
(werkelijk formaat: A4)
Inhoud
|
Proza
en Poëzie van (een selectie uit de overige inzendingen voor de wedstrijd)
1e PRIJS
opspraak poëziewedstrijd 1998
Overweging
door: Hein Walter
Mijn pad gloeit over plooiende
paden,
langs weiden van zomerbloemen, zomen
van bossen waar gekriskraste bomen
hun donkere geheimen bewaken;
geen pieken en dalen in mijn
verschiet.
Anderen liepen me voorbij, sjouwden
met haken en opgerolde touwen,
bedoeld om te klimmen. Zij zagen
niet
hoe de afgronden hun grimasbekken
al smachtend en kwijlend
opentrokken;
zij hadden alleen oog voor het hoge.
Ik ging ze niet na, maar plukte
paarden-
bloemen en margrieten. Ik keek naar
de
hoogte. Even klimmen overwogen.
2e PRIJS
opspraak poëziewedstrijd 1998
Ode aan de buurvrouw
(Ineke)
door: Thomas Bosgaard
De buurvrouw zwaait naar mij als
ik voorbij
kom. op de fiets om naar de
stad te gaan.
Haar handgebaar voelt als een
streling aan
en tot het einde van de
straat voel ik mij
koning in haar ogen
een hoge piet op wielen, die
zijn bood-
schappen gaat doen. de
dagelijkse dosis
overvloed aan wat de
maatschappij te bieden
heeft: brood, beleg,
aardappelen, schoenen
wegbrengen enz. ook hoge
pieten moeten
eten. hun schoenen slijten
dezelfde dood
daarom mn
rijtoer op mn stalen paard,
waarvan de trappers
stijgbeugels zijn. De
karrosserie is lijf, het
zadel krijgt gelijk een
breder zit... met het stuur -
de teugels - losjes
in mn handen, kom ik
met bel en ketting,
spaak en spatbord, rammelend
aan en
groet spontaan mn
onderdaan.
3e PRIJS
opspraak poëziewedstrijd 1998
Waar het grauwe gruis...
door: V.S. Scholze
Waar het grauwe gruis
van verleden dagen
het eeuwige stof doet
opwaaien
streelt een geaarde
zonnestraal
met intense zachte warmte
mijn gezicht
De betrokkenheid
blaas ik van de dingen
zodat ze weer leven
Ik zie de volmaaktheid
in iedere kern van vuur
en maak een gedachte
die langzaam afdwaalt
tot in het diepste
van mijn ziel
EERVOLLE VERMELDING
opspraak poëziewedstrijd 1998
Nachtvorst
door: Corrie de Wit
Als ik zie hoe de laagstaande zon
zijn gouden gloed verspreidt
over mijn nog dor gazon
en ik zie de aarzelend
klauwende handjes
van groeiende jonge plantjes
valt het mij moeilijk te
geloven
dat binnen enkele uren
een ijskoude sluier
dit hoopvol ontluiken
toedekken zal.
Nog ongelooflijker
komt het mij voor
dat vannacht op mijn
slaapkamerraam
witkanten bloemen zullen
bloeien.
EERVOLLE VERMELDING
opspraak poëziewedstrijd 1998
Elegie (voor Jules)
door: Willy Sennebad-Henrich
Ik mis je zo, mijn lief, ik mis
je zo.
Ik zoek je ergens daar,
voorbij aan wind en
wolken, tussen blauw en
indigo.
Ik mis je zo, ik kan je
nergens vinden.
Verborgen ben je, in de geur
van bloemen
en in de klank van een
adagio.
Ik mis je zo, ik blijf je
naam benoemen.
Ik mis je zo, mijn lief, ik
mis je zo.
Het verschil tussen de werkelijkheid...
Door: Norma Jonkers
De poorten van het jaar
openen zich, als die van taal,
naar het onbekende.
Vannacht zei je:
morgen
moeten we een paar tekens
ontwerpen,
een landschap schetsen, een
verhaal weven
op de dubbele pagina
van het papier en de dag.
Morgen moeten we opnieuw
de werkelijkheid
uitvinden van deze
wereld.
(Dit is het eerste deel van het gedicht De eerste januari van Octavio Paz)
Schrift bewaart de taal in de tijd. In de loop
der tijd verandert het taalgebruik, zodat we het in bepaalde
perioden kunnen plaatsen.
Met taal geven wij gedachten,
gevoelens, emoties aan elkaar door. Communicatie. Taal kan
verhelderen, door vage gedachten onder woorden te brengen,
fragmenten van herinneringen op te schrijven, het te ordenen en
vormen tot een duidelijk verhaal, verstaanbaar maken van het
onuitsprekelijke. Verscholen dingen gestalte geven. Een beeld
creëren op papier en in andermans hoofd. Tenminste dat hopen we,
want er zit een addertje onder het gras: dat beeld kan voor velen
redelijk overeenkomstig zijn, maar blijft oncontroleerbaar! Hoe
abstracter het beeld-taalgebruik des te ruimer kan iedere lezer
zijn persoonlijke interpretatie geven. Plotseling zien we dat er
verschillende opvattingen over hetzelfde verhaal bestaan.
Verschillende werkelijkheden bestaan naast elkaar. Door het
gebruik van de taal zien we dat werkelijkheid niet star is. Een
levende bewegende werkelijkheid...
In onze pogingen de beleving van
de wereld aan anderen te vertellen blijkt hoe kwetsbaar en
onvolkomen de taal is. Woorden schieten te kort... kun je
figuurlijk opvatten, de letterlijke betekenis doet zich als
schrijnende machteloosheid voor. Tijdens de vakantie wel eens in
die vreemde landstaal geprobeerd boodschappen te bestellen?
Kinderen (en ook volwassenen) dromen soms begrepen te worden
zonder een woord te hoeven zeggen. Het tekort aan woorden en
uitdrukkingen om gevoelens en gedachten over te brengen toont de
beperkingen van taal.
Gaat poëzie de confrontatie aan met de
grenzeloosheid van de werkelijkheid? Tracht poëzie de grenzen
van de taal te doorbreken? Zoekt de dichter naar vrijheid om zijn
grenzeloze werkelijkheden te verwoorden?
Individuen hanteren en gebruiken
taal letterlijk individueel. Vooral schrijvers en dichters
verzinnen graag nieuwe woorden, combinaties en manieren van
tekstopbouw om zich beter uit te drukken, soms zelfs een heel
nieuwe taal, wat jammer genoeg tot nog meer onbegrip leidt voor
niet-ingewijden. Dit spelen met taal hoeft niet direct poëzie op
te leveren.
Wanneer noemen we een tekst
eigenlijk poëzie? Talent, stijl, creativiteit, taalvaardigheid,
vakman-schap, vorm, compositie. Allemaal onontbeerlijke
ingrediënten. Behalve talent en stijl, die met persoonlijke
aanleg te maken hebben, zijn de overige zaken aan te leren. Laten
we de omgeving van de tekst, de context niet vergeten. Wanneer
iemand aan zijn huisarts uitlegt: ...en mijn stem hij
dartelt en klapwiekt als een donkere boom aan een bron...,
zal de arts, hem kennende, het als zwaar overdreven taalgebruik
negeren of de fraaie zinsneden mogelijk waarderen als poëtisch,
maar gezien de problemen met de patiënt zijn stem, deze niet als
zodanig opvatten. Vormt het een onderdeel van een gedicht uit het
oeuvre van Lucebert dan is het poëzie. Wij herkennen het als
poëzie, omdat het zo bedoeld is en het is bewust in die omgeving
geplaatst. Maar er komt nog meer bij kijken.
Alledaagse beslommeringen zijn
eentonig. Ze leveren slechts oninteressante klaagliederen op
doorspekt met overbekende clichés en voorspelbare antwoorden
waar niemand op zit te wachten. Lezers willen verrast worden; tot
welke ontdekking leidt die vage spanning? Schrijven is fantaseren
in vrijheid. Het bekende een onverwachte wending geven.
Er zijn moderne (proza-)schrijvers
die zich bedienen van een bikkelhard slot gedoopt in seksuele of
criminele gewelddadigheid, zodat de lezer in ware ontluistering
achterblijft. Deze onthutsende recht-voor-zijn-raap mentaliteit
beschouw ik als een vorm van creatieve armoede en morele
aftakeling. Boulevardbladsensatie. De onverwachte subtiliteit,
een vondst knap door eenvoud, een bijna voor de hand liggende
oplossing waar niemand aan dacht, is meer wat ik hierbij voor
ogen heb. Werkelijkheid en fictie vermengen tot een nieuwe
realiteit. Het aardige is dat je emoties hiermee kunt verdiepen
en versterken, of juist verzwakken. Met fantasie zet je de
realiteit naar je hand. Het biedt ruimte aan nieuwe
perspectieven. We staan immers machteloos tegenover de waarheid.
Inderdaad: literair liegen is legaal. Zelfs noodzakelijk. Vergeet
dat waarschuwende vingertje van onze opvoeders!
Creatief liegen vergt vakmanschap.
Het moet wel op een soort werkelijkheid lijken, geloofwaardig
zijn; tenzij het duidelijk als fantasie bedoeld is. De ik-figuur
in een gedicht wordt nogal eens aangezien voor de schrijver zelf.
Een minder ervaren dichter zal zich terecht betrapt voelen;
creatief liegen vergt oefening. Het kost durf en fantasie om de
ik in een vers een verzonnen persoon te laten zijn.
Over deze verwarring schreef
Volkskrant-columnist Kees Fens, naar aanleiding van het
tv-programma De Plantage, afgelopen december, terecht: ...En
zo werd dat werk op zijn eerlijkheid onderzocht. Alsof al die
ikken in zijn verhalen S. Carmiggelt, journalist te
Amsterdam, zijn. Over het liegen van de waarheid blijkt men
steeds minder te hebben gehoord. De nieuwsgierigheid naar de mens
bleek ook hier groter dan die naar het werk. Op televisie en in
interviews wordt het centraal stellen van de schrijver en diens
leven steeds sterker. En daaruit volgend het door elkaar halen
van leven en werk. ...de meeste lezers weten nu over de levens
van Frederik van Eden, H. Roland Holst, etc., meer dan over hun
werk, dat bijna niemand meer leest...
Onze manier van kijken wordt bepaald door onze
hersenen. We weten van tevoren al wat we zien. Probeer eens te
kijken met gloednieuwe ogen, misschien die van een vogel die op
zijn kop vliegt of van de videocamera die de wereld registreert
vanuit de bagageruimte van je rijdende auto. Gebruik je fantasie
en verzin zelf eens een stel onwaarschijnlijke oogpunten.
Observeer nu je onderwerp met nauwkeurige intensiteit. Beschrijf
bijvoorbeeld in detail voorbijflitsende voorwerpen, mensen en hun
gedrag.
Het volgende fragment komt uit het
surrealistische prozagedicht Mijn leven met de golf
van Octavio Paz.
...Hoe ben je thuis
gekomen?
Heel gemakkelijk - met de
trein. Iemand heeft vastgesteld dat ik alleen maar zout water
was, en gooide mij toen in de locomotief. Het was een onrustige
reis - plotseling was ik een witte stoomwolk, en dan weer viel ik
als motregen neer op de machine. Ik ben sterk vermagerd. Ik ben
heel wat druppels verloren.
Haar aanwezigheid veranderde
mijn leven. Het huis met zijn donkere gangen en bestofte meubelen
werd gevuld met lucht, met zon, met geluiden en met groene en
blauwe weerspiegelingen, een talrijk en gelukkig volkje van
weerkaatsingen en echos. Hoeveel golven is één enkele
golf, en wat prachtig kan een golf een muur, een borst, een
voorhoofd, maken tot een strand of een rots of een golfbreker,
door die met schuim te bekronen!...
Poëziepubliek vormt slechts een beperkte
groep, daarmee vertel ik geen nieuws. Redenen te over. Te
moeilijk. Niet geïnteresseerd. Te tijdrovend, zich geen rust
kunnen geven. De wereld van het gedicht is saai, onbegrijpelijk
of zelfs bedreigend. Niet iedereen staat open voor de
onverklaarbare herinneringen, de emoties en vragen die het
oproept. Beter het te negeren, verbergen, minachten en zelfs
ontkennen. De mens van nu lijkt moeite te hebben om zich in te
leven in een ander persoon, in een vreemde situatie. Dit vermogen
tot empathie staat dan ook in schril contrast met de
werkelijkheid van de tijdgeest: jeugd, zappen, snelheid,
agressie, shockeren, sensatie, spanning, letterlijk oorverdovend
lawaai, luchtig amusement...
Of is dit juist een poging om te
ontsnappen aan een bepaalde werkelijkheidsbeleving?
Volgens marktonderzoek is de
gemiddelde consument oppervlakkig en niet bijster intelligent.
Het merendeel van de lezers wordt
graag betrokken bij haat, nijd, misdaad en allerlei ellende.
Samen met hoog oplopende ruzies en intriges staan deze gegevens
bijna garant voor een bestseller. Inderdaad, zij vormen de
commerciële successen van uitgevers, ga maar eens kijken bij de
Bruna en het aanbod in de lezers-top-tien. De zeldzame en
bedreigde diersoort; de Originele Liefhebber van een Goed Boek
moet zijn waar met een vergrootglas zoeken.
Poëzie lijkt van een andere orde.
Mooi is niet spannend, en wel aardig prikkelt niet.
Is poëzie dan inderdaad iets
gewichtigs, iets met diepe gedachten, iets vaags over wind,
natuur, nacht, tijd, iets zweverigs over stilte, eenzaamheid,
ruimte, liefde en dood? Zou poëzie niet meer van deze tijd zijn?
Ouderwets geleuter?
Moderne poëzie van jonge dichters
neigt opvallend meer naar actualiteit, dagelijkse realiteit,
stadsleven. Zeg nu zelf, natuur en stilte, ruimte en eenzaamheid
zijn inmiddels nauwelijks meer te vinden en tijd komt iedereen te
kort, zo lijkt het. Maar toch, in een eigentijds jasje gestoken,
staan deze onderwerpen nog steeds op de lijst. Poëzie kent geen
tijd. Poëzie blijft.
Ted van Lieshout schrijft en tekent voor kinderen, in dit gedichtje Buigen raakt hij de kern van de eenvoud.
Ik zweef boven iedereen uit
in het geheim - de wereld weet
nog niet precies dat ik er ben.
Ik moet soms ook nog wennen
aan mezelf, maar mijn
voorsprong
is al groot . Wie mij voorbij
wil
op de fiets, moet om mij heen
in een bocht. En een bocht
is wel een soort van
buigen.
Wat treft ons in een gedicht? Waarom vinden we het mooi? Een vers dat bij blijft pakt ons ergens en het hoeft niet eens mooi te zijn. Hoe komt het dat dat treffende gedicht een ander maar matig aanspreekt?
Individuele smaak. Begrip. Herkenning van eigen
milieu, groep. Spiegel. Verschillende persoonlijkheden. Het
speelt allemaal een rol. Jouw waarheid hoeft niet gelijk te zijn
aan die van de ander.
Betekenissen, werkelijkheden,
waarheden zijn alleen de onze. Het gedicht is een ding op zich,
jij geeft er betekenis aan, het wordt de drager van persoonlijke
werkelijkheid. De wereld om ons heen, de dingen, de gedichten
zullen bestaan wanneer wij er allang niet meer zijn en met ons
verdwijnen de betekenissen die wij er aan gaven. Wij zijn de
tijdelijken. Wij beginnen en eindigen. Wij verlangen naar de
dingen van vroeger, geven er zo meer betekenis aan dan het ooit
in werkelijkheid had.
Getroffen door de woorden, door de
herinnering aan onze emoties die de regels opwekken, wordt het
deurtje geopend van het kamertje waar zij liggen opgeslagen. De
magie van het woord doet ons aan onze tijdelijkheid ontstijgen.
Een goed gedicht wekt
nieuwsgierigheid, staat voor avontuur. Een ontdekkingsreis vol
nieuwe perspectieven. Je verstand moet er steeds opnieuw aan
proeven en ruiken, omdat het telkens een nieuwe geur of smaak
bespeurt. Het prikkelt een andere manier van denken, laat
parallelle werkelijkheden zien.
Laten we er niet schouderophalend aan voorbij
gaan. De inzichten van de dichter kunnen een beeld geven van een
toekomstige, voor ons simpele tijdgenoten nog onzichtbare
werkelijkheid. Een kunstenaar kan zijn tijd ver vooruit zijn. Het
werk wordt pas op waarde geschat wanneer de tijd daar rijp voor
is. Van Goghs schilderijen werden tijdens zijn leven ook
niet bepaald gewaardeerd.
Een goed gedicht doet nog iets
heel anders. Het roept herinneringen op. Nee, niet aan reële
gebeurtenissen, maar, hoe wonderlijk ook, juist aan onbekende. En
of die op voorbije werkelijkheid berusten? Zou het juist de mate
van zwijgen van de woorden zijn, de vatbaarheid voor speculaties,
de ruimte voor fantasie van de lezer, dat een gedicht tot poëzie
maakt? Het ontbreken van de ant-woorden.
De dichter, of beter het gedicht
en de lezer spelen samen het spel. Scheppen samen hun
werkelijkheid. Er moeten zo vele werkelijkheden zijn.
Wanneer we ons in de werkelijkheid
verdiepen, dan blijkt ze meervoudig en veelsoortig te zijn.
Poëzie is voor velerlei uitleg
vatbaar, daarom denk ik dat je een kunstwerk, poëzie, niet kan
uitleggen. Elke poging om het te ontrafelen en uit te pluizen is
zinloos. Elke poging om het in een hokje te stoppen er een
vertrouwde uitleg aan te geven, categorie vast te stellen, komt
voort uit onze behoefte aan zekerheid en veiligheid. Wij willen
het vreemde begrijpen, zodat we er grip op hebben en het kunnen
beheersen.
De openheid en de onbevangenheid
van een kind zou je als volwassene moeten koesteren...
Er zit nu eenmaal verschil tussen
de werkelijkheid, goede poëzie is daarvan het bewijs en dat
maakt het voor mij zo boeiend.