o

Roy Haverkamp

Wildseizoen

De ober was al twee keer langs geweest om de bestelling op te nemen, maar nog had de vrouw geen keuze gemaakt. Ze zat alleen aan een tafeltje en tuurde geconcentreerd naar de menukaart. Met haar rechter wijsvinger volgde ze nauwgezet de beschrijving van de gerechten, af en toe zachtjes voor zich uit mompelend. De rozenrode lippenstift liep in een van de mondhoeken wat naar beneden uit, zodat het leek alsof er een klein druppeltje bloed uit was gesijpeld. Haar kapsel, zilvergrijze haren waarover een lichte lila gloed hing, was zó onberispelijk geordend dat het een pruik zou kunnen zijn.
‘Preskop van wild zwijn,’ fluisterde ze. ‘Met friszure groenten.’
Zij las de kaart zonder bril, wat bijzonder was want zij moest zo te zien ver in de zeventig zijn, misschien wel ouder.
‘Of toch liever wilde hazenrugfilet en schorseneren.’
De vrouw stak, met haar vinger nog steeds op de kaart, zonder op te kijken haar linkerhand in de lucht en liet die pas weer zakken toen de ober aan haar tafeltje stond om haar keuze te noteren. Hij pakte zijn notitieblokje uit de voorzak van zijn witte schort.
‘Het weekmenu voor u, mevrouw?’ vroeg hij.
De vrouw schudde resoluut haar hoofd.
‘Nee, nee. Wild! Wild! We hebben iets te vieren vandaag.’
Ze las de gerechten die ze wilde bestellen op met alle details die op de kaart vermeld stonden, terwijl ze tussendoor steeds even een korte stilte liet vallen als om de belangrijkheid er van te beklemtonen.
‘... gepresenteerd met... sauce royale..., schorseneren..., spruitjes met... spek en... meloesuitjes.... En alles voor twee personen,’ voegde zij de ober ten slotte toe.
‘Vanzelfsprekend, mevrouw.’ zei de ober. ‘Wilt u er misschien iets bij drinken?’
‘Natuurlijk! Rode wijn.’
Nadat de ober een extra bestek op de plaats tegenover haar had gelegd, opende zij haar zachtlederen handtas die op de stoel naast haar lag, rommelde er wat in en haalde een telefoon tevoorschijn. Zij hield hem tegen haar oor en zei zacht:
‘Kom je zo? Het eten is bijna klaar. Ik heb een verrassing.’
Behoedzaam leunde zij achterover in haar stoel en een glimlach verscheen op haar gezicht. Met een paar handbewegingen verwijderde zij een onzichtbaar pluisje van haar witte satijnen blouse. Zij keek om zich heen; het restaurant was behoorlijk vol en lawaaiig, maar zij scheen zich dit nauwelijks bewust te zijn.
De ober bracht twee glazen wijn en vroeg of het gerecht opgediend kon worden of dat zij nog even wilde wachten.
‘U kunt opdienen, hij komt er zo aan,’ zei ze.
Hij keerde bij haar terug met twee borden die hij met een servet vasthield en in een vloeiende, elegante beweging op tafel zette.
‘Voorzichtig, mevrouw, de borden zijn nog heet.’
Hij bleef naast haar staan en begon zijn schort los te knopen. Rustig vouwde hij het op, legde het over de leuning van de stoel en nam tegenover de vrouw plaats, met de ellebogen op tafel en de handen onder zijn kin.
De vrouw keek hem aan en begon plotseling te stralen.
‘Ik wist wel dat je zou komen,’ zei ze en vervolgde op fluisterende toon alsof het een samenzwering betrof: ‘Wat heb je gezegd? Je hebt vast een goede smoes verzonnen, want als ze wist waar je heen ging zou ze je nooit hebben laten gaan. Ach, je bent altijd al goed geweest in uitvluchten, dan weet ik natuurlijk als geen ander! Ze moet niet denken dat zij de eerste was, en vermoedelijk ook niet de laatste. Het wildseizoen duurt het hele jaar, dat zeg je toch altijd?’
Ze zweeg even en zei toen monter: ‘Maar ik ben je verjaardag niet vergeten! Nog nooit! Ik heb haas gemaakt, daar hou je toch zo van? Al heb je deze haas dit keer dan niet zelf geschoten.’
‘Laat het u smaken,’ zei de man tegenover haar.
De vrouw sneed een klein stukje van haar vlees af en stak het in haar mond.
‘Ze hebben me zo’n moderne telefoon gegeven, zodat ik kan bellen als ik verdwaald ben, maar ik weet niet hoe die werkt! Ze proberen me gewoon gek te maken, met allerlei verhalen.
Weet je wat ze verteld hebben? Ze hebben me verteld dat je dood was en dat je al lang begraven was, zodat ik er niet heen kon. Dat vind ik zo erg. Zo gemeen. Maar daar trap ik niet in.’
‘Eet u nog wat,’ zei de man.
De vrouw deed wat schorseneren op haar vork en bracht die naar haar mond, maar halverwege stopte ze die beweging en liet de vork langzaam zakken.
‘Ik vind het zo verschrikkelijk dat ik er niet was. En al die anderen natuurlijk wel... Maar ik wist het niet, echt niet...’ Haar stem stokte. ‘Heb je me gemist?’
Ze staarde een poosje naar de man tegenover haar en zei toen, bijna toonloos:
‘Eigenlijk ben je een enorme klootzak. Dat heb ik stilletjes altijd al geweten.’
Ze boog zich over haar eten en nam met trage bewegingen nog een paar happen voordat ze haar bestek diagonaal op haar bord legde.
De man, die zonder van het eten te proeven aan tafel had gezeten, stond op en knoopte de witte schort weer om.
‘Was alles naar wens, mevrouw?’
Ze knikte afwezig zonder op te kijken. Hij begon af te ruimen; de wijn stond onaangeroerd, haar glas liet hij staan.
De vrouw omklemde met haar hand de steel van het wijnglas en bleef er uitdrukkingsloos naar kijken.
‘Uw taxi staat voor, mevrouw. Zal ik alles maar op de rekening zetten?’ De ober stond weer naast haar.
Zij keek hem boos aan.
‘Waar bleef je nou? Alles is koud geworden.’
Hij ondersteunde haar voorzichtig bij het opstaan, hielp haar in haar jas, pakte haar handtas van de stoel en begeleidde haar stapje voor stapje naar buiten.
‘U bent erg vriendelijk,’ sprak ze tegen hem en liet zich op de achterbank van de auto zakken.
‘Tot volgende week, mevrouw,’ zei hij, terwijl hij haar tas zachtjes op haar schoot legde.

(winnaar NLP 2008 - proza)

 

 



Redactie

Dick van Zijderveld (hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum

Redactiemedewerkers

Thierry Deleu
Thierry Langeweg

Jos van Liempdt
Pepijn Uljé

 

Redactie

redactie@opspraak.net
www.opspraak.net

insturen kopij: klik hier

ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein