o

Wil Fraikin

Stuur de clowns binnen

Kortvergroeide mooie Micha, onze begaafde kinderpsycholoog, afgestudeerd op het ‘Predestinale Moraalbesef bij Prepubers’ kwam ermee. Mich, brilliante, luie en aantrekkelijke Mich kwam wel vaker naar ons toe met onaffe ideeën. Het jongmens M. met zijn lange wimpers, ongevoelig voor vrouwen met kinderwens. We grinnikten er altijd over en vonden zijn voorstellen, zoals samen trouwen en kinderen maken en onderling uitwisselen bij modderparties of zo, absoluut niet uitvoerbaar: de pakkans was te groot. Klein geschapen Mich die van grotere kinderen hield dan hijzelf was. Oudere kinderen van beiderlei kunne, dat weer wel. Dat nam hem voor ons in. Mooie Mich was onze ideale ideële creditcard tot het egoverantwoorde postinfantiele pedofilisme.
Behalve Micha zaten in dit brilliante complot: Bart (moest ooit toekijken hoe pa en ma met vib- etcetera; hij wist niet hoe snel hij met een beurs na het vwo het huis uit moest om later over te switchen naar kinderpathologie) en ikzelf: bestudeerde clown van huis uit maar maatschappelijk ongewenst: te vaak op z’n lazer gekregen na het ‘Doktertje-spelen’ in de buurt. Geremd ontremd geworden en gevreesd in de hele buurt: moeders haalden hun spruiten binnen en keken mij glanzend aan. Schuin staand met een heupuiteinde tegen de deuropening. Ik zag het wel maar mocht er niets meer mee van mijn moeder. Het had weinig om het lijf. Lange vochtige wimpers, slank met donkere ogen en wist zich geen raad met zijn lijf, vonden die moeders, later, bij het milieu-onderzoek. Het friemelde ook met zijn linker in zijn broekzak, berustten ze uitgeglansd.

Bekaf werden we vaak van het onderzoeken van die smerige fantasieloze kinderpornozaken. Laatst hadden we weer zo’n type: maakte op zo’n teken- en plakprogramma gemanipuleerde kinderkonijnenporno. Verveeld zaten we te kijken, Micha pinda’s knabbelend, Bart met een bobbel in zijn wijde broek met whiskey in de hand en ik? “Dit is geen zaak”, zei ik, (ik had familie- en kinderrecht gedaan): “die gaat vrij uit. No deal man, geilheid van meningsuiting”. Ik ben daar meestal direct in. De rechercheurs dropen af. Ze haatten ons. De veilheid van de vrije genenuitwisseling.
“Jongetjes, we zijn verkeerd bezig”, zei ik, terwijl ik in mijn whiskey staarde en naar de jonge ijsblokjes keek. Langzaam smolten ze. Cambodja was killing toen en Egypte werd vies.
“Jongens”, herhaalde ik, “we zijn verkeerd bezig, ja halloooh! Hee luister nou eens even! Okee, vroegwijze pederasten, effe luisterûh”.
Ze keken me glazig aan. Stel: je hebt iets met paarden en met kleine jonge vrouwen. Okee, je zoekt. Na zo’n 312 of daaromtrent foto’s en films denk je: dit ken ik nou wel. Onze raad vanuit het onderzoeksinstituut voor loslopend vijfhoevig pederasme is: neem een kudde en verkleed je als minishetlander: en lekker rennen wat die knul toen deed! Die blijft er voorlopig uitgeboord in: maar dat is voor de forensischen. Elk z’n eigen stek, trouwens, vinden wij. Daar ga je niet tussen staan. Je gaat niet onder mekaars duiven schieten. Sympathieke lui trouwens, die forenseknullen, maar niet echt high brow. Dat is echt een ander verhaal: moet ik eens over schrijven, voor zo’n amateur-literatuurwedstrijd: kunnen ze smullen. Vinden ze leuk vanuit hun luie verveelde hete gepluchede reet.

Mich: “Okee, te-vroeg-gevallen eikel, had jij het verlossende idee? Nou kom er dan gauw mee, want Iks wil scheiden.”
X was Kutxandra met d’r vruchteloze baarstokken, dit terzijde, zijn mooie vrouw in Calvin Klein klemgezet in zijn Jaguar. “D’r hormonenrollater” grapte Bart altijd. Bart is een viezerik.
“Wil ze niet meer?” zei ik, naar het smeltingsproces in mijn glas kijkend, en denkend aan Massaoudi in Tunis en Aïda in Fez; de restanten vielen tegen: voorlopig nooit meer Djoser. Stoffig was het ook. In die landen schuurde alles. Alles schuurde ALTIJD glijdend tegen een op en neer gaande prijs.
“Wat had jij nou weer voor slim idee” zei Bart en Mich liet een scheet. Mich was ook een viezerik. Bart trouwens ook: Driekoningen was zijn ultieme coming-out.

Nu terugziend weet ik waarom ik het deed: ik gaf ze de oplossing voor na onze onthouding.
Ieder van ons was bezig met een proefschift. Bart lispelde weer: “Je proeft geschift”.
Okee: aan die videobanden was ook geen ene reet meer te zien. Ook dat went op den duur.
En Bart was een viezerik. Nooit kon hij het eens relaxed terugzien. Altijd ondermaats plukken. Gatver: met die jongen kon je echt niet thuis komen naar vrouw en kinders.
Ze keken me meewarig aan. Ik wist, ik kon niet zonder ze. Eén voor allen en alle mooie kinders aan ons. Dit was echt ziek hoor: ik bedoel, ik heb wel vaker goede ideeën, maar deze bleek subliem, zeiden de rechercheurs later.

“Laat horen”, anders bevlek ik nog een echte misdaad, zei Bart. Bart is een viezerd. Micha ging naar de wc. Ik prikte in de jonge Bockworststukjes.
“Okee, luistert: we prikken een dorp ergens in Nederland. We gaan er heen: geven verkleed als clowns een leuke show weg voor de kinderen onder het mom van zeg SBS-zes’; we doen onze dingetjes én nemen alles op video op: dan gaan we weer pleitte. We hebben geile banden en wédden dat die kinderen weer getraumatiseerd naar ons terugkomen: we nemen ze in observatie met clownspakken aan, nemen alles op en genieten na afloop in één ruk dubbel”.

Mij heb ik daarna nooit meer mensen op die manier zien aankijken als Bart en Mich toen. De mengeling van afschuw, geilheid en opperste verbazing: en nog steeds weet ik niet of het mijn idee was of dat ik met mijn abberatie excelleerde: ik bedoel maar: hierover kun je geen proefschrift schrijven. Niemand gelooft je. Mich en Bart zoenden me: ik bloosde en walgde van hun speeksel. Ze zouden dit semi-plenair meenemen in mijn tussentijdse funktionele evaluatieve beoordeling bij het opgedroogde opperkutje bij PZ. Komend salarisjaar en fondsaanvragen waren weer veilig gesteld. Ik kon weer naar de gordel van warm-smaragd.
Mich brak het ijs: “We doen het, whizzkid”. Ik had alles en onszelf al speels uitgedokterd.
“De Logilul” noemden ze me steeds in het instituut. Methodologie was trouwens mijn homestek.

Een nieuwe fles ging open (“Mist X je niet?”: “Kut X” zei Micha) en we hadden echt een goede in-service studieavond. Bart werd dronken: hij mocht met gesloten ogen op de kaart van Nederland aanwijzen.
Het werd Schin-op-Geul. “Te voor de hand liggend” lalde Micha.”Schennis aan de Geul” grapte hij. Vaak wilde hij heel gevat zijn om maar de aandacht te krijgen. Soms vroeg ik me af of ie niet meer met taal bezig was dan met willige verontachtzaamde kinderen. Hij schreef trouwens ook best goed maar hield het op zijn harde schijf.
“Hasselt”, prikte Bart, die nu echt laveloos was. “Niet doen, da’s ouwe hap bij die Bels”, zei ik. Geen reactie: denk je nou echt dat dit soort gasten nog kranten las? Dat prikken lukte niet, dus ging ik ze maar geografisch voor.
“Ouwe Pekela, wat dachten jullie daarvan?” “Liever nieuwe Pee”, zei B. en kreeg een hengst van mij.
Ze werden stil en ontnuchterden wat. Bart probeerde nog het rijtje Groninger veenkoloniën op te drammen, maar stokte in zijn braaksel. Die was raak en dus werd het dat darmgerektgelijke lintdorp.

Nu terugziend wist ik dat het een gouden greep was. Het ging zo makkelijk en ze waren zo leuk en willig.Daarginds werd te weinig leuks voor die kinderen gedaan. Behalve dan dat dikke meisje, knap 13, dat niet mee mocht doen van de kinderen: “Ze stinkt en ze is lelijk”, zeiden die blaagjes. We knuffelden alle bezwaren weg en streelden ons hun veengrondjes in.
Mich siste me toe, toen we met ze op schoot zaten, “Doe wat met die dikke: anders gaat ze doorkletsen”. Sindsdien weet ik dat dikke meisjes heel snel kunnen zijn.
“Daar gaat het nou juist om, klojo, iemand moet het doorbrieven”.
Mich’ ogen trokken wit weg. Hij had ook iets heel liefs op schoot. Marokkaanspekelaans of zo iets-.
We beloofden die lieverds al tastend dat we ze hierna onze clownspakjes zouden sturen. Ze gingen ervoor en erop. Maar Mich had gelijk: dat dikkertje rende weg, en we braken de boel snel op. Trouwens: het werd ook etenstijd.

“Dat grietje gaat lullen”, zei Mich toen we langs de snelweg onder Assen stopten om alles te verbranden. (Bart had zijn barbecue meegenomen). “Nou én”, zei Bart: ”het moet toch uitkomen: we willen ze toch terug in het instituut?”
“Hou allebei jullie bek”, siste ik, “hou nou eens nog even je kop erbij”. Verdomme, dacht ik, altijd ben ik degene die de boel weer in de gaten moet houden. Ik moet ook altijd alles alleen doen. Ik ben ook altijd de lul. Die gasten kunnen ook nooit eens modereren: geef ze een kind en alles verdwijnt in een onzalig paradijselijk pregenitaal wijsperig welbevinden.
Sorry hoor, maar wat hier gebeurde vind ik écht ziek.

Maar ze kwamen: “ –Sesamstraat-“ gilden ze naar ons toe rennend. Sommige kinderen hadden zelfs hun liefje meegenomen. Die moeder grinnikend jôh, vonden ze écht heel droppig. Daarvoor een hoop geheisa in de kranten: politie die begrip voorwende, begriploze ouders en een recherche met de handen in het haar en een hoop ingezonden brieven in de nationale pers. Leuk om te lezen, daar niet van. Maar het trieste blijft wel: ze snapten het gewoon systeemgeëigend niet. Ze luisden zichzelf erin, niet omdat ze zich schuldig voelden maar een beetje bijzonder vanwege die mediale aandacht. Echt; ouders kun je zo hebben, maar ze zijn alleen te oud.
Maar de kinders kwamen, door hun ouders gebracht. In tranen: god wat kan die soort janken zeg. Niet op te vangen! Die ouders kregen direct koffie met gebak van ons en een reiskostenvergoeding waar ze stil van werden.
We bedongen dat we (middels onze kindvriendelijke onderzoeksmethode hadden we vroeger al heel wat kunnen traceren: echte incestrietjes van mannetjes hoor: je blaast er zo door heen. Stakkerds, zei Bart vaak, en dat waren ze ook) alle kinderen onbespied bij ons mochten hebben, en namen eerst dat dikkerdje apart. Ze voelde zich achtergesteld en alleengelaten door haar grootouders. De Piggelmee-reden peperden we haar direct in. We gaven haar gelijk en vroegen wat wij moesten doen om haar dat verloren gevoel terug te geven. Hier snapte ze natuurlijk geen reet van. “Geef maar hier”, zei Bart, “die komt niet mee op school en wordt gepest”. “Aan pesten kun je iets ingrijpends doen”, grapte Mich, maar ik vond het wel link wat er daarna gebeurde. Dit namen wij duidelijk niet op: dit was voor eigen behoeftig onderzoek.
Geen meisje is erna ooit zo aangehaald als die Willie Turf, grijnsde Bart. Bart is gewoon een vieze carburator, een smeerlap: maar hij funktioneerde met zijn prostaatkanker. Tenminste toen nog wel.

Maar goed: als clowns verkleed deden we alles dik over en dunnetjes bekenden die guppies ook nog eens dat ze toen zo genoten hadden en graag weer bij ons terugkwamen.
O ja, ‘Kamera-Karin’ nam alles op. Die griet is weg van ons: alle drie getrouwd, slank, met kinderen, dus vruchtvolledigend, en gedrieën minstens drs. voor de naam: die gaat vooronder ons. We nodigden haar ook steeds uit, als we met de hele zooi naar de duinen gingen, maar haar zoontje heeft nu wel herpes. Kerpesharin, grinnikten we soms.

Soms kijk ik nog wel eens naar die banden. Schrijf een wetenschappelijke notitie. Praat met de recherche: “Heb jij kinderen?” “Ja: leuk hoor, maar net iets te slim”. Hij keek mij vermoeid aan.
En Mich? Mich is dood: slepende liggende, snelle gecertificeerde infuussluiting.
Nee geen zelfmoord naar scenario: dat is voor SBS-films (de “SeksBelusteStakker-films). Nee hoor, aids opgelopen in dat kinderrrijke arme Egypte. Diep triest. Tot de dood neuken, okee, maar voor de dood neuken, nee, zoiets vereist een monument. Mich had altijd al iets phallatistisch.
Bart is gescheiden en trof recent wat leuke kinderen met een moeder in de schommel. Nemo is ondergedoken en schrijft alleen nog maar korte verhalen. Hij werd ook lid van zo’n obscure vereniging, iets met dahlia’s, maar dat weet ik niet echt zeker. Dahlia’s zijn doodsbloemen.
Dat zei die rechercheur ook nog die zijn kinderen met vrouw vertrekken zag.
Die rechercheur die zei: “zij zien ons maar wij zien ze niet”.
“Ja”, zei ik, “zij zien jou wel, maar weten dat ze van jou niet gezien willen worden”.
“Een soort aftelversje”, zei hij. “Zoiets ja, zo van iet-wiet-naait weg”. “Onontvankelijke zaak”, zuchtte hij. Niet te geloven, die Justitiejongens: ze snappen er geen ene reet van.

 

 

 



Redactie

Dick van Zijderveld (hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum

Redactiemedewerkers

Thierry Deleu
Thierry Langeweg

Jos van Liempdt
Pepijn Uljé

 

Redactie

redactie@opspraak.net
www.opspraak.net

insturen kopij: klik hier

ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein