Nils Hav
Help
(Vertaald door Jan Baptist)
Jaja, ze woonde samen met Tipo Pazakis. Asger hoort het
haar aan de meisjes vertellen, op zo’n gezellige zondagavond voor de tv
met ranja en snoep. Pazakis is er op met zijn smachtende liedjes die de lucht
om hem heen doen smelten. Jaja, met hem heeft ze samengewoond, jaren gele-den.
‘Dat weet je best.’
‘Doris,’ zegt hij, ‘nee, daar heb ik je nooit over gehoord.’
‘Jawel. Ik was hun kindermeisje.’
‘Wanneer was dat?’
‘Vlak voordat wij elkaar hebben ontmoet.’
De meisjes vinden het verhaal prachtig. ‘Hoe was hij?’
‘Heel lief, ik hield veel van hem.’ Doris en zij grinniken, ze nemen
meer snoep, liggen lui op de bank. Asger zit in een zware leren stoel.
En dan is het plotseling bedtijd. De meisjes moeten gaan slapen, NU, ze moeten
morgen weer vroeg op. ‘Naar bed en welterusten!’
Doris gaat mee om hun haren te kammen. Hij kijkt naar Tipo Pa-zakis die nu met
een Amerikaanse presentator over zijn carrière praat. De man wordt oud,
dat kan de glanzende smoking niet verbergen. Zijn goud en diamanten fonkelen,
hij is omgeven door een stralenkrans van succes en praat over zijn liedjes. ‘Je
bent politieker geworden,’ zegt de presentator. ‘We moeten strijden,’ zegt
Tipo Pazakis, badend in het licht. ‘En de liefde niet vergeten,’ zegt
de presentator. ‘De liefde is de sterkste kracht die er bestaat.’ Pazakis
werpt een handkus naar zijn publiek. Het gejubel is eindeloos.
‘Waar heb je hem ontmoet?’ vraagt hij als Doris weer binnenkomt.
‘Hier,’ zegt ze. ‘En daarna ben ik daarnaartoe gereisd, officiëel
als een soort kindermeisje.’
‘Athene?’
‘Nee, Andros, een van de eilanden.’
‘Ging je met hem naar bed?’
‘Natuurlijk,’ zegt Doris, ‘de jaren zestig.’ Ze lacht onnozel,
ze schudt de kussens op en gaat weer zitten.
Haar antwoord geeft hem een mentale opdoffer, dit verandert al-les. Stel je voor.
Er is iets anders op de tv en hij doet hem snel uit. ‘Waarom heb je nooit
iets over hem verteld?’
‘Dat heb ik, heel vaak. Jij was in Hjørring en ik was in Grieken-land,
we hebben elkaar die zomer hier ontmoet en we schreven elkaar. We zijn in november
getrouwd.’
Asger drinkt een slok koude koffie.
‘Ik ga naar bed,’ zegt Doris.
Hij volgt haar naar het toilet. ‘En ondertussen vreeën jullie erop
los daar in Griekenland. Ik dacht dat je een baantje had in een restau-rant of
zoiets.’
‘O, dacht je dat?’
‘Hoe vaak hebben jullie het gedaan?’
‘Wat?’
‘Neuken, verdomme.’
Nu wordt ze kwaad en begint te schelden, ze jaagt hem naar bui-ten en doet de
deur op slot. Buiten blijft hij staan prakizeren. Hoe oud zou Pazakis toen zijn
geweest? Hij loopt naar de kamer om het op te zoeken. In de muziekencyclopedie
staat een foto van de man, jonger en glad in het gezicht. Midden dertig waarschijnlijk,
charmeur. Debuteerde vrij jong, staat er, heeft filmmuziek geschreven.
Doris loopt in haar nachtjapon door de kamer, hij begint op-nieuw.
‘En zijn vrouw, wat wist zij?’
Doris lacht hem uit. ‘Zijn vrouw heet Irin en ze was heel aardig.’
‘Dat waren ze toen allemaal, toch?’
‘Wat ben jij banaal.’
Het maakt hem niet uit, banaal is prima, hij wil dolgraag banaal zijn. ‘Waar
deden jullie het? Op het strand?’
‘Nee.’
‘In huis?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Waar waren Irin en de kinderen dan?’
‘Weg.’
‘Zag ze jullie nooit samen?’
‘Ze was niet pervers zoals jij.’
Doris gaat naar bed. Hij heeft veel zin om mee te gaan, maar hij stelt het nog
een paar minuten uit. Hij schenkt zich een whisky in en staat gebogen over de
encyclopedie te drinken. Hij ziet alles duidelijk voor zich, Tipo Pazakis in Kopenhagen,
vast en zeker in het Falkoner Centrum. En het hotel, Doris met blote benen wachtend
in de vestibule, de portier kijkt haar scheef aan maar laat het gebeuren. Pazakis
komt midden in de nacht binnen met zijn gevolg, Doris werpt zich in zijn ar-men,
hij neemt haar mee naar boven.
Hij valt met het licht aan op de bank in slaap, lichtelijk opgewon-den. Voor het
eerst in lange tijd heeft hij fantasieën, niet iets wat hij zich achteraf
herinnert behalve de onrust, als een soort blijdschap.
Die maandagochtend staat hij vroeg op. Hij is als eerste op zijn werk bij de uitgeverij
en loopt door de verlaten gang naar zijn kantoor. Hij hoort de anderen hun plaats
innemen; de post arriveert met de ge-bruikelijke stapel manuscripten, hij haalt
een paar voor zichzelf. Ont-roerend om door die slaapwandelaarsachtige hartverscheurende
pogin-gen te bladeren. Vindt hij vandaag.
’s Middags heeft hij twee afspraken, de een met een meisje dat een bundel
interessante gedichten heeft geschreven. De vraag is of ze rijp genoeg is voor publicatie.
Ze praten drie kwartier met elkaar, ze heeft voor de gelegenheid behoorlijk wat
aandacht aan haar uiterlijk be-steed, maar eigenlijk is ze lelijk en een beetje
in verval door haar leeftijd. Ze is 33, constateert hij achteraf. Maar ze beargumenteert
haar gedich-ten goed, wil iets.
Ze nemen afscheid buiten zijn kantoor, met zijn handdruk belooft hij een voortzetting
van de samenwerking. ‘Je hoort van ons,’ zegt hij.
Op weg naar huis koopt hij een lp van Tipo Pazakis, de oudste die in voorraad
was, uit 1969, Love Songs. De meisjes lachen hem uit als ze hem in de keuken zien
liggen, Doris is nog niet thuis. Hij zet de plaat op en zet het geluid zo hard
dat de akoestische gitaar en Pazakis’ prachtstem de hele woning vullen.
Hij wast de groentes, schilt aardappelen. Doris doet de deur open, ze komt met
openhangende jas naar hem toe, warm in het gezicht na de fietstocht of wat ook.
Hij krijgt een vluchtige kus op zijn wang en hij legt een natte hand onder haar
jas tussen haar schouderbladen.
‘Tipo,’ zegt ze lachend.
Onder het eten luisteren ze weer naar de plaat. En na het nieuws, als de meisjes
naar bed zijn, doet Doris de tv uit en zet Pazakis weer op. Hij trekt een fles
wijn open. Ze luisteren steeds maar weer naar de lp.
‘Waar zingt hij over?’ vraagt Asger.
Het lukt haar niet de juiste woorden te vinden. ‘Ik weet het niet,’ zegt
ze.
Ze gaan helemaal op in de muziek terwijl de wijn zijn werk doet. Hij bedenkt dat
hij nu de leeftijd heeft die Pazakis toen had, maar hij heeft niets bereikt. Helemaal
niets. De meisjes op kantoor lopen weg als hij ze aanraakt. De auteurs die langskomen
zijn beleefd, dat moeten ze wel, maar ze minachten hem uiteraard. Hij redigeert
hun geschriften, op zijn best kan hij voorkomen dat hij iets vernielt.
‘Tijdens de junta toen,’ vraagt hij na een lange stilte, ‘hoe
was dat?’
‘Wij zaten in een uithoek van het land,’ zegt ze.
‘Anderen vluchtten of zaten in de gevangenis…’
Hij kan er zich niet eens zelf aan ergeren. Je gedekt houden is norm geworden,
niet waar. Je vindt je plekje en dat wordt een gewoonte. Uiteindelijk maakt het
niet meer uit. Hij begon bij een kleine uitgeverij met idealen, het werd gekocht
door een grotere uitgeverij met kapitaal, niemand protesteerde. Want er waren
geen idealen meer om afstand van te doen.
Zo gaat dat, denkt hij.
Doris draait de plaat om en zet hem weer op.
‘Hoe was hij? Hij neukte je helemaal plat?’
‘Ja,’ zegt ze.
‘Jij was zeventien en hij zevenendertig. De olifant en het elfje. Hij kreeg
jouw eerste natte sappen.’
De woorden glijden volkomen onverschillig uit hem.
‘Ik kwam jou tegen,’ zegt ze.
Ze valt bijna in slaap. Hij drinkt, hij drijft reddeloos rond. De boe-kenkast
staat barstensvol boeken, hij leest er nooit meer in.
Ze gaat naar bed.
Hij gaat naar de wc, bestudeert zijn nagels. Hij rommelt met de wasmachine. Hij
verlangt naar zijn vroegere lust.
Hij komt de slaapkamer binnen met een keiharde erectie. Boort zich in haar. Roept
klagend als iemand die volslagen hulpeloos is. Ze doet haar knieën omhoog,
ze helpt hem. Terwijl de lp maar ronddraait op de grammofoon en de luidsprekers
de kamers vullen met een zacht knetterend gesuis.
Dan doet het apparaat weer een keer zijn werk en tilt de arm uit de groef. Hij
rolt op zijn rug en toont zijn gezicht aan de duisternis.
Redactie
Dick van Zijderveld
(hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum
Redactiemedewerkers
Thierry Deleu
Redactie
redactie@opspraak.net
www.opspraak.net
insturen kopij: klik hier
ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein