Winnaar
Nieuwegeinse Literatuurprijs 2010
Selene Broers
op zoek naar Odysseus
Ze verbleven een jaar bij ons,
de listige Odysseus en zijn mannen.
Op Aiaia bij de schoongelokte Kirke
en de vier dochters van bos, bron en rivier.
Dat ene jaar was zo vol geluk voor mij,
een dochter van het bos,
maar op andere momenten een ware kwelling.
Kirke had haar dienaressen verboden,
niet te spreken met de gasten,
niet in hun ogen te kijken,
niet in contact te komen met hun lichaam.
Echter overkwam mij een groot ongeluk,
eens toen ik wijn inschonk voor Odysseus.
Mijn blik raakte die van hem,
Hij hield mijn blik vast.
Ik keerde me te laat van hem af;
het kwaad was al geschied.
Alle daaropvolgende dagen, de rest van het jaar
bleef ik aan hem denken.
Toen het bericht mij bereikte dat hij zou gaan,
terug naar huis, terug naar Ithakč,
volgde ik hem in de vroege ochtend naar het strand.
„Knappe man, jij die altijd in mijn gedachten bent,
vertrek niet zonder mij hiervandaan.
Liever ga ik met jou mee naar een onbekend land
dan dat ik hier blijf op dit eeuwige eiland.”
Odysseus echter staarde mij aan,
alsof hij niet zeker was van mijn bedoeling.
Uiteindelijk sprak hij:
„Mooie dochter van het bos,
jij die mijn leven hier aangenamer heeft gemaakt,
ik kan je niet meenemen.
Ik verlang naar mijn vrouw en zoon,
en mijn vrienden naar hun eigen thuis.
Het zou ondankbaar zijn jegens Kirke,
om na zoveel tijd haar gast te zijn geweest,
een dienares mee te nemen van haar eiland.”
Op dat moment verscheen echter Kirke.
„De grote Odysseus heeft gelijk,
jij zult mijn eiland niet samen met hem verlaten.
Als straf voor je ontrouw,
zul je mij echter niet meer dienen.”
Zo sprak zij, mij slaande met haar toverstaf.
Mijn lichaam veranderde in een beeldje,
een houten beeldje van het Paard van Ilion.
De machtige Kirke nam mij van de grond,
en met behulp van haar magie,
wierp ze me te ver van Odysseus vandaan.
Eeuwen leek ik door de lucht te vliegen;
het landschap trok onder mij voorbij.
Toen ik uiteindelijk landde,
wist ik totaal niet waar ik was.
Het enige wat ik kon zien,
was dat ik midden op een zanderige straat lag.
De onbegrijpelijke klanken om mij heen,
werden gesproken door mensen die er anders uitzagen,
Kirke had mij zover van Hellas verwijderd,
dat niets enigszins Grieks leek.
Ik kon me echter niet bewegen,
en werd hulpeloos weggetrapt en opgeraapt.
Een tijdlang verbleef ik in een woning,
zo anders dan die van Kirke,
van de onbekende mensen in dit verre land.
Ik probeerde te begrijpen wat ze zeiden,
een taal lerend zo anders dan Grieks.
Ik moest terug naar Griekenland,
terug naar mijn geliefde Odysseus,
die nu huiswaarts voer met zijn vrienden.
Als beeldje kon ik niet bewegen,
maar Kirke had op één ding niet gerekend –
of was dat haar bedoeling geweest?
Elke keer bij volle maan,
nam ik mijn menselijke gedaante weer aan.
Die ene verlichte nacht kon ik gaan zoeken,
dwalend door onbekend gebied.
Wanneer de rozenvingerige dageraad echter verscheen,
werd ik weer gevangen in het houten beeldje.
Opnieuw hulpeloos voor een maand,
verplaatst naar huizen waar ik niet heen wilde,
vastgehouden door mensen naar wie ik niet zocht.
Langzaam verplaatste ik me over de wereld,
een wereld die groter was dan ik ooit had gedacht.
Als dienares van Kirke op het eeuwige eiland,
had ik mij de duur van een mensenjaar nooit gerealiseerd.
Nu wenste ik vurig dat er niet teveel verstreken,
voordat ik Ithakč bereikte.
De listige Odysseus was een held,
maar zelfs zijn listen konden zijn leven niet verlengen.
Ik hield mezelf echter voor,
dat ik wel de goede kant op ging.
Dat ik elke nacht met volle maan,
dichter in de buurt kwam van Odysseus.
Mijn geliefde Odysseus, die nog leefde.
Ik zag de wereld om mij heen veranderen,
en leerde de talen van de mensen om mij heen,
opdat ik naar hem kon vragen.
Ik kwam steeds vaker in huizen te staan,
waar ik ’s nachts niet uit kon ontsnappen.
Wanhopig probeerde ik te achterhalen,
hoe lang ik al onderweg was,
hoe ver ik van Ithakč verwijderd was,
wanneer ik Odysseus weer zou zien.
Laatst was het echter volle maan,
toen mijn beeldje in een kamer op een plank stond.
Een plank gesitueerd aan de muur,
boven een zitmeubel waarop een vrouw zat.
Ze staarde naar een doos tegenover haar,
een zwarte doos met aan de voorkant bewegende beelden.
Beelden van plaatsen naar waar ik op zoek was,
plaatsen waar Odysseus was.
Toen de vrouw mij echter zag en haar beeldje was verdwenen,
werd ze gegrepen door verbazing.
Het was voor haar haast onmogelijk te bevatten,
wat ik haar vervolgens vertelde, in de taal die zij begreep.
Nadat de rozenvingerige dageraad weer was verschenen,
liet zij mij lange tijd op de plank staan.
Uiteindelijk werd ik verborgen in een donkere tas;
ik wist echter niet waar zij mij mee naar toe nam.
Na een tijdje kreeg ik weer hetzelfde gevoel,
hetzelfde gevoel als toen Kirke mij naar dat verre land liet vliegen.
Was die vrouw ook een tovenares,
die mij nu in een tas ver van Odysseus verwijderde?
Een tovenares zo machtig als Kirke,
omdat zij mij ook zo kon laten vliegen?
Uiteindelijk haalde zij mij echter uit de tas.
We bevonden ons op een strand;
Helios’ ronde door het hemelruim liep ten einde.
Zodra de volle maan mij mijn ware gedaante had teruggegeven,
vertelde de vrouw mij waar wij waren.
Meer dan drieduizend mensenjaren later dan mijn geliefde,
stonden ook wij op het eiland van Odysseus.
Hier hadden ooit zijn voeten de grond geraakt,
hier hadden ooit zijn ogen de omgeving aanschouwd.
Zijn huis was verdwenen,
verteerd door de tijd.
De tijd die ik nooit echt had kunnen begrijpen,
de tijd die mij van mijn geliefde scheidde.
Langzaam dwaalde ik over het eiland,
zoekend naar een teken van Odysseus.
Een teken dat ik uiteindelijk vond,
toen ik de oude bomen aanraakte,
en met het hout versmolt.