Guirlande F.
Zeevonk
Als het filter zacht wordt van de laatste trek duw ik hem
uit in een dekseltje. Ik plet de laatste oranje snippers tabak en staar in de
diepzwarte vlek. Donker, rond en nietszeggend. Als een ingeklapte ster, zo dicht
dat ik er niet meer aan kan relateren. Ik ben Schier. Aangenaam, zou ik willen
zeggen, maar dat is het niet.
Waarom zijn er lichte vlekjes op het oranje papier aan het mondstuk van een sigaret?
Wat is dat voor valse sier? Het geeft een vleug van authenticiteit. Misschien
is het mijn probleem dat ik geen heiligheid meer herken – misschien is
het mijn eigen zuiverheid. Ik ben gelouterd van lust tot onbezonnen zaken, maar
daarmee van iedere lust. En toch, ik vind een zeker genoegen. Het geeft graag,
het ontmaskeren. Het heeft niets, toch geeft het gul. Ik grinnik om mijn eigen
zagen. Het lijkt heel wat als de gedachten malen, maar het is minder dan de aslucht
in mijn neus. Die is nog echt, al is het tijdelijk. Tijdelijk, niet dat het morgenochtend
weg is, wanneer ik moet opruimen voor het bezoek van mijn vriendin. Maar tijdelijk,
want ik open mijn raam en weldra weet niemand nog dat het heeft bestaan.
Ik ontstrijk een lucifer. Zwavelscherfjes schieten in vonken over mijn bureau.
De muizen in de muur haten de rook. Ik ook. Ze trippelen, zijn niet bang om zich
te verraden. Ze zijn gewend aan mij en weten dat ik niets onderneem. Is dat eigenlijk
wel zo? Nee, ik dicht het ze toe. Dat is mijn enige dichterlijke verdienste. Dat
weet ik zelf ook. Ik stel niet veel voor. Ik richt me tot publiek dat zich niet
om mij bekommert. Het zijn slechts muizen, domme uitwassen die niet zouden bestaan
als ik er iets aan zou doen. Maar in plaats van vallen koop ik tabak. Ik irriteer
ze alleen maar. Of waarschuwen ze mij, dat ik mij in mijn graf rook? Nee, ik dicht
het ze weer toe. Leer ik dan nooit? Het is een onbegonnen zaak, de dichter is
onverbeterlijk.
Ik heb eens gelezen dat je van roken impotent wordt. Het is niet waar, dat weet
ik. Wel geloof ik het omgekeerde. Alleen impotente mensen roken. Het is een kwestie
van niets doen, of zo weinig doen als het minste moeite kost. Waarlijk niets doen
is óók een kunst, zie de monniken in Nepal. Weerstand bieden tegen
de eigen tijd is nog zwaarder dan meegaan met de vergankelijkheid. Het filter
knispert als ik de smeulende tabak tegen het aluminium druk. Het is een grappige
ontmoeting, als er maar lachvee is. Zoals ik. Ik heb eens gelezen dat zwarte gaten
het gewichtigste van ons universum zijn. Maar ook dat is niet waar. Dat is toch
immers het universum zelf? Niet qua dichtheid, dan geloof ik het wel. Het verpletterende
niets van een zwart gat zal nog dichter zijn dan de leegte van het universum.
Ik kan er alleen niet aan relateren. Een nieuwe zwarte vlek op mijn deksel.
Morgenochtend word ik wakker met het lid op de neus. Het is een gezegde van mijn
moeder. Maar zij zou nooit vermoeden dat ik vaak in slaap val met mijn hoofd op
mijn bureau, dat daar de ondraaglijke gewrichtspijnen vandaan komen. De knopen
in mijn nek en schouders kosten de verzekering een fortuin. Omdat ik de moeite
niet neem om rechtop te zitten. De verzekering is dom. Mijn moeder is wijzer dan
ze weet. Ik neem een slok van mijn thee, maar krijg slechts een koude druppel
op mijn tong. Dat is snel gegaan. Zal ik nieuwe zetten? Ach nee, dan moet ik alleen
maar plassen. Het houdt nooit op, dit lichaam. Het wil maar opnemen, maar houdt
nooit iets vast. Mijn vingers worden stram en koud, ik voel dat de morgen nabij
is. Weldra zal ik met mijn neus de diepte in verdwijnen. Kon ik daar maar blijven.
Maar de morgen is onverbiddelijk. De dichter is onverbeterlijk.
