o

Winnaar
Nieuwegeinse Literatuurprijs 2009

Wilma Hollander

Vergane glorie

De oude man brengt zijn hand omhoog. Hij vertrekt zijn lippen,
alsof hij weet dat hij zou moeten glimlachen, maar er
niet zeker van is hoe dat moet.
Vroeger zou hij het hebben geweten. Vroeger, toen hij een
jonge man was en op de kade stond, zijn zwarte haar wapperend
in de wind, zijn grove knuisten stevig gesloten om
het dikke touw van zijn vissersboot. In die tijd was zijn lach
brutaal en verleidelijk charmant. Als hij zijn boot afmeerde,
zag je de meisjes uit de stoffige huisjes van het dorp tevoorschijn
komen. In groepjes paradeerden ze giechelend over
het havenhoofd heen en weer, hun hoofden verlegen afgewend,
maar hun donkere ogen steels gericht op de knappe
zeebonk, wiens gulle lach ’s nachts hun onrustige dromen
binnendrong.
Daar, aan dat wankele tafeltje in de oude taverne, dronk hij
zijn tsipouro, vertelde hij sterke verhalen over huizenhoge golven,
over masten die knakten in oorverdovend natuurgeweld.
Onder het felle neonlicht zong hij uit volle borst de liederen
van het vaderland, zichzelf begeleidend op zijn met ivoor ingelegde
bouzouki. Wanneer de nacht nog slechts een handvol
kameraden telde, danste hij tussen de scherven op de twee
vierkante meter voor het tafeltje, zijn hoofd gebogen naar de
grond, op zijn netvlies de beelden van andere knappe zeebonken,
hun doodsschreeuw nog nagalmend in zijn oren.
Soms, door de wazige nevelen die nu zijn brein beheersen, ziet
hij zichzelf verscholen in de bergen achter het dorp, hoort
hij opnieuw het geluid van dreunende vliegtuigen. Voelt hij
de kou die langzaam zijn lichaam verstijfde als hij, weerloos
weggekropen in zijn hol, wachtte op het vallen van genadeloze
bommen. Hij had het overleefd. Hij wél... In de jaren
die volgden had hij machteloos moeten toezien hoe het land
veranderde, zich boog onder een regime dat niet het zijne
was. Aan het tafeltje in de taverne werd nog steeds gezongen.
Andere liederen, andere woorden. Hij zong ze mee, maar niet
uit volle borst. Hij had geen keus. Te veel achterdocht, te veel
gefluister in donkere hoekjes, te veel nieuwe graven op de
begraafplaats van het dorp.
’s Nachts voer hij uit, zijn boot onschuldig gevuld met netten,
zijn knuisten stevig om het roer geklemd. Vanaf de kade
zagen ze hem gaan, zijn lach brutaal en nog steeds charmant.
Maar in het vooronder, in de kleine ruimte onder de houten
banken, stonk het naar menselijk zweet, naar angst en verdriet.
Het was een wonder dat ze hem nooit hadden betrapt.
Zoveel tochtjes, zoveel wanhopige mensen die hoopten op
een beter bestaan ver van het vaderland. Heel, heel af en toe
bracht de postbode nog wel eens een ansichtkaart met groeten
van lang vergeten namen. Kinderen van kinderen van vaders
die ooit samen met hem aan dit wankele tafeltje hadden
gezeten.
Hoe anders had zijn leven eruitgezien als hij destijds ook was
weggegaan, dit sjofele en vervallen dorp achter zich had gelaten,
het had verruild voor een leven tussen wolkenkrabbers en
ondergrondse treinen. Zou hij daar gelukkiger zijn geweest?
O, hij had het serieus overwogen, zichzelf al zien rondlopen
in een stad die hij alleen kende van foto’s en verhalen.
Toen had het lot Eleni naar zijn dorp gestuurd. Eén blik op
haar en hij was gebleven, de wolkenkrabbers op slag vergetend
door de zoete smaak van een allesoverheersende liefde.
Ach, Eleni, Eleni! Mooie Eleni met je ravenzwarte haar en
felle donkere ogen...
De oude man ziet haar voor zich zoals ze toen was. Zoals
hij haar altijd voor zich ziet sinds ze tien jaar geleden in hun
smalle eigengemaakte huwelijksbed van hem is weggegleden,
haar gerimpelde gezicht uitgemergeld door ziekte en ouderdom.
In zijn met nevel gevulde hoofd is zij het enige wat
hij nog scherp ziet. Iedere nacht, als hij zijn stramme lijf ter
ruste legt, komt ze bij hem, verwarmt ze liefdevol zijn vergroeide
botten met haar soepele jonge lichaam.
Het zal niet lang meer duren voor ze opnieuw samen zullen
zijn. Daarvan is iedereen in het dorp overtuigd. De vrouwen
brengen hem om de beurt een warme maaltijd, die hij
gehoorzaam opeet. Hun mannen drinken ’s avonds aan het
wankele tafeltje in de taverne een tsipouro met hem. Met gesloten
ogen luistert hij naar de liederen die ze zingen, zijn
stijve vingers bewegend over de snaren van een onzichtbare
bouzouki.
Soms, heel soms, als de nacht nog weinig mannen telt, komt
hij achter zijn tafeltje vandaan en danst hij in de oude taverne
een bijna vergeten zeibekiko, zijn hoofd gebogen, de ogen gericht
op een punt in een ver verleden. Dan knielen de jonge
mannen in een kring om hem heen en slaan ze hun handen
ritmisch op elkaar om hem aan te moedigen.
De oude man heft zijn hand. Hij vertrekt zijn lippen, alsof hij
weet dat hij moet glimlachen. Hij weet alleen niet meer hoe.

 



Informatie

info@opspraak.net
www.opspraak.net

ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein