Yvonne Gillissen
Het stenen woud
Manja Sadovska hield van vuur.
Overdag had ze langs de rivier een voorraad van takken en afvalhout verzameld
en aangesleept. Toen de avond viel had ze alles opgeborgen in de betonnen nis
onder het viaduct waar auto’s in een afgrijselijk tempo overheen dreunden.
Het stadium dat haar hoofd er van bonkte was allang voorbij, al waren er dagen,
zoals vandaag, dat ze haar bloed zowat tegen haar schedelwand voelde klotsen.
Straks zou Jan 2 komen, dat maakte haar nerveus.
Hij zou zijn caravan komen inspecteren en weer wat spullen ophalen, zo liet hij
haar geloven. Ze perste haar lippen tot een witte streep en broedde op nieuwe
gedachten.
De waterige kou had geen haast om te vertrekken, hij had zijn stek gevonden onder
de kille grijze wattendeken. Met een stok porde ze in de knisperende vlammen.
De geur van het brandende hout maakte de omstandigheden voor even draaglijk.
Ze stak haar laatste sigaret op. Een pakje ging er altijd sneller doorheen dan
ze zich had voorgenomen. Ze moest stoppen. Haar huid was grauw geworden en haar
schoonheid verdampte met een onthutsende snelheid van haar gezicht.
Een reiger vloog onder het viaduct en landde naast de betonen peilers op het dak
van de werkkeet van de kunstenaar een eindje verderop. Zijn auto stond er nog
en er brandde licht, waarschijnlijk was hij bezig met het ontwerp van de dierenserie
die deel uitmaakte van zijn opdracht.
Ze overwon haar schroom en sjokte in haar rubberen laarzen naar hem toe. Hoewel
hij gezegd had dat ze naar hem toe komen kon als dat nodig was, had ze gemerkt
dat hij liever niet gestoord werd.
Op zijn terrein stonden in de oprukkende schemer grote gelaste metalen platen
van enkele dieren uitgestald. Ze herkende de contouren van een edelhert, een raaf
en een zwijn. Zijn werk was opgeschoten en ze besloot er wat aardigs van te zeggen.
Toen ze op de deur bonkte duurde het een tijdje voordat hij opende. Zijn ogen
verrieden een lichte irritatie, maar zijn stem klonk vriendelijk zoals altijd.
Een hoofdpijntabletje en ja, ook wat sigaretten kon ze krijgen. Zijn vraag of
ze het niet koud had deed haar smelten maar ze schudde haar hoofd. In plaats daarvan
maakte ze een onhandig compliment over zijn vorderingen.
Hij peilde haar blik en vroeg of ze in staat was hem te helpen de platen enkele
meters te verplaatsen. Ze stalden de metalen dieren een voor een tegen de stenen
stammen onder het viaduct. Ze hijgde en pufte onder het gewicht. Hij schoot in
de lach maar zei verder niets. Het was geen man van veel woorden maar Manja voelde
dat ze hem vertrouwen kon.
Met zijn ogen bekeek hij haar lichaam altijd langdurig en openlijk. Ze wist dat
hij haar mooi vond, maar hij zocht verder geen toenadering.
Nadat ze als laatste het edelhert onder het viaduct hadden gesjouwd dankte hij
haar met een knik. Vanaf een afstand bekeek hij zijn werk. Hij stak een sigaret
op en zakte door zijn knieën naar de grond. Het zou een heel woud vol worden,
hoorde ze hem trots zeggen. Zijn stem werd daarna overstemd door het verkeer dat
in een nieuwe colonne boven hen heen raasde. De geestdrift waarmee hij sprak gaf
zijn ernstige gezicht een vrolijke, aanstekelijke gloed. Ze glimlachte warm en
probeerde de wereld van zijn woorden binnen te dringen. Plotseling stond hij op,
gaf een zwaai als teken van afscheid en liep naar zijn keet. Ze keek zijn krachtige
gestalte na, keerde terug naar de caravan en hurkte bij het vuur dat begon te
doven.
Een nieuwe sigaret zou ze ondanks de kou buiten paffen, besloot ze en liet het
denken over zich heen komen. Ze mocht Jan 2 niet maar ze had hem nodig. Voorlopig
was er geen alternatief.
Teruggaan naar Myslibórz wilde ze uiteindelijk niet. Ze had haar verleden
nu eenmaal de rug toegekeerd. Het westen had een dwingende aantrekkingskracht,
al wist ze eigenlijk niet goed meer waarom. Berlijn had haar weliswaar een aardige
kamer en een goede job als serveerster geboden, echte vrienden had ze er niet
gemaakt. Ze had zich eenzaam gevoeld en net op het moment dat ze met tegenzin
overwoog terug te gaan naar haar geboorteplaats in Polen ontmoette ze de Nederlander
Jan die ze ‘ein Limo und Kuchen mit Sahne’ serveerde op het terras
terwijl de hitte de stad martelde. Twee weken lang bediende ze hem met een horecaglimlach.
Ze begreep dat hij niet voor de menukaart kwam en nadat ze voor de derde keer
een avondwandeling Unter den Linden hadden gemaakt verzocht hij haar mee te gaan
naar Amsterdam.
Het leek de beste optie. Jan was aardig en een baantje als serveerster zou ook
in Amsterdam te vinden zijn. Ze sjouwde haar koffers naar zijn woning en leerde
de eerste maanden de taal met behulp van een CD-rom.
Contact met Nederlandse mensen had ze niet, behalve af en toe wat oppervlakkig
gebabbel in het trappenhuis met een alleenstaande, vaak naar bier ruikende buurman
die zich eveneens Jan noemde. Wanneer Jan overdag naar zijn werk was verzorgde
ze zijn appartement in Amsterdam-Noord en ’s avonds verdroeg ze hem tussen
haar benen. Een geluksgevoel leverde het allemaal niet op en de eenzaamheid kwam
weer terug vanaf het moment dat hij haar begon te overlaadden met dure lingerie.
Toen hij niet lang daarna in de nacht een videocamera te voorschijn haalde spoten
de schaamte en de vernedering met de heftigheid van een vulkaan door haar heen.
Hoewel ze zich dienstbaar opstelde cirkelden haar gedachten door haar hoofd op
zoek naar een bevredigende uitweg.
Jan’s honger naar erotische opnames leek grenzeloos. Toen ze ontdekte dat
hij de bandjes op zijn werk liet zien sloeg de wanhoop toe. In het naburige winkelcentrum
zonk ze onder het gewicht van de boodschappen neer op een bankje en bevrijdde
haar tranen. Op dat moment passeerde de buurman met een kratje bier. Hij ontfermde
zich over haar en al snel was de ridder in hem geboren toen ze vertelde dat ze
ongelukkig was en naar een nieuw adres zocht. Het leek hem echter niet handig
om haar onderdak in zijn woning aan te bieden maar ze kon, als ze dat wilde, voor
onbepaalde tijd op zijn caravan passen die vlak buiten Amsterdam op een terrein
langs de Amstel stond. Van daaruit kon ze dan naar een noodzakelijk baantje als
serveerster gaan zoeken.
De volgende dag, toen Jan naar zijn werk was, pakte ze haar koffers weer in en
liet in gebrekkig Nederlands een kort briefje achter waarin ze schreef dat ze
zich ongelukkig voelde en dat ze hem voorgoed verliet.
In een taxi bracht de nieuwe Jan haar naar zijn caravan. Ze slikte toen ze het
smerige, uitgeleefde wrak zag, maar knikte vriendelijk toen hij haar ingewikkelde
gebruiksaanwijzingen voor een veilig verblijf gaf. Ze moest met het een en ander
voorzichtig zijn, maar ze hoefde zich geen zorgen te maken want hij zou geregeld
langs komen, beloofde hij. Dat gebeurde vaker dan haar lief was.
Hij benutte iedere gelegenheid om haar te bezoeken. Hij bracht de meest uiteenlopende
spullen, stalde ze, haalde ze na enkele dagen weer op en ruilde er nieuwe voor
in de plaats. Daarbij bleef hij lang hangen terwijl ze zijn stinkende adem in
haar nek voelde hijgen.
Haar lippen zogen de laatste nicotine uit de sigaret en vervolgens gooide ze het
filter in de uitgedanste vlammen. Een toeterende auto passeerde langzaam en kwam
tot stilstand. De kunstenaar draaide het raampje open en riep iets. Het was de
eerste keer dat hij uit zichzelf contact met haar zocht. Manja stak verrast haar
hand op en liep aarzelend naar hem toe. Zijn stem klonk geamuseerd en zijn ogen
lachten. Ze begreep dat hij een onschuldig, nietszeggend grapje maakte en lachte
naar hem terug. Hij vroeg haar in de nacht een oogje op zijn dieren in het stenen
woud onder het viaduct te houden en vanzelfsprekend knikte ze. Op zijn vraag of
ze het echt niet koud had, ontkende ze opnieuw verlegen. Hij probeerde haar te
doorgronden en leek iets te willen opperen maar bedacht zich.
‘Dan zie ik je morgenvroeg,’ beëindigde hij het gesprek en zette
zijn auto in beweging richting snelweg.
Morgenvroeg zou hij haar weer zien – het had geklonken als een afspraakje.
In de caravan herhaalde ze zijn woorden waardoor plotseling de kou verdween. Met
een elastiekje bond ze het lange haar in een staart, zocht naar schone sokken,
trok de rubberen laarzen uit en kroop met nieuwe gedachten op het bankje in een
hoek.
Buiten begon het te regenen.
Een aanrijdende brommer zette haar zintuigen op scherp.
Ze ging rechtop zitten en glimlachte koud toen Jan 2 binnenstormde. Het zou nooit
in zijn hoofd opkomen om zijn komst aan te kondigen door te kloppen. De caravan
was zijn eigendom en alles wat zich daarbinnen bevond behoorde vroeg of laat aan
hem, zo leek het.
Hij stalde een kleine kist en een gevulde jerrycan op de grond en zette zijn helm
van zijn hoofd. Woorden vulden de ruimte en tegelijkertijd rolde, toen hij de
ritssluiting van zijn jack omlaag trok, zijn bierbuik naar buiten.
Hij schoof bij aan het tafeltje, vroeg om koffie en maakte zijn plannen kenbaar.
Hij zou uit Amsterdam-Noord vertrekken en elders een woning zoeken. Manja kon
dan bij hem intrekken zonder dat haar ex een verband zou leggen tussen zijn verhuizing
en haar vertrek enkele weken geleden. Ze knikte verbijsterd, hoopte dat ze het
niet goed begrepen had en stond op. Ze stapte over het kistje en de jerrycan.
In het keukentje bereidde ze zijn koffie en merkte plotseling dat hij achter haar
stond. Met een ruk draaide ze zich om. Zijn uitgestoken hand raakte haar buik,
gleed naar beneden en drukte tegen haar kruis terwijl hij haar betekenisvol aankeek.
Haar adem stokte, maar instinctief voelde ze dat ze zich niet verzetten moest.
Ze glimlachte, overhandigde hem de mok en stapte haastig langs hem heen.
Hij dronk zijn koffie en etaleerde zijn toekomstplannen voor beide.
Manja knikte en lachte. Toen hij haar mening vroeg geeuwde ze dat ze wilde gaan
slapen, maar dat ze hoopte hem snel weer te zien. Hij zei haar te begrijpen en
verliet niet lang daarna opgetogen zijn caravan.
Het geluid van zijn brommer stierf weg.
Met onzekere handen stak ze een nieuwe sigaret op. Opnieuw bevond ze zich in haar
leven op een plaats waar ze niet wezen moest. Waar ze wel thuishoorde wist ze
niet, maar ze besefte dat ze vandaag, in het stenen woud, zich even prettig gevoeld
had. Het liefst zou ze daar gewoon blijven totdat de kunstenaar in de ochtend
zijn terrein op zou rijden.
Met haar hand klopte ze tegen haar voorhoofd en smeekte haar hersens om een bruikbare
gedachte. Ze doofde de sigaret en daarbij viel haar oog plotseling op de jerrycan.
Ze schrok.
Een mogelijke oplossing lag in eenvoud voor haar voeten. Ze stond op, draaide
de dop los en rook benzine. Haar hart begon te bonzen maar het duurde een poos
voordat ze haar beslissing had genomen.
Aan het einde van de nacht had ze haar koffers gepakt, onder het viaduct gesjouwd
en verdere voorbereidingen getroffen. Hier in het woud zou ze wachten. Toen het
grauwe ochtendlicht langzaam terrein begon te winnen liep ze terug naar de caravan.
Trillend ontstak ze een lucifer.
Redactie
Dick van Zijderveld
(hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum
Redactiemedewerkers
Thierry Deleu
Redactie
redactie@opspraak.net
www.opspraak.net
insturen kopij: klik hier
ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein