Eervolle vermelding
Nieuwegeinse Literatuurprijs 2010
Petronella Catharina
De wortels van het bestaan
Je vraagt me wat vrienden waren.
Ik vertel je dat vrienden metgezellen werden.
Je vraagt me wat zij voor mij betekenden.
Ik vertel je dat zij wijsheid bezaten.
Je vraagt me wat er gebeurt nu ik geen vrienden meer heb.
Ik vertel je dat de dag nabij is dat de zon voor de laatste keer boven mijn kruin op zal komen en de wortels van het bestaan als schaduwen zullen verbleken.
Je vraagt me om een openbaring.
Ik vertel je dat je kunt kiezen.
Burnu zit aan de voet van de eucalyptus.
Trillende bewegingen van zijn didgeridoo sturen diepe, gonzende tonen door het bos.
Een tiental mannen verschijnen en zij dansen om de boom.
Rood, bruin, wit en geel beschilderde lichamen bewegen in afwisselende strepen van licht en schaduw. Gele stippen zoeken een verbond met de zon. De didgeridoo verhaalt.
De zon klimt omhoog wanneer vrouwen en kinderen zich rond de boom vergaren.
„Mama, goanna is hier.”
De didgeridoo zwijgt en dertig paar ogen volgen nieuwsgierig de wijzende vinger van het kind.
Een zonnestraal grijpt een blad. Daar, onder het struikgewas, zit de schubbige hagedis.
„Shh,” gebiedt de moeder.
Geritsel.
De goanna sluipt naar de boom en klautert naar boven.
Zijn klauwen grijpen in de schors en nagelen zich halverwege de stam vast.
„Waarom vlucht hij?”
„Goanna is bang, Jusea. Goanna beschermt oude boom,” legt zijn moeder uit.
„… Terwijl blanke mensen almaar ouder worden.. sterven bomen sneller.” Burnu spreekt langzaam. „… Zij leven in tijd... in plaats van met het land. Ze rennen op deze aarde... zonder hun eigen voetstappen te zien…”
De zon houdt zich een moment verborgen achter een hoogvliegende rustverstoorder. Het metaal van de machine glanst.
De goanna zit onbeweeglijk strak tegen de boomstam. Zelfs het kwetterende geluid van de regenboogpapegaaien, op de glinsterende takken, hindert hem niet.
„Daar,”roept Jusea. „Kijk, de papegaaien strelen elkaar, maar ze maken zo’n lawaai.”
De didgeridoo doet het geluid van de felgekleurde vogels na, de groep lacht.
„Waarom gaan ze zo tekeer, mama?”
„Zij zingen samen hun liefdeslied. Papegaaien zijn trouw aan elkaar. Zij raken elkaar aan. Ze beschermen hun eieren die in holtes van de dikke takken liggen. Ze pikken in de noten die daarna op de grond vallen.”
De kinderen rapen de noten op.
De moeder pakt mesjes en schildergerei uit haar mand en krast samen met de kinderen tekeningen in de noten van de boom.
Droomtijdverhalen. Prachtige rode, gele en witte stippen sieren de vruchten en de moeder hangt een paar noten om haar oor. Jusea doet haar na.
De mannen dansen weer, rond en rond, tot schaduwen de gele stippen van hun lichamen versmelten met de bast van de boom.
De warme klanken van de didgeridoo vullen de atmosfeer van het regenwoud. De mulle aarde om de boom krioelt van leven.
Een mierenkoningin vindt haar weg, over de stronken, naar de stam.
Zij wordt achtervolgd door ontelbare aanhangers. De grijze schors biedt geheime plekjes waar zij hard werken.
Een wandelende tak hangt ongezien langs het mierenspoor en haar slome en trage bewegingen sieren de vorm van de eucalyptus.
Aan de andere zijde van de boom, daar waar vier mannen een kampvuur opzetten om de billy, de waterkan, boven te hangen, glijdt een slang naar de boom.
„Kijk uit voor de groene boomslang,” schreeuwt de man die juist de waterkan boven het vuur hangt en er een paar eucalyptusblaadjes voor de thee ingooit.
„Ik hoor je,” roept Burnu waarna hij met de klanken van de didgeridoo de kookaburra nabootst. De lachende roep van de vogel waarschuwt de dieren. Zoals altijd.
Bij de stam aangekomen slingert de slang zich omhoog. Haar sissende tong flikkert in het zonlicht en de regenboogpapegaaien fladderen vluchtig een rondje om de boom. Zij houden een scherp oog op hun eieren.
„Waarom doet de slang dit?” merkt Jusea op.
Een oudere man knielt naast het kind.
„De slang vertelt ons over het bestaan, herinnert ons aan de oorsprong van het leven. Ooit was de slang misschien wel een voetstap van één van ons. Het benadrukt dat de aarde niet aan ons gegeven werd, maar dat het ons geleend is.”
Jusea vraagt: „Maar wat doen de blanke mensen dan? Mama zegt dat zij de aarde pijn doen, dat zij de aarde niet voorzichtig aanraken.”
Stilte valt rond de boom, de didgeridoo maakt geen geluid meer, de mannen stoppen hun dans, de vrouwen en kinderen zwijgen.
„Wij kunnen het niet begrijpen,” zucht uiteindelijk de oudste man en plaatst zijn handen op de stam van de boom. Bonkend stoot hij zijn voorhoofd tegen een knoest tot er bloed langs zijn neus sijpelt.
„De blanke mens kent angst en heeft betonnen woningen gebouwd. Zij bouwt zelfs soms haar eigen bomen. Zij racen door het leven en vergaren bezittingen.
Het is de boom, die zich niet kan verplaatsen, en al wat daarin en daardoor leeft, die het onderspit delft. En uiteindelijk zal elke adem hem vergezellen.” De oude man kreunt, terwijl hij op een geelgroen, zuiverend, blad kauwt. Eén van de vrouwen legt een blad van de boom op de bloedende plek tussen zijn wenkbrauwen.
Een groene boomkikker kwaakt ter instemming, de stilte is verbroken en de kinderen zingen weer vrolijk.
Onverstoorbaar liggen twee koala’s tussen de bovenste takken onder de kruin van de eucalyptus.
De zon zakt.
Enkele vrouwen gieten thee in de mokken.
De wandelende tak begint zich gestaag voort te bewegen.
De mierenrij groeit.
De slang is de weg naar de eieren kwijtgeraakt en teruggegleden naar waar zij vandaan kwam.
De goanna is één geworden met de boom.
De papegaaien paraderen op de takken.
Jusea en zijn vriendjes spelen tussen de, boven de aarde gelegen, wortels van de boom.
Een koala knipoogt.
Je vraagt me wat het leven voor mij betekent.
Ik zeg je dat de waarde verloren is gegaan.
Je vraagt me wie ik ben.
Ik laat je zien dat ik je nodig heb.
Je vraagt me om een wonder.
Ik antwoord je: „Begin bij de wortels van het bestaan.”