o

Petra Boudewijn

Familiebarbecue

Ondanks dat ik geen vlees at, ging ik ieder jaar naar de familiebarbecue. Om mijn ouders te plezieren, om mijn geboortegrond onder de voeten te voelen, of uit een onbestemd verlangen om mijn familie te zien. De barbecue was er eigenlijk één als zo velen, mijn familie was er één als zo velen, eigenlijk was het niets om over naar huis te schrijven. Spreekwoordelijk dan. Wat mijn familie samenbracht, wist ik niet: misschien was het lot, waarschijnlijk gewoon een samenloop van omstandigheden.
De jaarlijkse barbecue verdeelde mijn familie vaak maandenlang, want er moest immers gekozen worden tussen houtskool en gas. Doorgaans begonnen de eerste discussies daarover al met Kerst. Iedereen kreeg de gelegenheid om zijn pleidooi te houden, maar uiteindelijk had mijn opa het laatste woord. Dit jaar was het gas geworden, omdat het vorige keer houtskool was geweest. Vegaburgers verdeelden de familie daarentegen nooit, want die waren er gewoon niet. Er waren wel groenuitgeslagen hamburgers, verkoolde speklappen, sissende worstjes en ander ’platgeslagen slachtafval’ (zoals mijn oom het vlees altijd smakelijk stond aan te bevelen).
Dit jaar was daar geen uitzondering op. Mijn oom stond achter de barbecue te wachten tot de speklappen verkoold waren en vroeg mij naar mijn studie. Ik studeerde al zo lang dat mijn familie intussen gestopt was om er naar te informeren, in plaats daarvan keken zij enkel nog mijn ouders meewarig aan. Dit jaar informeerde mijn oom dus bij uitzondering naar mijn studie. Ik mompelde iets over ideologiekritiek: iets over feminisme en genderstudies. Meestal hield het gesprek daarmee op, omdat feminisme voor mijn familie immers al een uitgemaakte zaak was.
Bonzo stond bij de barbecue te wachten tot er een stuk vlees naar beneden zou vallen. Hij was de hond van mijn opa, een Drentse patrijs, die getraind was om wild aan te wijzen. Het enige wat Bonzo echter aanwees, waren de loopse teefjes uit de buurt, waarna hij dan de benen nam. Overgrootje sloeg hem met haar stok, als hij terugkwam van één van zijn vluggertjes. Zonder succes overigens, want hij deed het volgende keer gewoon weer. Ik deelde de verkoolde speklappen uit en liet er één voor Bonzo van de barbecue vallen.
’Hé Kenau!’ riep mijn oom.
Mijn familie noemde mij Kenau, niet omdat ik ideologiekritiek studeerde of feministe was, maar omdat ik ooit mijn neefje een schedelbasisfractuur sloeg, nadat hij mijn vlechten had afgeknipt. Het incident verdeelde de familie maandenlang. Ik moest spijt betuigen van mijn ouders (ook al speet het me op dat moment niets), mijn neefje werd daarentegen meewarig aangekeken. Toen hij naar het gymnasium ging, werd het echter een verhaal, waar iedere Kerst hartelijk om gelachen werd.
Mijn ouders noemden mij geen Kenau, maar Anna naar mijn overgrootmoeder. Overgrootje was nooit van haar geboortegrond geweest en ze at niet buiten de deur. De familiebarbecue werd dan ook ieder jaar in haar achtertuin gehouden. Mijn ouders hadden haar één keer (dat was meteen de enige keer in haar leven) mee uit eten genomen. Zonder succes overigens, want het eten beviel haar niet. Overgrootje liet de kok komen en zei:
’We waare thuis wel ârm, maar we kokte 't êten wel goar. ’
Ook om dit verhaal werd ieder jaar met Kerst smakelijk gelachen.
’Hé Kenau!’ riep mijn oom opnieuw, ’jij studeert toch voor feministe?!’
Mijn broer en ik waren de enigen in de familie, die aan een universiteit studeerden (het gymnasium van mijn neefje ten spijt). Mijn broer studeerde geneeskunde. Hij zou dokter worden en mensen genezen. Hij zou iets bedenken op kanker of aids. Ik werd echter feministe, terwijl vrouwen al geëmancipeerd waren, daar had de wereld dus niets aan.
’Maar vrouwen zijn toch allang geëmancipeerd?’ merkte mijn oom vertwijfeld op, terwijl hij worstjes op de barbecue legde.
Ik legde hem uit dat mannen en vrouwen niet gelijkwaardig waren, dat mannen de maatschappelijke maatstaf vormden (ook voor vrouwen) en dat er van gelijkwaardigheid dus geen sprake was, terwijl langzaam het vet uit de worstjes sissend langs de barbecue droop.
’Vrouwen zijn nog lang niet geëmancipeerd.’
’Als jullie nou eens een middel tegen kanker zouden vinden,’ lachte mijn oom, die intussen de worstjes omdraaide.
’Of aids,’ mompelde mijn tante.
’Anna gaat de wereld veranderen,’ riep mijn broer vrolijk door de achtertuin.
’En jij dan? Jij studeert toch geneeskunde?’
’Ik ga er voor zorgen, dat dezelfde mensen langer leven, daar verandert de wereld niet van!’
Ik deelde de worstjes uit, terwijl Bonzo mij op de voet volgde. Bij terugkomst legde mijn oom een stuk vlees van de barbecue op mijn bord. Het was groen.
’Hier! Eet smakelijk!’
’Wat is dat?’ vroeg ik vertwijfeld.
’Dat maakt niet uit, als het maar veel is!’
’Ik eet geen vlees,’ mompelde ik.
’Ach, da's geen vlees, da's groen! Hartstikke gezond!’
Mijn oom bulderde van het lachen. Het was vermoedelijk een hamburger, want dat was het enige vlees dat ieder jaar groen uitsloeg op de barbecue. Ik liet de hamburger in de handtas van mijn tante glijden. Bonzo zou hem weten te vinden. Hij had afgelopen jaar een handboek genderstudies uit mijn schoudertas verslonden, want de hond van mijn opa at alles: hamburgers, speklappen, feministische kost. Hartstikke gezond, spreekwoordelijk dan. Mijn tante en ik stonden daarenboven op gespannen voet, niet alleen had ik haar zoon een schedelbasisfractuur geslagen, maar ook zij was naar Overgrootje vernoemd: we streden daarom allebei om haar gunsten en gunst baarde nijd.
Intussen stond Bonzo bij de barbecue ongeduldig tegen mij op te rijden. De speklap, die ik had laten vallen, smaakte naar meer. Ik mocht dan op de universiteit feministe zijn, bij mijn familie wist ik niet wat ik met een oversekste Drentse Patrijs aanmoest. Ik duwde hem van me af en begon hamburgers om te draaien. Bonzo begreep mijn afwijzing echter als een aansporing (zoals mannen dat wel meer deden): hij besprong mij, ik viel achterover en de barbecue ging omver. Het groenuitgeslagen vlees vloog door de achtertuin.
Toen kwam Overgrootje met haar stok en draaide de gaskraan dicht.
’Dat gevrêt van-oe, 't is genoeg gewies,’ mompelde ze, ’Ik goa naar bed!’
Daar was ik dus naar vernoemd dacht ik trots, terwijl mijn familie bulderde van het lachen. Misschien was het een samenloop van omstandigheden die ons samenbracht, waarschijnlijk gewoon lot. Ik verlangde alweer naar de volgende familiebarbecue. Komend jaar op houtskool uiteraard.

 



Redactie

Dick van Zijderveld (hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum

Redactiemedewerkers

Thierry Deleu
Thierry Langeweg

Jos van Liempdt
Pepijn Uljé

 

Redactie

redactie@opspraak.net
www.opspraak.net

insturen kopij: klik hier

ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein