| OpSpraak, jaargang 9,
nummer 22, zomer 2003

klik hier voor een vergroting van de illustratie
Persbericht
In de 22e editie van het literaire
tijdschrift OpSpraak zet hoofdredacteur Jack Koehorst in het redactioneel
vraagtekens bij de ‘cross over’ literatuur van J.K.
Rowling. Hij citeert dankbaar uit de pers en vraagt zichzelf af
of hij ‘cultuurpessimist’ is. klik hier
Redacteur Barney Agerbeek bezoekt L’Huy
Préau in Frankrijk om inspiratie op te doen bij Rutger Kopland.
Zijn verslag mondt uit in een bespiegelend interview - ‘zonder
taal zijn we niemand meer’ - en een wijze les in poëzie.
Jack Koehorst zet in zijn zoektocht naar de
synthese tussen vorm en vent het zoeklicht op Achnaton, ketterkoning
en dichter. Hij suggereert, zonder het te zeggen, dat de 3.500 jaar
oude ‘Zonnehymne’ tot de literaire canon gerekend zou
moeten worden.
Redactrice Jet van Swieten gaat in op het verband
tussen Paul van Ostaijen en De Stijl. Ze bekijkt muzikale en typografische
constructies en geeft haar artikel de titel ‘ontbrekende schoonheidsontroering’
mee.
Columnist Werner Tholen komt via een briefje
in de supermarkt tot ‘onzichtbare netwerken’ en ‘ruimteschepen’.
In zijn rubriek ‘gekken & dwazen’ behandelt hij
Jan Emiel Daele tot en met diens afscheidsbrief.
Poëzie van Barney Agerbeek, Miranda Mei,
Jan Kleefstra, B. Mous, Louise Broekhuysen en en de Vlaamse Iris
van de Casteele. Tenslotte proza van Ruud van Weerdenburg en Jacob
Boumeester.
INHOUD
Jack Koehorst:
Klaar? Over!
klik hier
Barney Agerbeek:
Rutger Kopland - ‘Zonder taal zijn we niemand meer
Jack Koehorst:
Vorm én vent - op zoek naar de synthese (2): Achnaton, ketterkoning
en dichter
Jet van Swieten:
Muzikale en typografische contstructie: ontbrekende schoonheidsontroering
Werner Tholen:
Ruimteschepen
Wim Buitendijk:
Etsen uit de serie ‘binnenvaart II’
Barney Agerbeek:
De weg naar een ligplaats
Miranda Mei:
Biljerte
Miranda Mei:
Biljarten
Jan Kleefstra:
Wat ik heb gehoord
Jan Kleefstra:
Er moet veel wind zijn
B. Mous:
Riefenstahls kostgangers
B. Mous:
De film
Louise Broekhuysen:
Buitenplaats
Iris van de Casteele:
Nachtgedicht
Werner Tholen:
Gekken & dwazen: Jan Emiel Daele
Ruud van Weerdenburg:
Angst in London: een nieuw hoofd
Jacob Boumeester:
Sluitstuk: muur
REDACTIONEEL
Klaar? Over!
In de Ligusterlaan, op nummer 4, woonden meneer
en mevrouw Duffeling. Ze waren er trots op dat ze doodnormaal waren
en als er ooit mensen waren geweest van wie je zou denken dat ze
nooit bij iets vreemds of geheimzinnigs betrokken zouden raken waren
zij het wel, want voor dat soort onzin hadden ze geen tijd.’
De eerste alinea van het beroemde ‘cross
over’ boek ‘Harry Potter en de steen der wijzen’
van J.K. Rowling. ‘Populair bij jong èn oud,’
staat op de achterflap te lezen, ‘En terecht, want wie eenmaal
kennis heeft gemaakt met de sympathieke tovenaarsleerling, is voorgoed
verkocht!’ Een citaat uit de boekbespreking in de Libelle.
Tjonge, jonge, reageer ik dan. Meteen lezen! Want ik wil wel eens
weten of ik de juiste instelling heb om een beroemd ‘cross
over’ boek te lezen.
In de boekenbijlage van de NRC stond onlangs
een artikel van Judith Eiselin over het verschijnsel ‘cross
over’ – boeken voor kinderen én volwassenen.
Daarbij een foto van volwassen dames met een tovenaarshoed, in een
lange rij in een boekhandel. Het artikel eindigt met: ‘Weg
met de tovenaars, ruim baan voor de detectives.’
Dit voorjaar stond in de boekenbijlage van
De Volkskrant ook een artikel over hetzelfde verschijnsel. Auteur
Hans Bouman eindigt met: ‘Een kinderboek is, in eerste instantie,
geruststellend. Ik kan me voorstellen dat het aanlokkelijk is je
daardoor te laten meevoeren. Maar werkelijk literair belangwekkend
is dat natuurlijk niet. Echte literatuur is verontrustend.’
Ik ben gerustgesteld, want ik vroeg me af hoe het dan kwam dat ik
in Potter niet verder kon komen dan pagina zeven. En dat is al heel
ver, begrijp ik van anderen.
Het verschijnsel stemt toch tot nadenken, merkte
ik. Waarom? Het is de schuld van J.K. Rowling, volgens Eiselin.
Bouman citeert Anton Korteweg van het Letterkundig Museum: ‘Het
lezen van complexe romans wordt door veel mensen als moeilijk ervaren.
In zo’n geval bieden kinderboeken uitkomst. Ik ken ook mensen
die alleen naar het Jeugdjournaal kijken.’ – ik ook,
maar die doen het om onze taal te leren – Korteweg besluit:
‘Daar komt niet te veel ellende in voor. Zo kun je een rooskleurig
wereldbeeld overeind houden.’
Lees ik laatst ook nog in De Volkskrant dat
studenten letterenstudies laten liggen. Ze doen liever ‘Europese
studies’ en ‘Cultuurwetenschappen’ – wat
moet je daar mee? ‘Onze cultuur is een beeldcultuur aan het
worden,’ eindigt het artikel. ‘Beeld is nu eenmaal makkelijker
dan tekst.’ Daarbij: als onze jongeren geen Frans, Duits en
Engels meer willen studeren, kunnen we straks geen fatsoenlijk vertaald
boek meer kopen.
Als ik deze verschijnselen verontrustend begin
te vinden, krijg ik het stempel ‘cultuurpessimist’ op
mijn voorhoofd. Daaronder de subtitel ‘elitair.’ Voor
volwassenen die liever kinderboeken lezen en het jeugdjournaal kijken
ben ik dat ook. Een troost voor mij: zij zullen nóóit
de hemel ontdekken. Ik ook niet. Echter, ík weet het. Moet
ik daar blij mee zijn?
Jack Koehorst
|