nummer 7, jaargang 4, februari 1998

 

 

(werkelijk formaat: A4)


Inhoud

opspraak poëziewedstrijd 1998

1e prijs "Overweging" Hein Walter
2e prijs "Ode aan de buurvrouw (Ineke)" Thomas Bosgaard
3e prijs "Waar het grauwe gruis..." V.S. Scholze
eervolle vermelding "Nachtvorst" Corrie de Wit
eervolle vermelding "Elegie (voor Jules)" Willy Sennebad-Henrich

Proza

en Poëzie van (een selectie uit de overige inzendingen voor de wedstrijd)

 


1e PRIJS
opspraak poëziewedstrijd 1998

Overweging
door: Hein Walter

Mijn pad gloeit over plooiende paden,
langs weiden van zomerbloemen, zomen
van bossen waar gekriskraste bomen
hun donkere geheimen bewaken;

geen pieken en dalen in mijn verschiet.
Anderen liepen me voorbij, sjouwden
met haken en opgerolde touwen,
bedoeld om te klimmen. Zij zagen niet

hoe de afgronden hun grimasbekken
al smachtend en kwijlend opentrokken;
zij hadden alleen oog voor het hoge.

Ik ging ze niet na, maar plukte paarden-
bloemen en margrieten. Ik keek naar de
hoogte. Even klimmen overwogen.

 


2e PRIJS
opspraak poëziewedstrijd 1998

Ode aan de buurvrouw (Ineke)
door: Thomas Bosgaard

De buurvrouw zwaait naar mij als ik voorbij
kom. op de fiets om naar de stad te gaan.
Haar handgebaar voelt als een streling aan
en tot het einde van de straat voel ik mij
koning in haar ogen

een hoge piet op wielen, die zijn bood-
schappen gaat doen. de dagelijkse dosis
overvloed aan wat de maatschappij te bieden
heeft: brood, beleg, aardappelen, schoenen
wegbrengen enz. ook hoge pieten moeten
eten. hun schoenen slijten dezelfde dood

daarom m’n ‘rijtoer’ op m’n stalen ‘paard’,
waarvan de trappers stijgbeugels zijn. De
karrosserie is lijf, het zadel krijgt gelijk een
breder zit... met het stuur - de teugels - losjes
in m’n handen, kom ik met bel en ketting,
spaak en spatbord, rammelend aan en
groet spontaan m’n onderdaan.

 


3e PRIJS
opspraak poëziewedstrijd 1998

Waar het grauwe gruis...
door: V.S. Scholze

Waar het grauwe gruis
van verleden dagen
het eeuwige stof doet opwaaien
streelt een geaarde zonnestraal
met intense zachte warmte
mijn gezicht
De betrokkenheid
blaas ik van de dingen
zodat ze weer leven

Ik zie de volmaaktheid
in iedere kern van vuur
en maak een gedachte
die langzaam afdwaalt
tot in het diepste
van mijn ziel

 


EERVOLLE VERMELDING
opspraak poëziewedstrijd 1998

Nachtvorst
door: Corrie de Wit

Als ik zie hoe de laagstaande zon
zijn gouden gloed verspreidt
over mijn nog dor gazon
en ik zie de aarzelend klauwende handjes
van groeiende jonge plantjes
valt het mij moeilijk te geloven
dat binnen enkele uren
een ijskoude sluier
dit hoopvol ontluiken
toedekken zal.

Nog ongelooflijker
komt het mij voor
dat vannacht op mijn slaapkamerraam
witkanten bloemen zullen bloeien.

 


EERVOLLE VERMELDING
opspraak poëziewedstrijd 1998

Elegie (voor Jules)
door: Willy Sennebad-Henrich

Ik mis je zo, mijn lief, ik mis je zo.
Ik zoek je ergens daar, voorbij aan wind en
wolken, tussen blauw en indigo.
Ik mis je zo, ik kan je nergens vinden.

Verborgen ben je, in de geur van bloemen
en in de klank van een adagio.
Ik mis je zo, ik blijf je naam benoemen.
Ik mis je zo, mijn lief, ik mis je zo.

 


Het verschil tussen de werkelijkheid...
Door: Norma Jonkers

‘De poorten van het jaar
openen zich, als die van taal,
naar het onbekende.
Vannacht zei je:
morgen
moeten we een paar tekens ontwerpen,
een landschap schetsen, een verhaal weven
op de dubbele pagina
van het papier en de dag.
Morgen moeten we opnieuw
de werkelijkheid
uitvinden van deze wereld.’

(Dit is het eerste deel van het gedicht ‘De eerste januari’ van Octavio Paz)

Schrift bewaart de taal in de tijd. In de loop der tijd verandert het taalgebruik, zodat we het in bepaalde perioden kunnen plaatsen.
Met taal geven wij gedachten, gevoelens, emoties aan elkaar door. Communicatie. Taal kan verhelderen, door vage gedachten onder woorden te brengen, fragmenten van herinneringen op te schrijven, het te ordenen en vormen tot een duidelijk verhaal, verstaanbaar maken van het onuitsprekelijke. Verscholen dingen gestalte geven. Een beeld creëren op papier en in andermans hoofd. Tenminste dat hopen we, want er zit een addertje onder het gras: dat beeld kan voor velen redelijk overeenkomstig zijn, maar blijft oncontroleerbaar! Hoe abstracter het beeld-taalgebruik des te ruimer kan iedere lezer zijn persoonlijke interpretatie geven. Plotseling zien we dat er verschillende opvattingen over hetzelfde verhaal bestaan. Verschillende werkelijkheden bestaan naast elkaar. Door het gebruik van de taal zien we dat werkelijkheid niet star is. Een levende bewegende werkelijkheid...
In onze pogingen de beleving van de wereld aan anderen te vertellen blijkt hoe kwetsbaar en onvolkomen de taal is. Woorden schieten te kort... kun je figuurlijk opvatten, de letterlijke betekenis doet zich als schrijnende machteloosheid voor. Tijdens de vakantie wel eens in die vreemde landstaal geprobeerd boodschappen te bestellen? Kinderen (en ook volwassenen) dromen soms begrepen te worden zonder een woord te hoeven zeggen. Het tekort aan woorden en uitdrukkingen om gevoelens en gedachten over te brengen toont de beperkingen van taal.

Gaat poëzie de confrontatie aan met de grenzeloosheid van de werkelijkheid? Tracht poëzie de grenzen van de taal te doorbreken? Zoekt de dichter naar vrijheid om zijn grenzeloze werkelijkheden te verwoorden?
Individuen hanteren en gebruiken taal letterlijk individueel. Vooral schrijvers en dichters verzinnen graag nieuwe woorden, combinaties en manieren van tekstopbouw om zich beter uit te drukken, soms zelfs een heel nieuwe taal, wat jammer genoeg tot nog meer onbegrip leidt voor niet-ingewijden. Dit spelen met taal hoeft niet direct poëzie op te leveren.
Wanneer noemen we een tekst eigenlijk poëzie? Talent, stijl, creativiteit, taalvaardigheid, vakman-schap, vorm, compositie. Allemaal onontbeerlijke ingrediënten. Behalve talent en stijl, die met persoonlijke aanleg te maken hebben, zijn de overige zaken aan te leren. Laten we de omgeving van de tekst, de context niet vergeten. Wanneer iemand aan zijn huisarts uitlegt: ‘...en mijn stem hij dartelt en klapwiekt als een donkere boom aan een bron...’, zal de arts, hem kennende, het als zwaar overdreven taalgebruik negeren of de fraaie zinsneden mogelijk waarderen als poëtisch, maar gezien de problemen met de patiënt zijn stem, deze niet als zodanig opvatten. Vormt het een onderdeel van een gedicht uit het oeuvre van Lucebert dan is het poëzie. Wij herkennen het als poëzie, omdat het zo bedoeld is en het is bewust in die omgeving geplaatst. Maar er komt nog meer bij kijken.
Alledaagse beslommeringen zijn eentonig. Ze leveren slechts oninteressante klaagliederen op doorspekt met overbekende clichés en voorspelbare antwoorden waar niemand op zit te wachten. Lezers willen verrast worden; tot welke ontdekking leidt die vage spanning? Schrijven is fantaseren in vrijheid. Het bekende een onverwachte wending geven.
Er zijn moderne (proza-)schrijvers die zich bedienen van een bikkelhard slot gedoopt in seksuele of criminele gewelddadigheid, zodat de lezer in ware ontluistering achterblijft. Deze onthutsende recht-voor-zijn-raap mentaliteit beschouw ik als een vorm van creatieve armoede en morele aftakeling. Boulevardbladsensatie. De onverwachte subtiliteit, een vondst knap door eenvoud, een bijna voor de hand liggende oplossing waar niemand aan dacht, is meer wat ik hierbij voor ogen heb. Werkelijkheid en fictie vermengen tot een nieuwe realiteit. Het aardige is dat je emoties hiermee kunt verdiepen en versterken, of juist verzwakken. Met fantasie zet je de realiteit naar je hand. Het biedt ruimte aan nieuwe perspectieven. We staan immers machteloos tegenover de waarheid. Inderdaad: literair liegen is legaal. Zelfs noodzakelijk. Vergeet dat waarschuwende vingertje van onze opvoeders!
Creatief liegen vergt vakmanschap. Het moet wel op een soort werkelijkheid lijken, geloofwaardig zijn; tenzij het duidelijk als fantasie bedoeld is. De ik-figuur in een gedicht wordt nogal eens aangezien voor de schrijver zelf. Een minder ervaren dichter zal zich terecht betrapt voelen; creatief liegen vergt oefening. Het kost durf en fantasie om de ‘ik’ in een vers een verzonnen persoon te laten zijn.
Over deze verwarring schreef Volkskrant-columnist Kees Fens, naar aanleiding van het tv-programma De Plantage, afgelopen december, terecht: ‘...En zo werd dat werk op zijn eerlijkheid onderzocht. Alsof al die ‘ikken’ in zijn verhalen S. Carmiggelt, journalist te Amsterdam, zijn. Over het liegen van de waarheid blijkt men steeds minder te hebben gehoord. De nieuwsgierigheid naar de mens bleek ook hier groter dan die naar het werk. Op televisie en in interviews wordt het centraal stellen van de schrijver en diens leven steeds sterker. En daaruit volgend het door elkaar halen van leven en werk. ...de meeste lezers weten nu over de levens van Frederik van Eden, H. Roland Holst, etc., meer dan over hun werk, dat bijna niemand meer leest...

Onze manier van kijken wordt bepaald door onze hersenen. We weten van tevoren al wat we zien. Probeer eens te kijken met gloednieuwe ogen, misschien die van een vogel die op zijn kop vliegt of van de videocamera die de wereld registreert vanuit de bagageruimte van je rijdende auto. Gebruik je fantasie en verzin zelf eens een stel onwaarschijnlijke oogpunten. Observeer nu je onderwerp met nauwkeurige intensiteit. Beschrijf bijvoorbeeld in detail voorbijflitsende voorwerpen, mensen en hun gedrag.
Het volgende fragment komt uit het surrealistische prozagedicht ‘Mijn leven met de golf’ van Octavio Paz.

‘...‘Hoe ben je thuis gekomen?’
‘Heel gemakkelijk - met de trein. Iemand heeft vastgesteld dat ik alleen maar zout water was, en gooide mij toen in de locomotief. Het was een onrustige reis - plotseling was ik een witte stoomwolk, en dan weer viel ik als motregen neer op de machine. Ik ben sterk vermagerd. Ik ben heel wat druppels verloren.’
Haar aanwezigheid veranderde mijn leven. Het huis met zijn donkere gangen en bestofte meubelen werd gevuld met lucht, met zon, met geluiden en met groene en blauwe weerspiegelingen, een talrijk en gelukkig volkje van weerkaatsingen en echo’s. Hoeveel golven is één enkele golf, en wat prachtig kan een golf een muur, een borst, een voorhoofd, maken tot een strand of een rots of een golfbreker, door die met schuim te bekronen!...’

Poëziepubliek vormt slechts een beperkte groep, daarmee vertel ik geen nieuws. Redenen te over. Te moeilijk. Niet geïnteresseerd. Te tijdrovend, zich geen rust kunnen geven. De wereld van het gedicht is saai, onbegrijpelijk of zelfs bedreigend. Niet iedereen staat open voor de onverklaarbare herinneringen, de emoties en vragen die het oproept. Beter het te negeren, verbergen, minachten en zelfs ontkennen. De mens van nu lijkt moeite te hebben om zich in te leven in een ander persoon, in een vreemde situatie. Dit vermogen tot empathie staat dan ook in schril contrast met de werkelijkheid van de tijdgeest: jeugd, zappen, snelheid, agressie, shockeren, sensatie, spanning, letterlijk oorverdovend lawaai, luchtig amusement...
Of is dit juist een poging om te ontsnappen aan een bepaalde werkelijkheidsbeleving?
Volgens marktonderzoek is de gemiddelde consument oppervlakkig en niet bijster intelligent.
Het merendeel van de lezers wordt graag betrokken bij haat, nijd, misdaad en allerlei ellende. Samen met hoog oplopende ruzies en intriges staan deze gegevens bijna garant voor een bestseller. Inderdaad, zij vormen de commerciële successen van uitgevers, ga maar eens kijken bij de Bruna en het aanbod in de lezers-top-tien. De zeldzame en bedreigde diersoort; de Originele Liefhebber van een Goed Boek moet zijn waar met een vergrootglas zoeken.
Poëzie lijkt van een andere orde. Mooi is niet spannend, en wel aardig prikkelt niet.
Is poëzie dan inderdaad iets gewichtigs, iets met diepe gedachten, iets vaags over wind, natuur, nacht, tijd, iets zweverigs over stilte, eenzaamheid, ruimte, liefde en dood? Zou poëzie niet meer van deze tijd zijn? Ouderwets geleuter?
Moderne poëzie van jonge dichters neigt opvallend meer naar actualiteit, dagelijkse realiteit, stadsleven. Zeg nu zelf, natuur en stilte, ruimte en eenzaamheid zijn inmiddels nauwelijks meer te vinden en tijd komt iedereen te kort, zo lijkt het. Maar toch, in een eigentijds jasje gestoken, staan deze onderwerpen nog steeds op de lijst. Poëzie kent geen tijd. Poëzie blijft.

Ted van Lieshout schrijft en tekent voor kinderen, in dit gedichtje ‘Buigen’ raakt hij de kern van de eenvoud.

‘Ik zweef boven iedereen uit
in het geheim - de wereld weet
nog niet precies dat ik er ben.

Ik moet soms ook nog wennen
aan mezelf, maar mijn voorsprong
is al groot . Wie mij voorbij wil

op de fiets, moet om mij heen
in een bocht. En een bocht
is wel een soort van buigen.’

Wat treft ons in een gedicht? Waarom vinden we het mooi? Een vers dat bij blijft pakt ons ergens en het hoeft niet eens ‘mooi’ te zijn. Hoe komt het dat dat treffende gedicht een ander maar matig aanspreekt?

Individuele smaak. Begrip. Herkenning van eigen milieu, groep. Spiegel. Verschillende persoonlijkheden. Het speelt allemaal een rol. Jouw waarheid hoeft niet gelijk te zijn aan die van de ander.
Betekenissen, werkelijkheden, waarheden zijn alleen de onze. Het gedicht is een ding op zich, jij geeft er betekenis aan, het wordt de drager van persoonlijke werkelijkheid. De wereld om ons heen, de dingen, de gedichten zullen bestaan wanneer wij er allang niet meer zijn en met ons verdwijnen de betekenissen die wij er aan gaven. Wij zijn de tijdelijken. Wij beginnen en eindigen. Wij verlangen naar de dingen van vroeger, geven er zo meer betekenis aan dan het ooit in werkelijkheid had.
Getroffen door de woorden, door de herinnering aan onze emoties die de regels opwekken, wordt het deurtje geopend van het kamertje waar zij liggen opgeslagen. De magie van het woord doet ons aan onze tijdelijkheid ontstijgen.
Een goed gedicht wekt nieuwsgierigheid, staat voor avontuur. Een ontdekkingsreis vol nieuwe perspectieven. Je verstand moet er steeds opnieuw aan proeven en ruiken, omdat het telkens een nieuwe geur of smaak bespeurt. Het prikkelt een andere manier van denken, laat parallelle werkelijkheden zien.

Laten we er niet schouderophalend aan voorbij gaan. De inzichten van de dichter kunnen een beeld geven van een toekomstige, voor ons simpele tijdgenoten nog onzichtbare werkelijkheid. Een kunstenaar kan zijn tijd ver vooruit zijn. Het werk wordt pas op waarde geschat wanneer de tijd daar rijp voor is. Van Gogh’s schilderijen werden tijdens zijn leven ook niet bepaald gewaardeerd.
Een goed gedicht doet nog iets heel anders. Het roept herinneringen op. Nee, niet aan reële gebeurtenissen, maar, hoe wonderlijk ook, juist aan onbekende. En of die op voorbije werkelijkheid berusten? Zou het juist de mate van zwijgen van de woorden zijn, de vatbaarheid voor speculaties, de ruimte voor fantasie van de lezer, dat een gedicht tot poëzie maakt? Het ontbreken van de ‘ant-woorden’.
De dichter, of beter het gedicht en de lezer spelen samen het spel. Scheppen samen hun werkelijkheid. Er moeten zo vele werkelijkheden zijn.
Wanneer we ons in de werkelijkheid verdiepen, dan blijkt ze meervoudig en veelsoortig te zijn.
Poëzie is voor velerlei uitleg vatbaar, daarom denk ik dat je een kunstwerk, poëzie, niet kan uitleggen. Elke poging om het te ontrafelen en uit te pluizen is zinloos. Elke poging om het in een hokje te stoppen er een vertrouwde uitleg aan te geven, categorie vast te stellen, komt voort uit onze behoefte aan zekerheid en veiligheid. Wij willen het vreemde begrijpen, zodat we er grip op hebben en het kunnen beheersen.
De openheid en de onbevangenheid van een kind zou je als volwassene moeten koesteren...
Er zit nu eenmaal verschil tussen de werkelijkheid, goede poëzie is daarvan het bewijs en dat maakt het voor mij zo boeiend.

 

<img src="../../images/copyr.gif" width=60 height=60 border=0>
COPYRIGHT 1995-1999