o

Herbert Cluse

Het Licht

Tijdens het laatste jaar van de middelbare school zat ik meestal dagenlang verveeld met het hoofd tegen de muur geleund. Ik was weinig ontvankelijk voor de leerstof die de docenten ons wilden meegeven. Evenmin was ik geïnteresseerd in het sociale leven dat de meeste van mijn medeleerlingen zo leek te begeesteren. De structuur van het hoofd van de jongeman die op de bank vóór me zat – wiens donkere kroezelige haar mij niet eens tot exotische fantasieën kon verleiden – was mij een hindernis om over de beperkingen van de materiële wereld te springen. Het zwarte bord vooraan in de klas, steeds overdekt met de sporen van recent verwijderde hiërogliefen uit een verre cultuur, bond me aan het rigide tijdsrooster van de school.
Achter dit bord vermoedde ik een immateriële wereld waarvan zelfs de Griekse Goden en Helden nauwelijks een vermoeden hadden. Uiteindelijk was ik mijn eigen grootste vijand: mijn verlangen om in fantasieën te vluchten werd perfect in evenwicht gehouden door mijn onverschillige lankmoedigheid. Mijn dagen vulden zich met afwachten. Misschien wachtte ik op een alles verblindend moment van inzicht in de kennis die de radeloze docenten mij voorhielden. Alsof die kennis een brok bloedend vlees was dat ze, nét buiten bereik, aan een gekooide leeuw aanboden. Niets echter verleidde mij; noch het dichte donkere oerwoudhaar van de jongen die op de bank vóór mij zat (en voor wie ik geen enkel gevoel koesterde), noch het vervaagde geheimschrift op het zwarte bord, noch de weinig fascinerende kennisoverdracht.
Tijdens de pauzes, die we op de eufemistisch genoemde speelplaats doorbrachten – ‘spelen’ was een activiteit die diep onder het niveau van onze intellectuele waardigheid was gezakt – kuierde ik rond, meestal met de vuisten in mijn broekzakken gestoken, veelal zonder de aanwezigheid van mijn medestudenten te erkennen. Welk een indruk ik bij hen naliet wist ik niet, maar ik maakte er mij geen zorgen om. Wanneer de corpulente gestalte van de directeur op de speelplaats verscheen, veelal om de jongelieden te wijzen op de onfatsoenlijke lengte van hun haren, bleef ik zorgvuldig uit de buurt. Zijn pedofiele neigingen waren ons al te goed bekend, iets waarvoor we reeds jaren eerder door de oudere studenten waren gewaarschuwd. Hij maakte een ongezonde indruk, en wij hoopten dat de hand van God hem reeds had aangeraakt. Zijn soutane was hem te klein geworden en was slecht onderhouden. Waarom priesters zwart dragen is mij nooit duidelijk geweest. Het geeft hen een macaber aanzicht, alsof zij veeleer de Dood dan de Verlossing dienen. Alsof zij de eredienst van demonen schragen, veeleer dan die van het Licht.
Slechts occasioneel bewoog mijn hoofd zich van de door de muur gebonden steun vandaan. Eén enkel woord, minder vaak nog één enkele zin, geuit door de eentonige docent, deed mij opkijken. Alsof op die zeldzame momenten een term of een stuk tekst opdook in een archaïsche taal die ik alleen kende, en de docent geheel per toeval – of misschien niet, maar dan hadden we méér gemeen dan ik durfde te hopen – mij deelgenoot maakte aan een streng gecodeerde openbaring. Telkens echter bleek dit evenement geïsoleerd te zijn en geen vervolg te kennen, zodat ik weer in mijn ongenaakbare lethargie verstijfde.
Buiten de school sleepte zich een leven voort dat schitterde door zijn monotonie. Vijf en een halve dag spendeerde ik in de school, anderhalve dag droomde ik de uren weg op mijn kamer of in de keuken van mijn moeder. Onderweg van en naar de school ontmoette ik zowat elke dag de blinde jongen die lotto-tickets verkocht en die nooit het ware licht zou aanschouwen – en in dat ene opzicht alleen was ik voorspoediger dan hij. Bijna even vaak ontmoette ik het magere meisje met het diepbruine haar dat voorbestemd was om alleen maar in fysieke zin mijn pad te kruisen. Ik zou immers nooit een woord met haar wisselen, niet gedurende de zes jaren toen we elk onze eigen weg naar onze eigen school liepen. Wat ik haar had willen zeggen zat zo diep in mijn bolster verscholen dat ikzelf niet eens de geheime betekenis van die ongevormde woorden kende. Waarschijnlijk was ik verliefd op haar, en was het vanwege haar dat ik overdag met mijn hoofd schuin tegen de muur hing, wachtend op een geheimcode die de bolster van mijn liefde kon openbreken. Ik wachtte tevergeefs.
Een oom suggereerde dat ik, met mijn ingetogen, melancholieke en tot boeken aangetrokken karakter, wat geld voor mijn moeder – die weduwe was – kon bijverdienen door voor te lezen bij enkele oude en rijke mensen, zelf verstoken van het licht in de ogen. Enkele van zijn klanten zouden wellicht een kleine som overhebben voor een heldere stem die hen de klassiekers uit de vaderlandse en de internationale literatuur voorlas. In hun leven was het duister ingetreden dat vroeg of laat ons allen treft, maar zij bleven hunkeren naar de schone woorden van schrijvers en dichters. Dat hunkeren kostte hen echter nog méér van het leven, zo zou ik later begrijpen.
De blinde jongen probeerde me een lotto-ticket te verkopen, toen ik op een zaterdag naar mijn eerste lezing vertrok. “Later,” zei ik hem, met de intentie een deel van mijn leesgeld te spenderen aan het gokken, waarvan iedereen zei dat het gemanipuleerd werd. Mijn moeder zou me om die verspilling berispen, maar het was zij niet die dat geld verdiende.
Ik las voor uit een boek, in een halfverduisterde kamer waar slechts een schemerlamp wedijverde met het grijze herfstlicht van buiten. Naast me op een tafeltje stonden een glas limonade met een smaak die ik niet herkende en een wit bord met chocoladekoekjes die tot mijn verrassing vers en knapperig waren. Het boek dat ik las was van een groot formaat, een formaat dat ik alleen nog maar in een bibliotheek had gezien. Op het schutblad stond een afbeelding van een meisje, dat erg veel leek op mijn onbereikbare liefde die ik op straat niet durfde aan te spreken. Hetzelfde donkere, korte krullende haar; dezelfde halfverlegen, halfuitdagende oogopslag. Ook de kledij, hoewel uit een andere eeuw, leek erg op wat zij gewoonlijk droeg.
Die namiddag las ik de eerste twee hoofdstukken voor uit dit boek, waarvan noch de stijl noch het onderwerp mij bijzonder konden boeien. Al leek het hoofdpersonage op mijn stille liefde, zij bewoog zich moeiteloos en onbeschaamd in middens die mij geheel vreemd waren. De oude dame, die helemaal alleen in het appartement boven een apotheek woonde, bleef de hele tijd in haar schemerzone. Ik zag haar slechts heel even, bij mijn aankomst en bij mijn vertrek, wanneer het ganglicht enkele ogenblikken lang haar kleine gestalte verlichtte. Ze betaalde me méér dan met mijn oom overeengekomen, zodat ik zonder wroeging enkele centen durfde te spenderen aan een lotto-ticket.
Toen ik enkele zaterdagen later het zevende hoofdstuk van het boek aanvatte – verraad, bedrog, moord en ongetwijfeld veel opgekropte Freudiaanse gevoelens – besefte ik dat ik reeds eerder een andere lichtbron in het appartement had opgemerkt buiten mijn schemerlamp. Die lichtbron was er inderdaad reeds geweest, maar ze had slechts oppervlakkig mijn aanwezigheid gestreeld. Ik wilde er eigenlijk niet aan denken, omdat het boek me verveelde. Alleen een vage familiale plicht verbond me ertoe deze pagina’s te lezen. Het andere licht dat ik waarnam – vanuit een ooghoek dan nog, want het leek weg te doven telkens wanneer ik er rechtstreeks naar keek – bewoog zich steevast in de verre hoek van de woonkamer, een ruimte waar ik een dressoir, een fauteuil, een tafel en stoelen vermoedde maar niet kon zien. Het licht was niet stationair maar bewegen deed het ook niet veel, alsof het met aandacht naar mijn vertelling luisterde. Het viel me echter op dat het definitief doofde, telkens ik mijn boek sloot en overeind kwam.
Toen ik aan hoofdstuk negen begon (ik las elke zaterdag twee lange hoofdstukken en werd steevast op dezelfde manier ontvangen en beloond), was ik me welbewust van het zachte licht in de hoek van de kamer. Ik had zelfs even de indruk dat dit lichtje méér aandacht aan mijn vertellen verleende dan de oude dame, die ik ervan verdacht halverwege het eerste hoofdstuk al te zijn ingedommeld. Zolang echter het lichtje – dat zich nu niet meer onttrok aan mijn rechtstreekse blik – ver van mijn vandaan bleef, en in die hoek nauwelijks meer dan een meter links of rechts bewoog, liet ik mij door die aanwezigheid niet hinderen. Aldus verschoof de herfst naar de winter en vorderde ik doorheen het volumineuze boek, waarvan de intriges niet tot mij doordrongen.
Tijdens de week keek ik occasioneel naar de hoeken van het klaslokaal, waar ik de aanwezigheid van het lichtje miste. Onderweg naar school bleef ik opzettelijk een eind achter het meisje met het bruine haar lopen, in de hoop dat de woorden die in mijn bolster zaten opgesloten haar op de een of andere bovennatuurlijke wijze zouden bereiken. Ik was zelfs bereid in gedachtenoverbrenging en andere vormen van moderne magie te geloven, omdat mijn puberale geest niet tot gewone vormen van communicatie in staat was. Ze bleek echter telkens weer ontoegankelijk voor mijn pogingen. Ze liep wat mij betrof in een ondoordringbaar aura. Net zo’n aura als ik mij aanmat met betrekking tot de schoolkennis van mijn docenten. Ik had slechts aandacht voor de kleinste details van hun betogen, waaruit ik herinneringen aan een archaïsch verleden probeerde samen te stellen.
De winter werd dieper en kouder terwijl ik in het boek vorderde. Elke week kocht ik een lotto-ticket bij de blinde jongen, maar ik won nooit wat. Het leven in de stad leek, op weg naar de feestdagen, gaandeweg te bevriezen, alsof iedereen bedrukt raakte vanwege nog maar een jaar dat voorgoed verloren zou zijn. Wat dat betreft was ik opnieuw onverschillig: in mijn ijdelheid vermoedde ik nog vele decennia de wisselingen der seizoenen te mogen ervaren. Mijn moeder had wat geld opzij gezet en versierde het huis. Zij geloofde in de heiligheid van de feestdagen, ook al had ze zich losgewerkt van de daarmee samengaande religieuze gedachte.
De voorlaatste zaterdag van december, met het aanbreken van de kerstvakantie, nam ik voorlopig afscheid van mijn oude dame en haar appartement. Hoofdstuk zeventien en achttien, meen ik me te herinneren, hoewel ik sindsdien allang de inhoud van het boek achter me gelaten heb. Er waren andere beproevingen waaraan ik me onderwierp, zoals de obligate familiebezoeken. Het winterlicht werd hard. Dat van de herfst was grauw en vloeibaar geweest. Het flatgebouw waar de oude dame woonde leek me een sarcofaag, wat ik nog niet eerder had opgemerkt. De blinde jongen met de lotto-tickets was verdwenen. Ik passeerde een aantal van de brede boulevards waar mensen in kuddes liepen. Zelfs de overvloedige openbare verlichting liet in portieken, in nissen en achter de hoeken met kleine zijstraatjes duistere plekken waar tastbaar de eenzaamheid hing, en waartoe ik mij aangetrokken voelde. Ik bleef bij de zijgevel van een winkelpand staan, schouder en hoofd tegen de muur geleund, alsof ik me een ogenblik lang weer in de klas bevond. In het geruis van de duizenden mensen om me heen meende ik de stemmen van mijn docenten te horen, maar gaandeweg besefte ik dat ik slechts één enkele stem hoorde. Een stem dan nog, die ik niet eerder had gehoord, die ik niet eerder kon gehoord hebben, want ze had nog niet tot mij gesproken.
Of had ze dat wel gedaan? Had het kleine, fletse licht in de hoek van de woonkamer van de oude dame tot mij gesproken, terwijl ikzelf de weinig geïnspireerde of verheffende tekst uit het boek voorlas?
Twee weken lang hield ik mij niet meer met dit raadsel bezig. Twee weken lang probeerde ik de oude dame en haar flat weg te drukken uit mijn gedachten. In alle schemerige hoeken meende ik verwanten van het kleine licht te zien. Misschien niet zozeer verwanten dan wel leden van eenzelfde soort, een soort die misschien op ongemerkte manier bezig was ons aardse territorium in te nemen. Zelfs in de woonkamer van mijn tantes en van mijn grootmoeder hielden zich schemerzones op waar het licht van de zuinige peertjes niet doordrong, plekken waar ik bij eerdere bezoeken nooit aandacht aan had besteed. De kerk was in dat opzicht nog méér een oord van intrigerende zones. Ik verwachtte traag bewegende lichtjes zonder vorm of materie. Het was een hele beproeving voor mij. Geen enkel fenomeen, hoe banaal ook, durfde ik nog achteloos te benaderen. De familiebijeenkomsten waren als een theatervoorstelling die gadegeslagen werd door ontastbare bezoekers.
Na de vakantie nam ik opnieuw het dagelijkse traject naar school op. Het meisje dat ik onderweg zag – ik gaf haar een naam, die ik prompt weer vergat – keek éénmaal mijn richting uit, wat me overdadig deed blozen. Ik bad dat ze het niet in de gaten had. Ik slenterde twintig meter achter haar aan, vastberaden in mijn verlegenheid. Portieken en winkelruiten spanden tegen mij samen. De winterkou van de voorbije veertien dagen was geweken voor een zachte zon. Ik verloochende de schaduwen. In de klas vond ik mijn favoriete postuur weer, luisterde naar Homerus en Herodotus, naar integralen en priemgetallen, de monding van de Ganges en de Honderdjarige Oorlog. De geschiedenis lachte me uit: ik zou nooit een bijdrage leveren. Ik wantrouwde meteen de historici die alleen de bijdragen van de machtigen enig respect verlenen.
Die zaterdag volgde ik mijn plicht op de voet en ging de oude dame, die nog altijd mijn enige klant was, voorlezen. In mijn verbeelding had zij een merkwaardige transformatie ondergaan, en niet alleen zij maar ook haar appartement. De zon had er haar intrede gedaan, de ramen stonden open, er ware verse ruikers, het licht was zelfs doorgedrongen in de diepste hoeken zodat het mysterie van het bewegende licht voorgoed onopgelost zou blijken. De dame zelf, tot dan een schaduw met zachte handen en een ijle stem, bleek veel jonger, en werd voortdurend jonger, tot ze na enkele weken mijn leeftijd zou bereiken.
Onderweg kocht ik alvast een lotto-ticket van de blinde jongen, die bij het horen van mijn voetstappen al glimlachte, alsof ik zijn enige vriend was. Wat ik waargenomen had als een sarcofaag was een gewoon flatgebouw met pseudo-klassieke lijnen, hoge ramen, brede balkons. Het leek op een ministerie of een gerechtsgebouw. De blinde jongen wuifde me achterna. Ik begreep plots dat hij en het meisje de enige bewoners van de stad waren die mij echt leken. Al de anderen – passanten, familieleden, medeleerlingen, docenten – waren slechts de schaduwen geworpen door wezens die telkens élders hun ware leven leidden. Van mezelf wist ik dat ik écht was. Mijn echtheid werd gestaafd door mijn ingehouden rebellie tegen de overheersing van de schaduwen. Ik wilde dat de oude dame, met de aanvang van het nieuwe jaar, de ramen van haar appartement had opengegooid, het licht had binnengelaten, bloemen in de vazen had neergezet (hoewel die in de winter nergens te vinden waren, die bloemen). Het lotto-ticket dat ik zonet in mijn jaszak had gestoken, bewees de echtheid van mijn bestaan. Ik kocht het niet in de hoop te winnen, maar om mijn authenticiteit te bewijzen.
De oude dame had echter niet gedaan wat ik verhoopte. Haar appartement was duister, het rook er naar oude koffie en naar eau-de-Cologne, het rook er naar gebraad en naar muffe kleren. Ik kreeg mijn plaats bij de schemerlamp aangeboden, waar het boek klaarlag. Ik opende het en keek op, naar mijn zo goed als onzichtbare publiek. In de duistere hoek van de kamer wachtte niet één, maar een half dozijn lichtjes op mijn eerste woorden.

(Geplaatst: 6 januari 2006)

 



Redactie

Dick van Zijderveld (hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum

Redactiemedewerkers

Thierry Deleu
Thierry Langeweg

Jos van Liempdt
Pepijn Uljé

 

Redactie

redactie@opspraak.net
www.opspraak.net

insturen kopij: klik hier

ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein