JAN VAN DEN HEUVEL

Jan van den Heuvel

Een ambtenaar uit de Vogezen
moest voor zaken in China wezen
geland in Shanghai
zeiden Wong en Lai
"Wij zijn de twee afhaal chinezen!"

 

 

 

Concert

Vlak voor het concert begint, wordt mijn aandacht getrokken door een lange magere, in het zwart gestoken man. Hij beweegt zich ligt gebogen langs de stoelen. Soms staat hij even stil, drukt z'n geopende hand tegen een van de oren, noteert iets in een boekje en schuifelt langzaam verder. Ik kan mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en stap op hem af. Nu ik voor hem sta, valt het me op hoe slecht de man eruit ziet. Een bleek smal hoekig gelaat met kleine waterige ogen. De mond huisvest enkele bruine rokers tanden. Dit alles onder strak glanzend, naar achteren gekamd grijsblond haar. Zijn kostuum valt iets te ruim.

“Wat doet u hier?” vraag ik hem op zachte toon. “De kuchers lokaliseren, kijkt u eens, u weet net zo goed als ik, dat het gehoest de pest is voor iedere concert- en schouwburgzaal; dat moet veranderen! ’t Is een onhoudbare situatie. De figuren die tijdens de uitvoering teveel hoesten, pik ik er zoveel mogelijk uit”. Zijn kleine ogen gaan snel heen en weer. “Dat is toch geen gemakkelijke opgave om uit de ongeveer twaalfhonderd aanwezigen precies de boosdoeners eruit te halen”, werp ik tegen.

“Valt mee, ongeveer een kwartier voor aanvang van de voorstelling, in dit geval dus een concert, maak ik al notities van bezoekers, die opvallen door overdreven geschraap in de keel. Ze worden door mij extra in de gaten gehouden. Als het orkest inzet, ben ik op m'n qui vive. Elke beweging naar de mond volg ik met argwaan. Bij de geringste oprisping gaat bij mij het licht op rood. Zodra het hoesten begint, sluip ik er naar toe, overhandig wat antihoest dragees, sis in het oor nu heel voorzichtig te zijn en vooral niet in herhaling te vervallen.”

Ik wil weten wat de gevolgen zijn als iemand, ondanks zijn waarschuwing, opnieuw in de fout gaat. “In dat geval ga ik er weer stilletjes op af, klop zachtjes met de vlakke hand op de rug. Natuurlijk probeer ik zoveel mogelijk in de maat te blijven van het uitvoerende muziekstuk. De allerlaatste waarschuwing volgt. Begint het hoesten opnieuw, dan rest mij nog maar een ding, de lastpak hijs ik uit de stoel en begeleid de persoon naar de foyer, met het verzoek de uitvoering achter gesloten deuren te volgen. Het getuigt van een respectloos gedrag voor de componist en zijn uitvoerenden. Ik erger me wild aan dergelijke lieden. U gaat straks luisteren naar de Prager symfonie K.V. 504 van W.A. Mozart. Hebt u zich weleens afgevraagd wat K.V. betekent? Köcher Verzeichnis!, voelt u waar ik heen wil? In de achttiende eeuw had men hier al last van. Die meneer Köcher deed zo'n beetje het zelfde als ik. Ook hij haalde de onruststokers eruit en hield het aantal per seizoen precies bij en vermeldde dit achter, op de bewuste avond gespeelde symfonie. Dus voor K.V 504 staan 504 klieren. De Parijse symfonie K.V. 297 u raadt het al: 297 snotteraars!

Meneer, ik moet toegeven een knap staaltje discipline maar daar begin ik niet meer aan, m'n gezondheid laat dit niet toe”.

Ik informeer of deze maatregel ook geldt voor de orkestleden. “Vanzelfsprekend, ik maak geen onderscheid tussen podium en zaal. Ik kan daar wel een voorbeeld van geven. Op een strenge winteravond in 2001 concerteerde hier het Berlijns Philharmonisch Orkest, prima orkest valt niets op af te dingen. Vaklui van de bovenste plank. Zelden heb ik zulke proesters en hoesters bij elkaar gezien. Na de pauze heb ik het moeten reduceren tot een kamerorkest. Eigen schuld dikke bult. Het moet maar eens afgelopen zijn met dat gerochel!”

“Is het wel eens voor gekomen, dat u zelf moest hoesten?”

“Ja, natuurlijk, maar dan stop ik gewoon m'n vingers in de oren!”