Ik houd mijn gezicht vast, het is nog geen tijd. Mijn vingers warmen aan mijn
wangen. Uitstel, dat is waar ik goed in ben. Als ik het wegvallen uitstel, houd
ik mij ook nog even weg van de terugkeer. De sadist verheugde zich het meest over
de thuiskomst van zijn verloren zoon. Verbergen is onmogelijk, ik zal mezelf altijd
weer vinden. Bijbels als ik ben, Schier.
De muziek valt weg, ik luister hoe de cd werkeloos uitdraait. Ik ben weer wakker.
Ik heb honger, maar ik wil niet naar de keuken. Ik wil de muizen niet storen,
die ik er juist heengejaagd heb. Ze worden gek van mij. Net als ik, trouwens.
Volgens mijn vriendin is er niemand zo demotiverend als ik. Ik weet dat het omgekeerde
waar is, ik kan niet tippen aan de ontmoedigingen van de wereld om mij heen. Maar
dat wil zij niet zien. Dat is precies waarom ze geen haar beter is, al is ze de
mooiste die ik ooit heb gezien. Ze is als Shell, kan overal energie uit putten
en doet dat ook. Maar ten behoeve waarvan? In feite maakt het niet uit of de bronnen
onaangeroerd blijven liggen, of dat een intermediair verplaatsing bewerkstelligt.
Het blijft energie, en de dingen blijven de dingen. Groots, maar betekenisloos:
mijn woorden.
Toch sta ik op en ga naar de keuken. Er zijn geen muizen. Ik wacht tot het water
kookt en schenk het met kalkschilfers in mijn beker. Natuurlijk moet ik nu plassen.
Was het maar zomer, dan was het warmer. Uit recalcitrantie dompel ik een zakje
zomerthee. Lang geleden gekocht, natuurlijk nooit gebruikt. Bijzondere thee gedijt
bij mij als bijzondere boeken. Verdomd, dat klinkt best goed. Zou ik het gejat
hebben? Waarschijnlijk van Oscar Wilde. Ik durf te wedden dat het bij hem iets
anders betekende. Ik zet mijn thee naast het dekseltje en pluk een trui van mijn
leuning. Het is een lomp ding en als ik hem aantrek word ik nog lelijker. Maar
dat maakt niet uit, want niemand ziet mij behalve ikzelf, en ik vind het niet
erg. Ik schep juist genoegen in ontmaskering, ook als ikzelf in het geding ben.
Als mijn woorden stollen wordt het lastiger voor mij om de leegte te accepteren.
Er moet toch iets gebeuren, lijken ze me te zeggen. Ik steek een nieuwe sigaret
op en adem de dood in. Het is niet waar, de woorden zijn bedrieglijk en hoe langer
ze bij me blijven, hoe meer ik geneigd ben ze te geloven. Misschien moet ik niet
teruglezen wat ik schrijf. Dat zou beter voor me zijn, daarvan ben ik overtuigd.
Maar betrap mij er eens op te handelen naar mijn overtuigingen. Dan zou het pas
erg met me gesteld zijn, dan tuin ik in mijn eigen valkuilen. Misschien slaap
ik vanavond nog in bed. De nicotine tintelt in mijn schouders en ik zak tegen
mijn rugleunig. Er gebeurt dus toch iets. Ik heb eens gelezen dat roken verslavend
is, maar ik weet dat het niet waar is. Dat is te veel eer aan het hof van de tabaksindustrie.
Alleen slaven beginnen met roken. In tegenstelling tot wat velen geloven is de
sigaret niet dichterlijk. Hij richt zich immers tot een horig publiek.
Waar ben ik mee bezig? Het is een eerlijke vraag. Dat is één ding
dat ik waardeer in mijzelf, dat ik mij in de eerlijkheid begeef. Dat ik niet,
zoals ieder om mij heen, mijn ogen sluit voor het nietszeggende. Zolang ik wakker
ben, tenminste. Misschien waak ik meer dan goed voor mij is. Mijn moeder zou het
beamen als ze wist hoe ik leef. Niemand heeft gezegd dat waakzaamheid een deugd
is. Maar wat dan nog? Sinds wanneer geef ik om deugdzaamheid? Ik geef helemaal
niets. Ik neem alleen maar, en laat mij alles wat ik heb genomen weer ontvallen.
Ik ben niet behoudend, en daarom kan ik niet relateren aan het gewichtige dat
zich in mijn nabijheid ophoudt. Ik ben niet beter dan mijn vriendin, maar ik ben
wel eerlijk.
Bij nader inzien wil ik mezelf ook zo niet kennen. Ik drink mijn zomerthee, die
is al lauw. Op het internet heb ik eens een test gedaan, die me vertelde dat ik
egocentrisch en manisch depressief was. Ik geloof het niet, maar vraag me wel
af of dat de manier is om om te gaan met mensen die echt manisch depressief zijn.
Je bent niet alleen ziek, maar nog een rotmens ook. Over manieren gesproken. Nu
ja, manieren, wanneer je eenmaal tot handelen overgaat – en wie doet dat
niet, behalve de monniken in Nepal? – ontkom je niet aan de een of andere
manier. Ja, je kunt het woord vermijden. Dan doe je de dingen op een bepaalde
wijze. Maar dat lijkt me nog hoogmoediger, te zeggen dat ik wijs ben in plaats
van gemanierd. Manieren zijn nog te leren voor het stomste schimmel op de aardkorst.
Zoals ik. Wijsheid is niet voor iedereen weggelegd.
Ik heb nog steeds honger. Waar haalt het lichaam de energie vandaan? Het is wat
dat betreft even ondoorgrondelijk als mijn vriendin. Maar ik weiger te eten, want
ik heb wel eens gelezen dat we, wat de pseudopsychologen ook zeggen, alleen energie
kunnen halen uit voedsel. Het is een kwestie van doorzetten, niet door de zure
appel heen bijten dus. Nog even en dan heb ik er geen last meer van. Ik neem twee
sigaretten uit hun verpakking en houd de filters naast elkaar. Het verbaast me
nog dat de lichte vlekjes niet precies hetzelfde patroon aannemen. Dat lijkt me
echt iets voor de tabaksindustrie: het precieze patroon te hebben achterhaald
dat een optimaal authenticiteitseffect genereert en dat aan iedere sigaret op
te leggen. Maar misschien zijn ze voorbedacht op mijn onderzoekje en is niet iedere
sigaret maar ieder pakje identitiek. Bij dezen doorstaan ze de klootzakkentest,
ik breek vanavond geen nieuw pakje open om mijn punt te bewijzen. Ik ben Schier.
Ik zou de woorden willen terugnemen, maar dat doe ik niet. Natuurlijk zijn de
fabricanten niet zo zorgvuldig, op dit niveau heeft slordigheid veruit het economische
voordeel. Het publiek is immers al blind en horig. Wat ben ik stom, dat ik de
gedachte helemaal heb laten lopen. Maar dat geldt natuurlijk voor iedere gedachte.
En eigenlijk is het ook niet zo stom, want voor iedere gedachte die ik onderbreek
komt een nieuwe, die even nietszeggend is. De dichter is onverbeterlijk.
Als ik deze sigaret op heb zitten er nog elf in mijn pakje. Dat is een priemgetal.
Zal ik het daar voor de rest van mijn leven bij laten? Zal dit mijn laatste zijn?
Säkerhets Tändstickor staat er op het luciferdoosje. De Zweden gebruiken
de zwavelstokjes om tussen hun tanden te wroeten. Het tamme volk. Zij hebben de
macht niet nodig, om zelf vuur te kunnen maken. Ze hebben immers Thor, die ze
bedient wanneer ze willen roken. Thor, is dat niet oud-Duits voor dwaas?
Opnieuw zwijgt mijn cd-speler, blijkbaar is weer een half uur verstreken. Ik wordt
het wachten nooit moe. Werd ik het maar! Dan zou het snel afgelopen zijn. Niet
dat ik mijn vriendin achterna zou gaan, want denk maar niet dat zij wezenlijk
iets anders doet dan wachten. Nee, mijn grootvader, van wie ik overigens niet
veel verschil. Hij was zestig toen hij dood in zijn schemerstoel werd gevonden.
Klaar was hij ermee, zijn eindeloos gebed beëindigd door verkeerd geplaatst
rattengif van grootmamma. Zij wendde dementie voor en wordt nog altijd ouder in
een verpleegtehuis.
Mijn sigaret plakt aan mijn onderlip. De rook prikt in mijn oog. Natuurlijk kan
ik het niet weerstaan. Ik begin te kuchen en wek de muizen. As valt op mijn papier.
Ik veeg het uit en lees de woorden onder de grijze strepen. Misschien slaapt Schier
vanavond nog in bed.
Redactie
Dick van Zijderveld
(hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum
Redactiemedewerkers
Thierry Deleu
Redactie
redactie@opspraak.net
www.opspraak.net
insturen kopij: klik hier
ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein