Frank Deruyck
Pervers
Paul liep in de schaduw en genoot van de koelte
die uit de straatstenen straalde. De gevels van de huizen aan de linkerkant, de
schaduwkant, waren als vrienden. Paul kende hen goed. “Dag gevels” dacht
hij.
Hij kwam voorbij een huis dat trapeziumvormige art-déco ramen had. Voor
de witte gordijnen stond een olifant in porselein, voor altijd met zijn slurf
in de hoogte. De vertrouwdheid met de kleine sculptuur maakte hem onverklaarbaar
rustig.
Het was 1968, een dag in augustus, de zon scheen en er was niemand op straat.
Rechts was de lange blinde muur waarachter het kerkhof lag. Op het kerkhof was
een speciale afdeling voor kinderen. Dat had Paul gezien toen hij met zijn klas
het graf van Lisa bezocht, het dochtertje van meester Roger. Een helblauw houten
kruis. Een kwart vierkante meter aarde. De vrouw van de meester zette elke dag
verse witte bloemen op het kleine graf. Al tien jaar lang.
Geen tijd nu voor zwarte gedachten.
Paul was op weg naar een verjaardagsfeest. Ronny Tortelier was twaalf geworden.
Het gebeurde niet veel dat Paul werd uitgenodigd op dergelijke feestjes. Maar
met Ronny had hij een goede relatie opgebouwd. Ze hadden het op school altijd
over The Beatles. Ronny kon al hun bekende nummers zingen. Soms zongen zij in
duet: She loves you yeah yeah yeah.
Ronny woonde in een groot huis in een donkere straat vlakbij het ziekenhuis. Naast
het huis was een privé weg die naar een site met autoboxen leidde. Via
die binnenweg kon je in de tuin komen van het gezin Tortelier.
Toen Paul eraan kwam zag hij vader Tortelier die de bloemen water gaf. Wat opviel
was zijn spierwitte haar en zijn dikke ronde buik. Hij lachte Paul vriendelijk
toe. Paul vond dat hij meer op een opa leek dan op een vader.
“Ze zitten allemaal op de zolder”, zei vader Tortelier en hij wees met
zijn gieter naar de open achterdeur. “Ga jij maar naar binnen en de trap op,
je komt er vanzelf.”
In het huis hing een zure geur. Een landerig meisje van een jaar of zestien met
lange blote benen lag op een groezelige bank die midden in de keuken stond. Ze
lakte haar teennagels helrood. Ze glimlachte naar hem en deed rustig verder.
Paul hoopte dat zij het bonzen van zijn hart niet kon horen. Hij vermoedde dat
zij Anja was, een van de oudere zussen van Ronny.
Ronny had alleen maar zussen. Paul kon ze niet uit elkaar houden.
Terwijl hij zo liep te dromen, ging hij de trap op. Hij liep tegen Christa aan,
die net naar beneden kwam.
“Oei, sorry!” stamelde hij.
Het meisje was door de botsing haar bril verloren. Maar Paul had hem net op tijd
kunnen opvangen.
“Hier is je bril. Heb ik je geen pijn gedaan?”
“Een beetje”.
Zij was een kop kleiner en had frisse lichtblauwe ogen. Haar kortgeknipte haren
waren een witte vlek in de donkere hall. Haar brillenglazen waren perfect rond
en met zilver omrand. Haar adem rook naar peperkoek en koffie.
“Maar het is niet erg” en snel liep ze langs hem heen naar buiten.
De geur van Franse tabak kwam de gang in gedreven. Die geur werd gevolgd door
Ronny die met een voor zijn leeftijd zware bas naar beneden riep:
“Paul kerel, daar ben je! Kom maar naar boven!” Hij rookte een Gauloise
zonder filter, die hij uitdagend in zijn mondhoek liet bungelen. Vanaf vandaag mocht
hij officieel roken van zijn vader.
Paul was nog in de war door de botsing met Christa.
“Wie was dat?”
“Dat was Christa, mijn jongere zus”, zei Ronny terwijl hij diep inhaleerde “Ze
is gek."Je moet niet op haar letten. Zij is nog een kind, ze is nog geen elf.”
“Zij is mooi”
“Zever niet en kom naar mijn vliegtuigen kijken.”
“Is zij straks ook op het feest?”
“Natuurlijk. Wat vind je van mijn Spitfire?”
Paul bewonderde de replica. Het vliegtuig was wel een halve meter lang en bijzonder
fijn afgewerkt. Het hing met nylontouwtjes aan de zoldering vast.
“Twee maanden aan gewerkt. Hier pak een Gauloise.”
Ze rookten. Paul trachtte te inhaleren. Hij hoestte. Die Franse sigaretten waren
heel sterk.
De zolder, waar een drukkende warmte heerste, hing overigens vol modelvliegtuigjes.
Langs de muren stonden banken met rode pluche kussens. Twee identieke meisjes
zaten op een bank en lazen Robbedoes. Ze riepen samen “hoi!”
en ze lazen verder.
“De tweeling”, zei Ronny verontschuldigend.
“Kom we gaan naar beneden. Ik heb een toneelstuk geschreven. Ik ga het spelen
in de poppenkast. Mee komen jullie! Ik heb publiek nodig”
Maar de zussen maakten geen aanstalten tot rechtstaan.
In de keuken was de moeder van Ronny pannenkoeken
aan het bakken. Zij was lang en mager en droeg een kostbare jurk met gele en rode
bloemen. Zij deed Paul denken aan een mevrouw die hij in een stille film had gezien.
Zij streelde Paul’s wang.
“En jij bent zeker Paul?”
“Ja mevrouw” Zij lachte maar haar ogen stonden waterachtig.
“Straks mogen jullie pannenkoeken eten met bruine suiker!”
“Kom, we gaan naar de garage”, zei Ronny die niet van die flauwiteiten
hield “help je nog wat stoelen versjouwen?”
Tijdens de voorstelling was het beklemmend
warm. Paul zat tussen Christa en de tweelingzussen. Voor hem zaten mijnheer en
mevrouw en Anja. Er waren nog andere meisjes komen opdagen. Die hadden Paul allemaal
straal genegeerd.
Ronny ging woest tekeer. Het was een koningsdrama. Richard Leeuwenhart tegen de
usurpator, die gespeeld werd door de pop Jan Klaassen. Er werd veel in geschreeuwd
en er kwam ook een ontvoerde prinses aan te pas. Paul was teveel afgeleid door
de aanwezigheid van Christa om het stuk te kunnen volgen. Hij had zijn hand even
op de hare gelegd en zij had het laten gebeuren. Zij was daarbij wel strak voor
zich uit blijven staren. Ondanks de warmte hield het publiek de voorstelling vol,
tot het dramatische einde. Alle poppen vonden de dood.
Daarna moest iedereen aan tafel komen. Twee
enorme stapels pannenkoeken waren op tafel gezet. Er werd zwarte koffie gedronken
uit soepkoppen.
Paul voelde zich opgenomen tussen de kakelende zussen. Hoe anders was het hier
dan bij hem thuis, waar alles altijd strak en geordend verliep.
Vader en moeder zaten samen met hun kinderen aan tafel en genoten mee van het
verjaardagspartijtje. Christa zat op de schoot van haar vader, die een papieren
feesthoedje had opgezet. Iedereen praatte door elkaar. Uit de radio klonken The
Rolling Stones. Het was lekker opzwepende muziek.
Na het eten hielp Paul met afruimen. Terwijl hij de bordjes op het aanrecht plaatste
legde de moeder van Ronny haar hand op zijn hoofd. Zij streelde zachtjes door
zijn piekhaar.
“Je bent een lieve jongen” zuchtte ze. Paul zag tranen op haar wang.
Hij voelde een grote schaamte en vluchtte uit de keuken naar de tuin.
Christa zat op de schommel en neuriede het liedje van de Stones dat zij voordien
op de radio hadden gehoord.
“Waar is Ronny?”
Ze keek niet naar hem toen ze zei,
“Papa heeft hem met de fiets om sigaretten gestuurd. Lang zal hij niet weg
zijn.”
Zij verliet de schommel en ging in de richting van het terrein met de autoboxen.
Paul huppelde haar achterna.
“Hebben jullie ook een auto?” zei Paul om de conversatie op gang te
brengen.
“Een hele mooie. Wij hebben een witte DS.”
“Waar staat hij?”
“Kom maar mee.”
Helemaal op het einde van het terrein opende Christa een poort, waarvan de lichtgroene
verf danig bladderde.
Het was donker en koel in de ruime box, waar wel twee auto’s in konden.
“Het is geen DS, het is een Citroen ID”, zei Paul toen hij de wagen
zag.
“Het is een DS”, zei Christa. “Kom we gaan zitten.”
Paul zag aan alle details dat de auto een ID was, maar hij liet het erbij.
Hij ging achter het stuur zitten en deed het geluid van de motor na. Christa zat
naast hem, met op haar schoot de handtas, die zij op de achterbank had gevonden.
“Ik kan al auto rijden”, snoefde Paul.
“Leugenaar”
Het was niet gelogen. Paul ging maar liever niet in de clinch. Christa was trouwens
niet snel van haar standpunt te brengen, dat hoefde niemand hem te vertellen.
Hij voelde het zweet onder zijn billen op de plakkerige kunstlederen stoelen van
de auto.
Ze deden verder alsof ze auto reden.
“Pas op,” riep Christa “het licht sprong op rood!”
Paul deed het geluid van piepende remmen na en gaf een ruk aan het stuur. Dat
viel in goede aarde. Christa lachte luid. Het was de eerste keer dat hij haar
zag lachen. Ze werd er nog duizend keer mooier door.
“Ik ga hier parkeren”, zei Paul en hij duwde op de parkeerrem.
“En nu?” zei Christa.
Paul boog zich voorover en zoende haar op de mond. Tot zijn verbazing spartelde
zij niet tegen. Zij drukte hem hard tegen zich aan. De kus duurde heel lang. Een
reusachtige energiestoot overspoelde zijn lichaam. Daarna voelde Paul zich erg
duizelig. Zijn stem klonk schor.
“Het was een mooie kus, van wie heb je dat geleerd?”
“Bemoei je met je eigen zaken!” zei Christa. “We zijn er. Bedankt
mijnheer en tot ziens” en zonder overgang stapte zij uit. Zij gooide het portier
dicht en rende terug naar de tuin.
De zon was inmiddels oranje geworden en lange schaduwen lagen over het grint.
Paul sloot de groene poort achter zich. Luide stemmen kwamen uit de richting van
het huis. Hij hoorde de stem van vader Tortelier. Het was duidelijk dat hij ruzie
had met mevrouw. Ronny kwam net het terrein opgefietst met het pakje Gauloise
in zijn linkerhand.
Het geschreeuw uit de woning hield niet op. “We kunnen nu maar beter niet
naar binnen gaan.” zei Ronny.
“Ik moet naar huis” zei Paul.
“Dan loop ik een eindje met je op.”
Ze namen een omweg en kwamen voorbij de spoorwegbrug. Ze gingen zitten tegen het
talud in het gras dat nog warm was. Ronny opende het verse pakje Gauloises. Ze
staken op en keken naar de rooksliertjes.
“Waarom maken je ouders ruzie?”
Ronny haalde zijn schouders op en inhaleerde diep.
“Weet je het?”
“Mijn moeder is heel kwaad op mijn vader.”
“Waarom?”
“Het moet iets met Christa zijn. Ik mag het niet weten.”
“Uw zus kan goed zoenen.”
“Ja ja.”
“Ik zie haar graag.”
“Ja ja.”
“Wil je haar dat eens zeggen?”
“Ok.”
Ze namen afscheid. Paul kreeg nog een Gauloise voor ’s avonds.
Het werd een lastige week. Paul dacht de hele
tijd aan Christa en aan die ene zoen. De volgende zaterdagochtend fietste hij
naar het huis van Ronny. Het was nog vroeg. De dauwdruppels zaten nog op het gras
in de bermen.
Op het terrein met de autoboxen zag hij haar: zij reed op een kleine meisjesfiets.
Toen zij hem zag, maakte ze rechtsomkeer en fietste heel hard in de richting van
de spoorweg. Paul deed zijn best om haar in te halen, wat hem tenslotte lukte.
“He, Christa, wacht op mij!” riep hij, buiten adem.
Ze stopte en draaide haar hoofd naar hem toe.
“Wat moet je?”
“Gaan we nog eens zoenen?”
“Laat mij met rust! Je bent pervers!” schreeuwde ze en ze fietste van
hem weg, met al haar kracht.
“Maar ik zie je graag!” riep hij nog.
Hij bleef verlamd achter.
Op de weg naar huis hoorde hij voortdurend de echo van het woord pervers.
Hij nam zich voor het woord thuis in een verklarend woordenboek op te zoeken.
Maar toen kwam hij toevallig zijn vriend Erik tegen. Hij had twee Amerikaanse
sigaretten gestolen uit het pakje van zijn vader. Zij rookten ze op achter de
struiken aan de brug.
Daarna fietste hij weer verder huiswaarts. Aan het kerkhof zag hij de vrouw van meester Roger die net uit de poort kwam. Zij keek bedroefd. Hij wuifde naar haar en ze glimlachte even.
Het woord “pervers” zocht hij niet meer op.
Redactie
Dick van Zijderveld
(hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum
Redactiemedewerkers
Thierry Deleu
Redactie
redactie@opspraak.net
www.opspraak.net
insturen kopij: klik hier
ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein