nummer 9, jaargang 4, herfst/winter 1998

 

 

Redactioneel

Jack Koehorst en Frans de Birk

Een wereld van boeken en boekenkasten
een interview met Jack koehorst

John Prins

Drammen

Jacq. S. Bah

Meanderkrant

Huub de Bel
Carel Mores
Alfred Schaffer
Eddie Lie
Martin Bier
MEnno (vd Beek)

OpSpraak Poëzie

Deen Engels
Jan Bontje
David van Bambost
D.J. Delahaye
Helen Smit
Petra Spek
Thomas Bosgaard
Hans Kilian
Wim den Engelsen
Lucie de Bazel
V.S. Scholze
Gerrit Knoester
Frans de Birk
Hans Verdonk
Jeroen Greveling
Margreet Spoelstra

Refrein van de toekomst

Frans de Birk

Kinderen en mensenrechten

Meron
Eva
Angelique
Sarah
Jacqueline
Nena

Aan Lani

Jack Koehorst

De eeuwigheid

Henk Korebrits

Ondanks Kaïn (3): Zondebesef

Maxime Grasky

Winegums

Iris Boter

Geertje

Thomas Bosgaard

NieuwsSpraak

Recensie "De geesten spreken"
Henk Korebrits wint derde prijs "Schrijven in de zomer"
OpSpraak genomineerd voor Nieuwegeinse Cultuurprijs 1998
Literatuur op het Internet
OpSpraak Poëzieprijs 1999

NU

b e s t e l l e n ! ! !

 

 

 

 

 

 

 

Ondanks Kaïn (3): ZondeBesef

Maxime Grasky

De kerk is al voor acht uur open. In de supermarkt haal je verse melk en laat je lege flessen. De kerk vergeeft je al je zonden en schenkt je ziel rust. Daar is misschien wel meer markt voor dan voor zuivelproducten. Maar de kerk vraagt geen vergunning voor het verlengen van de openingstijden. Het huis van God op aarde stelt zelfs krappere openingstijden in. De toeloop zal zeker niet de top-tien halen van een marketing-tijdschrift. De mensen verkopen liever hun ziel en zaligheid aan de massamedia. Slechts een uurtje op zaterdag en een uurtje op zondag giert het orgel en jubelen de mensen in koor. Waarom is deze kerk dan voor acht uur open?

Abel liep op zijn tenen de kerk in. Dit was de enige plaats waar zijn ziel rust kreeg. Was het misschien omdat hij minder zielen op zijn geweten had dan menig heilige? Of kwam het door de dolende ziel van de moeder van zijn kind? Speelde de geest van zijn moeder soms weer een intrige? Of kwam het wellicht door Kaïn? Vragen die hij weigerde te overdenken. De antwoorden zouden nog meer vragen oproepen. Er zaten al genoeg vragen in zijn hoofd. Hij moest zijn best doen die niet de overhand te laten krijgen in zijn leven.

Pijlers met kapitelen droegen een dak dat hoog in de gewelven in pasteltinten engelen deed zweven. Van alle kanten keken vrome, strenge heiligen op hem neer. Jezus staarde verstrooid van zijn kruis door de gebrandschilderde ramen naar buiten. Het volle licht stond op Maria, de moeder van Reve. Vanuit de resten van duizenden kaarsen straalde het geofferde licht op het aangezicht van de maagd. ‘Waarom, moeder, waarom?’ prevelde Abel.

Hij koos drie kaarsen uit en deed munten klinken in een tinnen bak. Eén voor de moeder van zijn kind, één voor de moederschoot en één voor de moeder van God. Zijn schuldbesef vulde het koor van de kerk. Een traan wilde vertrekken, maar werd gedoofd in het gele licht van de kaarsen. Maria was de personificatie van de onschuld. Abel voelde zichzelf de reïncarnatie van het kwaad. Deze gevoelens kreeg hij alleen in een kerk. Daarbuiten was zijn hart koud.

Devoot geknield, met de ogen gesloten, dacht Abel voor een kort moment aan niets. Een bevrijding. Eindelijk kon hij alles achterlaten: de schimmen uit Libanon, Angola en Bosnië. Het was weer stil in zijn hoofd. Hoe lang zou het duren voor er weer iemand zou vallen over een struikeldraad en een boobytrap deed afgaan in zijn hoofd? Hij kon al bijna gaan aftellen: ‘Tien, negen, acht, zeven, zes…’

In de hoeken van zijn geloken ogen zag hij dat het gele kaarslicht bloedrood werd. Een heel lage ondertoon gromde in zijn buik, maar zijn oren hoorden alleen de stilte die kaatste tussen het zandsteen. Het ritselen van een gewaad met vele lagen trok zijn aandacht. Zijn ogen werden groter en groter: hij zag hoe de Heilige Maagd haar rokken ordende en voorzichtig van haar voetstuk klom. Een moment van ingehouden adem begeleidde het slippen van een muiltje, maar Maria hield zichzelf goed vast. Eenmaal onder aan haar altaar aangekomen schikte Maria haar rokken, draaide in het rond en blies met grote kracht alle kaarsjes in een keer uit. Ze draaide zich naar Abel en grijnsde boosaardig. Haar ogen waren bloeddoorlopen. Abel versteende. Hij merkte dat haar slanke vrouwenhanden klauwen bleken.

‘Zo, Abel’, sprak de Maagd met een verbazingwekkend lage stem. ‘Hoe voelt het aan de jaren des onderscheids te bereiken en te merken dat niets is wat het lijkt?’ Abel was te verbouwereerd om een reactie te geven. ‘Al tweeduizend jaar aanbidden al die gelovigen mij, met de devotie die voor mij stuitend is. Wat denk je dat dit mij deed?’ vervolgde Maria. ‘Om dat te kunnen doorstaan, moet je je ziel wel aan de duivel verkopen’. Ze ging naast hem in de kerkbank zitten en legde een arm om zijn schouder. ‘Ik ben door dat gehuichel net zo slecht geworden als jij. Sterker nog. Verleken bij mij ben jij een engeltje. Besef je wel wat al die mensen in al die eeuwen in mijn naam hebben gedaan?’ Een satanische lach galmde door de kerk.

‘Zo sta ik dan in elke kerk en op miljoenen bidprentjes. Ik geef de mensen wat ze willen. In jullie eeuw noemen jullie dat ‘marketing’. De duivel noemt dat ‘de grote verleiding’. Ik speel mijn rol en zij betalen allemaal met hun ziel. En jij, pathetisch mannetje! Jij bestrijdt het kwaad te vuur en te zwaard. Het enige wat je doet is de duivel in de kaart spelen. En je bent te dom om dat ooit in te zullen zien. Je bent mijn instrument, maar in dienst van satan. Zo zijn de rollen weer goed verdeeld en kan ik vroom mijn werk doen en al die mensen recht in de ogen kijken als zij een kaarsje komen branden’.

Maria stond op en liep van Abel weg. ‘Ga vooral door, Abel, mijn zoon. Laat je telkens weer door Kaïn slachten en neem wraak. Neem eeuwig wraak’. Achter in de kerk dreunde een deur. Maria snelde naar haar altaar en keek nog eenmaal om naar Abel: ‘Laat je klewang maar rustig door al dat onschuldige zachte vlees glijden. Met liefde lukt het toch niet!’ Ze duwde een standaard met gedoofde kaarsen omver en klom rap terug naar haar voetstuk. Na een ondeugende knipoog in de richting van Abel te hebben geslingerd werd zij weer van hout.

‘Kan God je ergens mee van dienst zijn, mijn zoon?’ De zachte zalvende stem doorsneed de stilte. De soutane van de priester kwam op Abel bijna blasfemisch over: een weke huichelaar in een antiek pak. Abel sprong overeind en stond automatisch in een bokshouding tegenover de herder van God. ‘Een robbertje knokken met God?’ vroeg de priester. ‘Wel, God is er klaar voor! Hij gaf mij er zelfs twee wangen voor.’ Abel deinsde terug. Hij kon God niet slaan, want dan werd zijn zonde onmetelijk. God was te groot en de mens te klein. Waarheen kon hij nog gaan? De duivel dreef hem de kerk uit om nooit meer terug te keren. Daarom was de deur al voor acht uur open.

Abel rende de trappen af en het grote stille plein over. Achter in de auto lag zijn dochter te slapen. Onwillekeurig moest hij denken aan de maanden voor haar geboorte. Maar dat was een ander verhaal. Hij stapte in, startte de motor en reed weg…

 

<img src="../../images/copyr.gif" width=60 height=60 border=0>
COPYRIGHT 1995-1999