor een ‘Malle Hugo’ te worden uitgemaakt. In het studentenhuis waar ik woonde, veegden sommige corpsleden zelfs soms letterlijk hun kont af met zijn stukjes.
Ik was dan ook zeer vereerd geweest, toen ik na mijn doctoraalscriptie over de instinctieve impulsen achter onze gevoelens ook de complimenten van Bock in ontvangst mocht nemen in een noot bij één van zijn schaarse artikelen. Het exemplaar van Journal of the American Medical Association waar het in stond, koesterde ik als een schat: het was mijn eerste vermelding in de wetenschappelijke annalen. Het gaf mij de moed hem om een onderhoud te vragen.
Hij reageerde tijdens het gesprek bij hemzelf thuis zonder meer positief op mijn verzoek of hij mijn promotor wilde worden. Zelfs liet hij zich daarbij ontvallen dat hij mij bij gelegenheid nog eens had willen adviseren beslist voor een wetenschappelijke carrière te kiezen. Mijn voorstel om in mijn proefschrift zijn bevindingen min of meer te vertalen door er de psychologische consequenties ervan na te gaan, kon hij natuurlijk ook moeilijk afwijzen. Hij voegde er nog aan toe dat hij het altijd prettig vond als iemand uit de niet-exacte hoek zich voor zijn vak interesseerde. Dit vond ik eigenlijk minder leuk, want het herinnerde mij eraan dat ik achteraf gezien na mijn uitloting misschien toch beter biologie had kunnen kiezen. Ook binnen de ‘sekte’ was ik er vaak aan herinnerd dat psychologie een bijna net zo weinig serieus te nemen vak was als sociologie. Hoe kan de overheid van dit land van haar hoger onderwijs een loterij maken, terwijl zij tevens het gokken aan banden probeert te leggen? De thee die zijn vrouw voor mij ingeschonken had, smaakte ineens ongewoon bitter. Ik weet niet in welke mate zijn invloed ertoe heeft bijgedragen dat ik mijzelf thans wetenschappelijk medewerker mag noemen.
De publicatie van The newspeak of genoom in het wetenschappelijk tijdschrift had ook in de gewone pers nogal wat opschudding veroorzaakt en de zaal waarin Bock zijn toelichting zou geven voor het gewone publiek, was al bijna vol toen ik binnenkwam. Ondanks het gure weer had bijna de hele vaderlandse pers er zich al verzameld. Zijn vrouw zat met een groot aantal dames van andere hoogleraren bijna helemaal vooraan. De eerste rij was vrijgehouden voor diverse geleerden uit binnen- en buitenland. Daarachter zaten wat oud-studenten alsook wat trouwe volgelingen. Ik schoof in de rij naast Dirk, een jonge veelbelovende biochemicus met wie ik in de afgelopen jaren een redelijk goed contact had gehad en met wie ik aardig wat had afgeboomd. Hij stelde mij voor aan zijn vriendin, een tengere, Spaans ogende schoonheid, die sterk contrasteerde met zijn eigen uiterlijk, dat een stevig voorbeeld van Neerlands welvaren was.
Ongewild moest ik weer aan Francien denken, al leek zij er slechts in de verte op. Francien had nog niet zo lang geleden haar verloving met mij uitgemaakt, om mij in te ruilen voor een ingenieur die zij volgens haar zeggen op haar werk had ontmoet. De pijn van het verlies voelde ik nog elke dag.
Ik kende Francien al van de middelbare school, maar pas tijdens mijn studie
had ik echt contact met haar gekregen omdat ze toevallig in dezelfde studentenstad
was terechtgekomen en ook nog eens lid was geworden van dezelfde vereniging.
Het had niet onmiddellijk geklikt, maar, naar mijn idee althans, we waren geleidelijk
naar elkaar toegegroeid. Onze laatste studiejaren waren we samen opgetrokken
en nadat wij beiden ongeveer gelijktijdig waren afgestudeerd, waren we samen gaan
wonen. Of liever gezegd: was ik meer definitief bij haar ingetrokken. Na een
klein jaar hadden we ons verloofd.
Juist toen ik aan het rondkijken was naar een
wat ruimere behuizing, had zij er ineens de brui aan gegeven en was ze op wereldreis
gegaan met een ingenieur die voor haar nota bene zijn gezin verlaten had. Aan
mij was zelfs de ongevraagde taak toegevallen om diens ex-vrouw op te vangen,
iets waar ik begrijpelijkerwijs weinig van terecht bracht. Wel waren we een keer
uit wraak met elkaar naar bed geweest, maar dat had de wond eigenlijk alleen maar
dieper gemaakt. Ik kon mij goed voorstellen waarom de klootzak de voorkeur had
gegeven aan mijn Francien boven zijn eigen vrouw.
Onder applaus schreed professor Bock binnen,begeleid door de rector magnificus,
wiens kale schedel van trots leek te glimmen. Eindelijk had ook zijn nog relatief
jonge universiteit eens een geleerde van betekenis opgeleverd! Bock zelf liep,
gekleed in een pak dat ik nog nooit gezien had, zonder op of om te kijken recht
op de katheder af, die op een klein podium stond. Hoewel ik schuin achter haar
zat, kon ik zien dat zijn vrouw er met een rood hoofd bij zat. Ondanks zijn
tamelijk kleine gestalte stond de professor er statig bij toen hij zijn keel schraapte
en nog een slokje water nam, voordat hij met zijn lezing begon. Dit moest ongetwijfeld
het moment van zijn leven zijn. Jarenlang had hij tegen de stroom in moeten
roeien en vaak genoeg waren zijn voorstellen door het universiteitsbestuur afgewezen.
Menigmaal ook had zijn instituut te kampen gehad met bezuinigingen van de overheid.
In een enkel blad was zelfs zijn functioneren wel eens aan de orde gesteld.
Wanneer het biochemische concern Bioterm, waar hij een adviserende functie had,
hem niet in de gelegenheid had gesteld, zijn proeven alsnog uit te voeren, was
deze grote dag waarschijnlijk zelfs nooit gekomen.
Hij rangschikte zijn papieren
nog eens en streek door zijn nog nauwelijks grijzende haar. Het was vrijwel stil
geworden. Alleen achterin de zaal rumoerde het nog wat. Maar daar zat dan ook
zo op het uiterlijk afgaande een groepje progessievelingen van het oude stempel,
bestaande uit wat lieden voor wie de wereld na 1968 à 1969
stil was blijven staan. Al waren sommigen zo te zien pas tijdens de bezetting
van het Maagdenhuis verwekt.
Ik moet eerlijk toegeven dat ik het begin van zijn toespraak maar moeilijk kon volgen. Bock was geen begenadigd spreker en het was maar goed dat ik zijn artikel in The Lancet grondig had bestudeerd. Onder het motto ‘Darwin voorbij’ gaf hij daar min of meer een resumé van. Naarmate zijn rede vorderde, kwam hij echter op dreef. In zijn uiteenzetting verwees hij herhaaldelijk naar de onderzoeker Ben Jacob, die hem op het spoor had gezet. Ere wie ere toekomt, dat is typisch professor Bock. Deze Israëlische geleerde was aan de hand van zijn studies van kolonies bacteriën tot de conclusie gekomen,dat er niet alleen willekeurige, maar ook gerichte mutatie bestond. Dat was vloeken in de kerk, maar dan in die van Darwin. De naam Jacob werd onder biologen hooguit fluisterend uitgesproken.
Een genoom kan zichzelf veranderen door genetisch materiaal via chemische weg
met elkaar te laten communiceren, legde Bock uit. Door uitwisseling en aanpassing
bij elkaar ontstaat dan zelftransformatie in clusters bacteriën. Je zou het
een vorm van intelligentie kunnen noemen, want het betreft hier geen willekeurige
mutatie zoals volgelingen van Darwin slechts voor mogelijk houden, maar zelfontworpen
veranderingen via cybernetische elementen in de plasmiden. Bacteriën waarschuwen
elkaar voor gevaar, bijvoorbeeld tegen antibiotica, waartegen ze na een leerproces
op den duur dus resistent worden. Ook kan nieuw genetisch materiaal ingebracht
worden bij andere organismen, bijvoorbeeld bij planten. Communicatie, samenwerking
en verandering zijn de wachtwoorden bij deze zelfverkozen genetische manipulatie,
vatte Bock samen. Tot zover kon ook ik het redelijk volgen. Hoe weinig conventioneel
ook, echt controversioneel was het – maatschappelijk gezien althans – nog
niet.
Maar in zijn eigen experimenten was Bock verder gegaan. Waarom immers zou
genetisch materiaal van hogere organismen zich per definitie anders gedragen?
In de laboratoria van Bioterm was hij erin geslaagd de cybernetische elementen
uit de plasmiden van ook andere organismen met elkaar in genetisch contact te
brengen. Niet alleen bacteriekolonies, maar ook virustammen had hij daarbij gebruikt
als intermediair. Op termijn zou dit kunnen leiden tot het creëren van niet
alleen geheel andere soorten lagere organismen, maar zelfs tot het ontstaan van
totaal nieuwe hogere schepselen. Wezens dus door de mens geschapen, die beter
toegerust konden zijn dan de mens zelf!
Dirk naast mij liet een kreet ontsnappen en ook in de rest van de zaal was
opwinding ontstaan. In het gangpad stond plotseling een man met een baard die
zijn vuisten balde en schreeuwde: ‘Wee,Babylon!’
Het duurde even voordat
de suppoosten de man hadden weten te verwijderen en het kabaal verstomd was. Professor
Bock was duidelijk van zijn stuk gebracht en het duurde enige tijd voordat hij
zonder hakkelen verder kon.
Mijn aandacht was echter afgeleid. In een flits meende ik ergens achteraan Francien gezien te hebben. Ik draaide mij nog een paar keer om, maar zag niets meer. Ik moest het wel als een zinsbegoocheling beschouwen, die aan weinig anders dan aan liefdesverdriet toegeschreven kon worden.
‘.... dat de anti-agressiepil een mislukking geworden is,’ hoorde
ik Bock weer zeggen. ‘Men heeft het dan ook langs de verkeerde weg gezocht.
Wij zijn inmiddels verder, al heeft ons middel nog slechts de uitwerking van
een an-afrodisiacum.’
Hoorde ik dat goed? Was Bock er in samenwerking met
Bioterm in geslaagd een anti-liefdespil te maken, een tegengif tegen liefdesverdriet?
Hoezeer zou juist mij zo'n medicijn van pas komen! Even gespannen als de rest
van het publiek hoorde ik Bock weer aan.
Terwijl sommige journalisten blijkbaar met hun zaktelefoon al naar hun redacties belden, ging de hoogleraar dieper in op zijn geneesmiddel tegen afrodisie. Proeven op soldaten en prostituanten hadden inmiddels geleerd dat de seksuele aandrift in feite niet minder werd, maar wel de begeleidende gevoelens, met als gevolg dat het driftleven toch werd ingeperkt, omdat de bijkomende emotionele bevrediging uitbleef. Een experiment op een aantal pedofielen had ook zekere resultaten opgeleverd, al moest gezegd worden dat uitgesproken lustmoordenaars voorlopig nog onbehandelbaar bleven. Hij, Bock, achtte het echter niet uitgesloten dat binnen afzienbare tijd ook het verschijnsel 'seriemoordenaar' tot het verleden zou gaan behoren.
Er lag nu duidelijk triomf in zijn stem. Demonstratief haalde de geleerde een
pillendoosje uit zijn zak en hield dit omhoog. Als uit één
mond ging er een zucht van verbazing door de zaal. Fotografen snelden toe om
Bock en zijn wondermiddel vast te leggen. Een enkele journalisten zocht al de
uitgang op om zijn deadline nog te halen en zo zijn collega's de loef af te
steken met een primeur. Nadat de rust weer wat was teruggekeerd, ging Bock verder
met zijn vertoog.
Er waren nog wat tijdelijke bijverschijnselen zoals prikkelbaarheid,
concentratiestoornis en duizeligheid en in een enkel geval kortademigheid en een
zekere mate van geestesvernauwing, maar die verdwenen meestal al na enkele uren.
Vergeleken met tal van andere
middelen waren die bijwerkingen niet onrustbarend. Ook werkte het medicijn beter
bij vrouwen dan bij mannen,wat zonder twijfel te maken had met het verschil
in hormoonhuishouding. Het effect bij mannelijke proefpersonen varieerde van 60
tot 80 procent, terwijl dat bij vrouwen opliep tot 70 en onder bepaalde omstandigheden
zelfs tot 90 procent.
Ik droomde een beetje weg. Gezien de gemoedstoestand waarin ik mij bevond, zou ik mij onmiddellijk aanmelden als Bock ook wilde experimenteren bij studenten en dergelijke. Dan had hij meteen een goede referentiegroep. Waarom had hij dat eigenlijk niet gedaan? Mij zou veel leed bespaard zijn gebleven!
Ik luisterde nog maar met een half oor naar de rest van wat Bock zei over zijn
anti-afrotesisch middel. Het ging vooral over de praktische toepassing ervan,
maar dat kon ikzelf ook wel bedenken. Echtscheidingen zouden simpeler verlopen
en niet zoals zo vaak ten koste gaan van kinderen, rouwprocessen werden verkort
en ziekelijke vormen ervan voorkomen, trauma's na bijvoorbeeld kindermisbruik
werden deels geneutraliseerd en zo waren er nog wel meer toepassingen te bedenken.
Met
de opmerking dat de paus met deze pil wél tevreden zou zijn, omdat
het celibaat er gemakkelijker mee te handhaven was, kreeg de ontdekker zelfs
nog even de lachers op zijn hand.
De meeste vooruitgang naar Bocks idee kon echter worden geboekt door een efficiëntere
partnerkeuze. Door persoonlijkheidstoetsen en met behulp van de computer konden
de juiste paren bij elkaar worden gebracht en na staking van inname werden deze
dan alsnog verliefd op elkaar. Liefde op het laatste gezicht: het was een ware
triomf van de menselijke ratio; het primitieve reptielen- en amfibieëndeel
van ons brein was definitief het zwijgen opgelegd.
‘Hoor je dat?’ Dirk stootte mij aan.
Mij was niets bijzonders opgevallen,
maar dat kwam misschien omdat ik even had zitten te slapen.
‘Hij heeft al paren aan elkaar gekoppeld!’
Ook elders gonsde het
rond. De opwinding in de zaal kwam nu niet meer tot bedaren. Vanuit de groep
alternatievelingen achterin, die zich tot nu toe redelijk rustig had gehouden,
steeg gefluit en gejoel op. Ineens was er ook een bord met ‘Jezus
redt, Bock niet’. Zouden het dan eerder leden zijn van Youth for Christ
dan Groen-Linkse types? Sinds de opkomst van de Evangelische Omroep vermomden
fundamentalistische christenen zich vaak als hippies.
Plotseling zag ik tussen
het groepje protestanten Francien zitten. Nu wist ik het zeker. Of was ze het
toch niet? Ze leek niet op mij te letten. Als het Francien niet was, dan was
het in ieder geval een jonge vrouw die akelig veel op haar leek. Ik stak mijn
hand op, maar ze gaf geen teken van herkenning.
Er waren nu een paar agenten binnengekomen die de ergste herrieschoppers afvoerden, maar het bleef onrustig. De rector magnificus was naar voren gesprongen en zwaaiend met zijn armen riep hij de toehoorders op professor Bock in de gelegenheid te stellen zijn betoog af te ronden.
Het hielp zowaar. Misschien alleen maar omdat de meeste aanwezigen toch zo
nieuwsgierig waren naar wat de hoogleraar in de biochemie verder nog te berde
te brengen had, dat zij zich nog even wisten te beheersen.
Op het puntje van
mijn stoel volgde ik de rest. Francien was ik zowaar even vergeten.
Bock had echter nog maar weinig toe te voegen aan het voorafgaande. Het vervolg
bestond voornamelijk uit een dankwoord aan de directieleden van Bioterm, die
door de jaren heen hun vertrouwen in hem behouden hadden. Omdat het vooral dankzij
hun ondersteuning was dat hij zijn pil had kunnen ontwikkelen, wilde hij tot
slot overgaan tot een kleine demonstratie, al was het alleen maar om te laten
zien hoe veilig het nieuwe middel was.
Onder het toeziend oog van een paar honderd
ademloze toeschouwers haalde Bock langzaam een pil uit het doosje en slikte die
weg met wat water. Even was het doodstil. Bock maakte een buiging ten teken dat
zijn openbaar college afgelopen was. Ik had verwacht dat er wel weer een orkaan
van protest zou opsteken, maar dat viel mee. Het publiek rees op en een bewonderend
applaus steeg op. Dirk en ik klapten onze handen stuk. Zijn vriendin riep evenals
sommige anderen luid ‘Bravo!’ De
vrouw van Bock keek voldaan om zich heen: ook voor haar moest dit een mooie
dag zijn.
De rector magnificus liep op Bock af en begon hem de handen te schudden. Er
gebeurde echter iets eigenaardigs. Bock duwde hem bruusk opzij en stapte van
zijn verhoging af. Het leek wel of het succes ertoe leidde dat hij even van
de wereld was. Wankelend liep hij in de richting van het middenpad. Zijn blik
leek gericht op het oneindige en hij hijgde zwaar. Even zag het er naar uit dat
hij direct door wilde lopen naar de uitgang, maar toen wendde hij zich om en liep
op zijn vrouw af. Ze keerde hem haar wang toe, duidelijk in de verwachting dat
hij haar zou omhelzen. In plaats daarvan begon hij woest op haar in te slaan
onder het uitstoten van de afschuwelijkste kreten. Zijn vrouw krijste als een
varken.
Ook onder het publiek begonnen vrouwen te gillen, hier en daar viel iemand
flauw. Dirk moest zijn vriendin opvangen. Ikzelf verstijfde. Wat hier gebeurde
kon niet waar zijn! Het was of een droom zich bij dag meester had gemaakt van
de werkelijkheid. In een waas zich ik hoe Bock door enkele mannen werd gegrepen
en wild tegenspartelend de zaal uitgedragen werd.
De mensen renden nu door elkaar
heen en liepen tegen elkaar op, waarbij sommigen over elkaar heen vielen.
Overal vandaan leek nu plotseling politie te komen.
In minder dan geen tijd was de hele zaal ontruimd. De paniek had gelukkig geen
slachtoffers geëist.
Wat moet ik nog meer vertellen? De rest is algemeen bekend. Iedereen heeft ongetwijfeld gelezen dat professor Bock met ziekteverlof is gestuurd. Het is nog steeds niet bekend waar hij momenteel verblijft. Dat ‘de pil van Bock’ nog steeds niet in de handel is, weet ook iedereen. Het onderzoek naar de handel en wandel van Bioterm, dat is ingesteld na kamervragen, is nog steeds niet afgerond. Ik denk ook niet dat de uitslag daarvan snel bekend zal worden, zeker niet nu aan het licht is gekomen dat ook de overheid banden met het bedrijf onderhield, zoals Vrij Nederland onlangs onthulde.
Wat natuurlijk niet iedereen weet is dat ik buiten werd opgewacht door Francien.
Ik had mij dus niet vergist. Zij was net terug van de Bahama’s, waar ze
slaande ruzie had gekregen met haar ingenieur. Wat ik aan moet met haar verhaal,
weet ik nog steeds niet. Zou zij echt behoord hebben tot de groep die Bock gebruikt
heeft voor zijn proeven? Had een in wezen toch zo hoogstaand mens zich echt
laten verleiden tot misselijke activiteiten en zich dus ingelaten met experimenten
die mij mijn liefdesgeluk hadden gekost? Of is dit slechts een excuus voor haar
ontrouw?
Ik weet nog niet of ik op haar toenadering moet ingaan. Ik moet er nog
eens goed over nadenken, ik weet niet eens meer of ik nog wel verliefd op haar
ben. Op dit moment komt de liefde wel op de laatste plaats. Eerst moet ik een
nieuw onderwerp voor mijn dissertatie zien te vinden. En hoe komt het toch, dat
ik geen thee meer kan verdragen?
Redactie
Dick van Zijderveld
(hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum
Redactiemedewerkers
Thierry Deleu
Redactie
redactie@opspraak.net
www.opspraak.net
insturen kopij: klik hier
ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein