o

LA Elsenaar

Een risico van het schrijversvak

Platte ronde steentjes, als een munt, zijn de beste keilstenen. Omvang? Het liefst ter grootte van je duim. Groter en ze worden te zwaar; kleiner en ze worden lastiger om goed te gooien. De juiste vorm en omvang, en ik krijg ze wel tot zes keer aan het stuiteren op het water.
Maar ook ovale afgeplatte steentjes zijn geschikt. Het geheim voor die stenen ligt hem in het meegeven van de juiste rotatiesnelheid. Vier keer, eentje kreeg ik wel vijf keer aan het stuiteren, maar dat laatste heb ik niet kunnen herhalen.
Platte, vierkante steentjes zijn minder geschikt. Ik denk dat het komt doordat ze meestal ook scheef zijn. Het gewicht drukt ze dan uit hun baan zodra ze het wateroppervlak geraakt hebben. Hooguit een tweede keer keilen ze; dan gaan ze onder.
Ruwe, ongevormde steentjes zijn ongeschikt om te keilen. Toch lukte het me uiteindelijk om deze ook een keer te laten stuiteren voordat ze zonken. Na lang en veel proberen ontwikkelde ik er een speciale werptechniek voor: in plaats van een horizontale rechtse draaiing, kenmerkend voor een goede keilworp, gaf ik ze met duim en wijsvinger een verticale voorwaartse draaiing mee, als een hoog aangestoten biljartbal. Ik had eerst verwacht dat het steentje daardoor juist sneller zou zinken, maar het tegendeel bleek het geval: de steentjes stuiterden keurig, zelfs hoger dan de betere keilstenen, om bij de tweede aanraking echter onveranderlijk te zinken.

Nee, ik ben geen keilprofessional, hoewel ik me op momenten wel zo voelde. Ik begon te keilen toen mijn schrijver mij op een pad naast een meertje met een kiezelstrand achterliet. Eerst keilde ik nog niet en bleef ik gewoon rondkijken. Er kwamen regelmatig wandelaars voorbij die mij vriendelijk groetten. Ze knoopten geen gesprek aan. Ze groetten mij vriendelijk en knoopten geen gesprek aan omdat het zo geschreven stond, net voordat de schrijver zijn pen neerlegde: 'Regelmatig werd hij vriendelijk gegroet door passerende wandelaars, maar geen van hen knoopte een gesprek met hem aan.'
En totdat de pen weer opgenomen wordt, gebeurt er verder niets. Schijnt de zon, dan blijft die schijnen. Regent het, dan blijft het regenen. De zon scheen. Dat is voor een tijdje goed, maar als dat dagen en dagen in schrijverstijd voortduurt, dan snak je naar zo'n heerlijk verfrissend wolkbreukje. Er waren vijftien schrijversdagen voorbij. Maak er maar een zondvloed van.

Ach, het is erger geweest. Een schrijfweek geleden liet hij me achter in een café waar de spanning te snijden was. Zo had hij het letterlijk beschreven. De spanning was te snijden. En meteen daarna legt hij zijn pen neer! Het was maar goed dat hij niet alle bezoekers beschreven had; zo kon ik er een paar zover krijgen dat ze mij hebben leren darten. Ik was altijd een kluns met gooien; ik had zelfs, op een kermis iets terug in het verhaal, met drie ballen geen enkel blikje van de plank gegooid. Toen de schrijver na zeven schrijversdagen verderging in het café en mij met mijn tegenspeler liet darten, had hij dus verwacht dat ik zou verliezen. Mis: ik won. De pen bleef even liggen en ik wachtte in spanning af. Twee mogelijkheden. Het voelde als een overwinning toen hij de passage op de kermis aanpaste en mij daar alle blikjes eraf liet gooien op een na, en die bleef alleen maar staan omdat ik werd afgeleid.
Dat is ook omgekeerd gebeurd. Toen hij me in die lege bus op een verlaten, half overwoekerde parkeerplaats langs de kust achterliet, waar de chauffeur met de rest van de passagiers kort tevoren gegijzeld weggevoerd waren, was ik na zes schrijversdagen zo bedreven in het rijden van een bus dat ik, toen hij de pen weer oppakte, meteen wegreed. Dat heeft hij eruitgeschreven: ik moest, na dagen zonder water gezeten te hebben, gevonden worden door een groep Schotten die alleen whisky bij zich hadden. Het paste wel, trouwens: doordat ik een roes van twee dagen kreeg uit te slapen, miste ik de reguliere busverbinding en moest ik gaan liften.

'Dag mevrouw.' Ik groette weer een wandelaar. Ze groette terug. Verder zei ze niets. Geen van hen knoopte een gesprek aan, tenslotte. Haar groet was vriendelijk. Het komt je de neus uit. Mocht een schrijver dit ooit lezen: beschrijf zo min mogelijk van de toestand waarin u uw protagonist achterlaat. U maakt zich niet populair. En gebruik nimmer de woorden 'altijd', 'nooit' of 'geen enkele', net voordat u de pen neerlegt. Het maakt u gehaat.

Ik was gewaarschuwd. Toen ik in café 'Vergetelheid' (prima sfeer daar, trouwens!) op zoek ging naar anderen die protagonist geweest waren, kreeg ik alle ervaringen te horen. Dat het avontuur altijd de moeite waard is, dat sommige schrijvers er beter in zijn dan anderen, maar dat er vaak zulke lange wachttijden in zitten. Ook dat verschilt per schrijver. Ze waarschuwden ook voor schrijvers die voortdurend de geschiedenis aanpassen, maar de meningen daarover waren verdeeld: sommige protagonisten hadden juist genoten van de veelheid aan avonturen die ze daardoor hadden meegemaakt. Maar iedereen, iedereen vond die wachttijden vreselijk.
Ik ben daarom op zoek gegaan naar ervaringen met schrijvers zonder veel wachttijd. Ik kreeg van twee ex-protagonisten deze schrijver aanbevolen. Wel, tenzij die twee mij een loer wilden draaien, heeft deze schrijver zijn werkstijl drastisch veranderd!

Wij protagonisten kunnen daar invloed op uitoefenen. Niet geheel ongevaarlijk, want het kan ten koste gaan van de kwaliteit van het avontuur, vertelde een ex-pro mij. Ik kreeg een paar tips mee. Ik probeerde ze allemaal uit, de laatste vijftien schrijversdagen, en ik verzon er nog een paar honderd bij, maar niets, noppes, nada! Ik verscheen in zijn slaap aan hem; ik leidde zijn aandacht af in gesprekken; ik liet hem dagdromen achter het stuur. Ik kwam er zelfs tussen toen hij met zijn vrouw wilde vozen. Eigen schuld: had hij me maar niet zo preuts moeten schrijven. Maar het enige resultaat was dat ik steeds meer moeite had om tot hem door te dringen. Vijftien dagen duurde het al.

Ik nam een besluit. Ik vroeg een voorbijganger een pen en stopte die onder mijn shirt: dat had de schrijver nog niet beschreven. Van een volgende wandelaar vroeg en kreeg ik een stuk papier; ook onder mijn shirt. Nog één schrijversnacht zou ik hem geven. Als hij dan niet verder zou gaan, kon hij wat mij betreft naar de duivel, maar dan deed ik niet meer mee.

De zestiende schrijversnacht wachtte ik tevergeefs. Nu ja, wachten: ik groette de regelmatig langskomende wandelaars. Vriendelijk. Ze knoopten geen van allen een gesprek aan. De volgende schrijversochtend nam ik het besluit: vertrekken. Ik schreef een brief die ik achterliet op het pad. Die luidde als volgt:

'Beste schrijver,

Als je dit leest, zie je mij niet meer. Na zestien van jouw schrijversdagen was voor mij de maat vol. Dankzij jou weet ik niet meer wat echte vriendelijkheid is. Maar ik kan wel goed keilen, als het je tenminste interesseert. Volgens mij niet. Mij interesseert jouw verhaal in ieder geval ook niet meer. Om gemiddeld tien schrijversdagen te moeten wachten op een volgende schrijfdag, dat brengt zelfs de traagste luiaard tot wanhoop.
Zoek mij niet; ik heb besloten me als protagonist te melden bij een ranzige schrijver die iedere week een vunzig verhaal eruit moet kwakken. Alles beter dan dit. Mocht je me alsnog vinden, dan ben ik toch niet meer nuttig voor jou. Ik moest toch preuts zijn? Dat zal hij er tegen die tijd wel grondig uitgeschreven hebben!
Pak maar een willekeurige voorbijganger en ga daarmee verder. Ze zijn allemaal vriendelijk. Ik spreek uit ervaring.

Nog veel succes met het schrijven.

Je ex-protagonist’

- - - - -

Na drie weken vakantie neemt de schrijver met voldaan gevoel plaats achter zijn bureau en pakt zijn manuscript. Het had hem meer dan een week van zijn vakantie gekost om te ontspannen. Het verhaal maalde en maalde maar hij kreeg geen letter meer op papier. Het verhaal was niet echt, het was gekunsteld, het liep niet meer. Zijn vrouw – ah, zijn vrouw met haar engelengeduld! Zo begripsvol als ze die avond was… Dankzij haar kwam hij eindelijk uit de tredmolen. Oh ja, de gebruikelijke dagdromen, maar die kon hij loslaten.
Hij hoefde het zijn vrouw niet te vertellen, de afgelopen week. Die had allang gezien dat het oude plezier van het schrijversvak weer teruggekomen was.
Hij leest de laatste pagina's uit het manuscript en de situatie ontvouwt zich weer voor zijn geestesoog. Maar – waar is zijn protagonist? Hij heeft hem toch naast het meertje achtergelaten? Daar ligt nu alleen een vel papier. Hij begint het te lezen…

 

 

 

Winnaar Nieuwegeinse Literatuurprijs 2007 - categorie proza

De laatste vraag

Ik had mijn cabana opgezet, mijn handdoek uitgespreid en wilde mijn boek openslaan, toen ik haar voor me zag staan: een jong meisje, haar lange zwarte haar in twee staartjes samengebonden, met donkere ogen die van een vroege wijsheid spraken.

'Eras mi padre', zei ze, met een gezicht dat meer blijdschap dan verbazing uitdrukte.

Ik legde mijn boek neer en keek haar vriendelijk aan. 'Ik heb nooit een dochter gehad.'

'Nee nee,' ze schudde ongeduldig haar hoofd. 'Vroeger. Toen ik een jongen was.'

'Jij bent jongen geweest?'

Ze knikte. Toen ik haar vriendelijk bleef aankijken, ging ze gerustgesteld verder: 'Ik had een meisje moeten zijn, maar ik was toch een jongen. Dat is toen snel veranderd. En nu ben ik een meisje.'

Het klopte: hij was volgroeid, voldragen – en gestorven. Voordat ik kon antwoorden, kwam een jonge vrouw aanlopen die het meisje bij de arm nam. 'Kom mee, Erica. Ik hoop niet dat ze u lastiggevallen heeft, meneer.'

Ik schudde vriendelijk van niet, en zwaaide terug naar Erica toen ze zich omdraaide en met een gulle lach haar hand opstak. Erica. Erik. De laatste twijfel was weg. Het boek bleef onaangeroerd op het badlaken; de zee bood voldoende ruimte voor herinnering - en warmte. De pijn was overgegaan in berusting, in aanvaarding, in het besef dat er ook goeds van gekomen is. Dat gaf de ruimte voor warmte. Er restte slechts een laatste vraag. Tot vandaag.

Ik zag haar een paar keer langskomen met vriendinnetjes en boog inwendig vol respect mijn hoofd.

 

Die middag kwam ze terug. Ik had net mijn cabana gedraaid om mij een betere bescherming tegen de wind te bieden. Ze dook diep in de cabana, onzichtbaar voor haar ouders, en keek me bijna uitdagend aan.

'En toch was jij mijn vader.'

'Ik geloof je, Erica.'

'Ja, maar mama zegt altijd dat ik niet zo gek moet praten. Dat je altijd een meisje of een jongen blijft. Dat is niet waar, hè?'

'Jullie hebben allebei gelijk. Jij bent nu een meisje en dat zul je je hele leven blijven.'

Ze knikte.

'Zeg eens, Erica, ben je zeven of acht jaar oud?'

'Acht.'

'Dan ben je net jarig geweest.'

Ze knikte weer, een verbaasde blik in haar ogen. 'Vorige maand. Hoe weet je dat?'

'Ik was toch je vader, vroeger?'

Ze zei: ‘Oh ja,’ maar de verbazing verdween niet van haar gezicht.

Ik lachte en keek haar aan. Ze zat met haar knieën opgetrokken, haar armen om haar benen geslagen.

'Mag ik je bedanken dat je naar me toe gekomen bent?'

Haar blik werd zo mogelijk nog verbaasder. ’Por qué?’

'Ik zou jou nooit herkend hebben, en als ik je wel herkend had, zou ik het nooit gedurfd hebben om naar jou toe te stappen. Jij herkende mij, en je had de moed.'

Ze knikte; ze begreep het. Voorzichtig keek ze langs de rand van de cabana. Haar ouders lagen beiden rustig te zonnen.

'Ik zie jou niet meer hè?' De vraag kwam plotseling en overviel mij.

'Eh nee, dat denk ik niet. Ik woon in een ander land en kom hier zelden.'

Stilte. Ze bekeek, nee: bestudeerde me nieuwsgierig.

'Maar misschien hoef jij nu niet meer erover te praten dat je vroeger een jongen was.'

'Waarom niet?'

'Omdat je vandaag mijn laatste vraag beantwoord hebt.'

Ik zag hoe haar moeder opstond en zoekend om zich heen keek. Ik trok haar aandacht en wees in de cabana; ze liep naar ons toe.

'Welke laatste vraag?' vroeg Erica.

'Of met jou ook alles goed gekomen is. Ola buenas dias mevrouw. Komt u alstublieft even zitten; uw dochter en ik zijn gezellig aan het praten.'

Erica keek haar moeder aan, die aarzelend ging zitten. 'Hij is mijn padre viejo, mama!'

'Erica, niet zulke rare dingen zeggen. Meneer, het is een lief kind, maar vanaf het moment dat ze kan praten, roept ze al dat ze andere ouders heeft gehad -'

'En dat ze een jongen was' vulde ik aan.

De moeder keek me aan, zuchtte en zei: 'Nu gaat ze het ook al tegen vreemden vertellen.'

Ik zag hoe een paar meisjes zich bij Erica's vader meldden. Die keek zoekend rond en ging weer liggen. De meisjes keken ook om zich heen.

'Ik geloof dat je vriendinnen je zoeken, Erica.'

Erica stak haar hoofd boven de cabana uit en sprong op. 'Ik ga weer spelen hoor!' Weg was ze.

'Mevrouw, uw dochter weet precies waar ze over spreekt. Ik zou het jammer vinden als zij daar niet met haar moeder over zou kunnen praten.'

Het was er feller uitgekomen dan ik wilde. Ze keek mij lang aan, liet haar blik langzaam over mij en mijn spullen glijden, staarde een tijdje naar het boek dat naast mij op de handdoek lag en keek mij weer aan. Al die tijd wachtte ik rustig af, uit respect voor haar dochter. En met verbazing in haar stem zei ze tenslotte, zacht en langzaam: 'U meent het nog ook.'

Ik knikte alleen maar.

Er kwam onrust in haar ogen. 'U laat haar verder wel met rust, toch?'

Ik kon alleen maar opgelucht lachen en stak mijn hand naar haar uit. 'Ik ben zelfs blij met uw bezorgdheid, mevrouw. U heeft mijn woord!'

Toen ze me de hand drukte, zag ik dat ze me geloofde - en vertrouwde.

 

Ze zaten nog op het strand toen ik mijn spullen inpakte. Ik wikkelde het ongeopende boek in de handdoek; de dag was te mooi geweest om te lezen. Toen ik naar de weg achter het strand liep, zag ik haar spelen naast haar ouders. Ze keek op en zwaaide. 'Dag, padre viejo!'

Ik knikte naar de ouders die beiden opkeken en riep naar haar: 'Dag Erica! Vaya con Dios!

 

 



Redactie

Dick van Zijderveld (hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum

Redactiemedewerkers

Thierry Deleu
Thierry Langeweg

Jos van Liempdt
Pepijn Uljé

 

Redactie

redactie@opspraak.net
www.opspraak.net

insturen kopij: klik hier

ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein