o

Aanmoedigingsprijs
Nieuwegeinse Literatuurprijs 2010

Jolies Heij

Papier

Omdat Philomena zich leeg voelde, besloot ze om een psychiater te consulteren. Het gebeurde haar steeds vaker dat ze naar zichzelf keek als naar een vreemde, of beter gezegd, als een gapend Niets. Een onbestemd wezen, dat je nog geen stuiver zou geven voor de verdiensten van zijn bestaan. Als ze in de spiegel keek, zag ze geen verleden, geen heden en geen toekomst. Ze kwam zichzelf voor als een romanpersonage, dat niet goed uit de verf was gekomen. Ja, het zou best eens kunnen dat ze het slachtoffer was van een derderangs schrijver, die haar al aan het begin van het verhaal even wreed als achteloos had omgebracht.
Zo begon Phenomena aan haar existentiële zoektocht. Op het internet sprokkelde ze de gegevens bij elkaar, die haar een identiteit moesten verschaffen. Voor haar eerste bezoek aan de psychiater kleedde ze zich dik aan, bang als ze was dat die dwars door haar heen zou kijken en zou zien dat ze zo hol als een boom was.
De psychiater huisde in een van de vele kamers, die het gezondheidscentrum aan de rand van de stad rijk was. De muren waren van een oogstekend wit, dat op een rustgevende manier in overeenstemming was met haar identiteitloosheid.
De psychiater was een niet onaantrekkelijke, rijzige man met een lome, slavische tongval. Philomena voelde zich overweldigd door de overdaad aan identiteit, die op haar afstraalde. Ze verafschuwde de man op het eerste gezicht.
Toen ze zich allebei in de comfortabele designstoelen hadden laten zakken, vroeg de psychiater wat de klachten waren. Philomena werkte het keurig ingestudeerde lijstje van angst, depressie, genot- en drankzucht af. „O, en ik masturbeer veel,” voegde ze eraan toe, deels vanuit een venijnige opwelling om te shockeren, deels om te onderstrepen dat er aan haar lichamelijke identiteit in ieder geval niets schortte. Het hoeft natuurlijk geen betoog dat er in Philomena’s identiteitloze bestaan geen plaats voor een man was.
De psychiater stond op en drukte haar de hand. Verbeeldde ze zich of voelde ze iets van existentiële warmte door haar vingertoppen stromen? „Hier kan ik wel mee aan de slag,” sprak hij. „Ik zie u volgende week op het spreekuur.”
De volgende week en in de weken, die daarop volgden, was Philomena druk doende om de psychiater haar gefingeerde leven uit de doeken te doen. Ze vertelde dat haar vader een handelsreiziger in ruste was, haar moeder verpleegster, haar oudste zus sales manager en haar jongste zus lerares. Dat ze de oogappel van haar vader was, wat haar moeder er meer dan eens toe had gezet om in een aanval van withete jaloezie de schaar in haar jurken te zetten. Ze verhaalde van die keer dat haar vader gemeen werd gestoken door een bij. Hij, de man die stond als een zuil, was allergisch voor bijensteken en viel ter plekke krakend om terwijl zijn hoofd opzwol en rood werd als een moerbei. Ze bekende blozend dat ze zich toen in blinde paniek op hem had geworpen omdat ze dacht dat hij dood ging.
Zo reeg Philomena de gebeurtenissen uit haar verzonnen leven aaneen. Maar gaandeweg ging ze zich steeds onbehaaglijker voelen. Ze had nog altijd geen identiteit en hoe meer verzinsels ze opdiste, hoe meer ze vreesde dat de psychiater haar zou ontmaskeren als een leugenaarster, die in feite leeg was als een hologram.
Tot ze op een dag niet meer de kracht had om ook nog maar iets uit haar lege geest op te graven. Ze voelde zich een bedriegster, die de argeloze identiteit van de psychiater schaamteloos voor het lapje hield. Stilte viel als een toneeldoek neer.
De psychiater keek haar vorsend aan vanover het halvemaansbrilletje, dat op het puntje van zijn neus balanceerde. Philomena keek terug in zijn vriendelijke, hondsbruine ogen. Als ogen de spiegels van de ziel zijn, dacht ze, moet hij er wel een hebben.
„Schrijf je?” vroeg hij. Na al die tijd was hij haar ongemerkt gaan tutoyeren.
Philomena slaakte een diepe zucht. Wilde hij soms nog meer verhalen? Ze was de verhalen, die als spinrag in de nok van haar hoofd hingen, kotsbeu.
„Ik wil dat je een gedicht schrijft,” zei hij. „En dat je het dan aan mij voordraagt.”
Philomena fietste naar huis en ging achter een vel papier zitten. Het wit staarde haar aan. Maar toen gebeurde er iets merkwaardigs. Haar binnenste zwol op en de woorden floepten als kralen uit haar mond op het papier. En het gekke was dat ze zich na afloop niet leeg voelde; de woorden bleven maar in haar gemoed rondtollen als pluizige kledingstukken in een centrifuge. Misschien was volume wel de oplossing voor Philomena’s probleem. De poëzie bracht kleur op haar wangen en deed haar borsten voller lijken. Iedere week droeg ze een gedicht aan de psychiater voor, die met een aandachtig en open gezicht luisterde. Voor het eerst had ze het gevoel dat ze bruiste van de zieleroerselen. Ze dichtte over alles waar ze haar vinger op kon leggen, ze dichtte over regen, zon, zomer, winter, weer en wind. In een vlaag van overmoed begon ze over de liefde te dichten. Meer dan tevreden over zichzelf droeg ze de psychiater haar ultieme liefdesgedicht voor. Hij liet haar zwijgend uit. Zijn hand werd als een zielig hoopje door haar goed doorbloede vingers omkneld. Toen ze een week later weer bij het gezondheidscentrum arriveerde, was zijn kamer leeg. Het leek alsof hij nooit had bestaan.
Philomena fietste terug naar huis en ging achter een vel papier zitten. Een traan brandde er een sissend gaatje in, maar het wit groeide meteen weer aan. Philomena staarde naar haar handen, die in dat wit leken op te lossen. Toen verdwenen ook haar polsen, haar armen, haar schouders. Met open mond van schrik voelde ze hoe ze langzaam het papier werd ingetrokken.

 



Redactie

Dick van Zijderveld (hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum

Redactiemedewerkers

Thierry Deleu
Thierry Langeweg

Jos van Liempdt
Pepijn Uljé

 

Redactie

redactie@opspraak.net
www.opspraak.net

insturen kopij: klik hier

ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein