|
DE
DERDE PERSOON
een
verdichting in 86 kwatrijnen
|
DR.VREEMDELUST
een
proloog in 4 kwatrijnen
De twijfel is thans overwonnen;
wij leerden de bom beminnen,
het licht schuwt het duister nu niet meer,
dag en nacht paren ontploffingsgewijs.
Bomvormig
leerden wij aanbidden;
onze adem bevriest aan een bemorste hemel,
de deuren bestaan nog slechts uit gaten,
schaduwen hebben de muren weg gesleten.
Vandaag
is het verleden geopenbaard,
gisteren is ons tot toekomst geworden,
een nieuwe dimensie is ontdekt:
wanhoop,een duizendpoot op gloeiend steen.
Wetenschap
werd wet,lachende waarheid:
de waanzin liefhebben als ons zelf.
Wij beminnen de haat als onze naast;
de bom werd in gebed verhoord.
DE ANDER
een
tafereel in 70 kwatrijnen
Het is
geen heilig huis
dat hij bewoont,
het is een woning
met gesloten deuren.
Het is
geen kasteel in Zweden
of te Droomfontein,
het is een ongepleisterd paleis,
zonder gangen of verguldsel.
Geen stad
op de kaart,
maar een spel voor Jan Joker;
geen speld prikt in deze witte plek.
Dit is een invuloefening.
Een verdacht
huis is het,
bordeelrood gekleurd,
groen geurend
uit het gemeubelte.
De gaten
in de wanden
bieden uitzicht op de dood,
dat met man en muis vergaan,
met huid en haar en tanden.
Wandelend
als geknakte twijgen,
altijd in slakkengang,
en dood hout vol loof,
immer in ganzenpas.
Dit is
een haveloos huis,
zonder geheimschrijvers
of zegelbewaarders,
geen huis als ieder ander.
Geen pleisterplaats
is dit
voor thuislozen;
de schedel is slechts een dak
voor onthoofden.
Geen spiegelzalen,
maar snel vluchten voor de sloper,
een reidans voor gebochelden,
een Icarische val.
Eigenlijk
is er helemaal geen huis,
bewoonbaar maar slechts van binnenuit,
verklaard tot een gespijkerde naamplaat:
dit is het hele leven.
Het is
een wijkplaats,
een vleugelslag verwijderd van de val.
Ogen sluiten hun vensters,
handen smeken met gebalde vuisten.
Geen straat
heeft hier een naam,
want niemand weet hoe hij heet;
slechts het nummer op zijn penning
verraadt hem voor hij zich verliest.
Ik ben
één,twee,weet ik
veel met de ander,
hij is de derde persoon
verleden toekomende tijd.
Deze man
draagt geen gezicht
maar slechts een masker,
zijn leven als litteken getatoeëerd,
zijn huis meetorsend op zijn rug.
Ik ken
die man,
een slechte kennis.
Op een late dag geef ik mij over
en hoereer met Narcissus.
Dit is
het naakte feit:
zijn lichaam een tempel,
dat is de feitelijke waarheid.
Hier huist het leven.
Deze woning
is een plein
dat hij vreesde,
hij is het dak
boven de binnenplaats.
Dit is
een ontheiligd huis,
met ingetrapte deuren
en vermolmde muren,
van een ontheiligde herder.
Gekleed
in naakt
leeft hier het lichaam.
Het paleis is op slot,
de bruggen zijn opgehaald.
Hij is
de vermomming
van de waarachtigheid,
een vergelijking
met de schijnwerkelijkheid.
Niet leefbaar
is hij; hij kent
een dwaze hang naar lijden.
Hij haat het,de liefde
naar het andere,betere ik.
Vele jaren
versloegen hem.
Hij telt ze,spaart ze.
Hij kijkt in de spiegel
en slaat het nulde uur.
Hij is
al eeuwen over tijd,
zijn doden dansen,
hij blaast de horlepijp,
de rij van fijt.
Eenzaamheid,hij
weet wat dat is.
Het is anders dan ik het zeg,
zoals hij die stierf
om eindelijk alleen te zijn.
Waar hij
ook gaat,
hij komt zichzelf tegen.
Overal komt hij aan,maar te laat.
Ik ben te vroeg geboren.
Geen moment
rust
gedurende dit zwervend bestaan
binnenin de cirkel van zichzelf.
Op weg is hij,op zoek.
Er is een
geur van heiligheid
die aan hem kleeft,
overal bloedt hij
en wast zijn handen in schuld.
Ook al
betast hij de donkerste huid,
de poriën blijven omhuld,
de cellen verborgen onder de mantel,
op de tast blijft hij blind.
De mens
is hij die uiteen gaat
in raadsels en gissingen.
Hij moet zich oplossen;
elke som kan zijn sleutel zijn.
Achter
matglazen ruiten
huizen de mensen,
bekneld tussen steen en staal.
De stad is een gebod.
Zij zijn
de schaduwen
van hun eigen zon,
werelden die uitzicht bieden
op gesloten vensters.
Hij is
licht,geen lantaarn,
geen maan doch een sterrenstelsel,
wellicht ook regen,maar dan op slag,
misschien ook een wandelende tak.
Want alle
bomen verplaatsen zich
omhoog en niet horizontaal.
Maar de hemel is verticaal,
op de plaats rust,een toestand.
Dit is
dan de laatste straat,
dwars door de bergen,
hoog over de huizenhoofden.
Bewegen is hier leven.
Dit is
het linnen van een schilderij,
het wit van een gedicht,
de laatste plaats voor vrijspraak.
Alleen denken is bevrijding.
Gedachten
aan een vroeger huis,
een onbewoonbare herinnering
in droom en in leven;
zelfs herinneren is een herinnering.
Nu verlaat
hij het onbemande huis.
Waarheen zal ik hem laten gaan?
Ik ben het vergeten;
zelfs zijn naam is nameloos.
Wat te
doen,wat te zeggen
nu zeggen doen en laten is.
Wie is wat hij wordt,
weet het zelf niet.
Voor wie
hem niet kent,
is hij niemand,nergens,nooit.
Want waar is de wind,
als het niet waait?
Hier wacht
geen tijd meer,
gedierte zit in het gemeubelte.
Dit is onding,ontij,onmens,onland.
Het bos is op de loop.
Waar zal
ik hem ontmoeten?
Waar zal ik weer zijn,
worden als iemand,ergens,ooit,
een gebeurtenis,een wording?
De fout
is hij in elk systeem,
het goede van het kwaad,
het jawoord bij de ontkenning,
de weervraag,tegenvraag op antwoord.
Hij is
het heerrecht
van de laatstgeborene,geen eersteling
maar een derde die lacht,
het puin voor een nieuwe stad.
Het ik
in jou en het jij in mij
zijn in hem,is hij als tegenspoed,
het bewijs van geluk voor ontevredenen,
voor wie rampen een troost zijn.
Dit is
de jongste toestand,
het bestaan van dingen meer dan dieren.
Je hoort het fluisteren:
zonder vertwijfeling geen hoop.
Je staat
aan de grens,
want wat van jou is,is van mij.
Jouw vrouw behoort mij toe,
of zou moeten behoren.
Dit is
niemandsland voor iedereen.
Niemandsverdriet,nooitgedacht,
naaktgeboren,alleen het levenslicht
is nog gemeenschappelijk.
Weten is
het niet weten,
kennis is geloof en overtuigd zijn
van ons grote voorbeeld: de dood.
Dit alles behoort iedereen toe.
Wij zijn
oeverloos en ingescheept.
Ook jij viert het zinkend schip,
als ik en al die andere ikken,
vretend aan ons eigen vlees.
Wij zijn
met duizenden aangespoeld,
onbewoonbare eilanden op aarde.
De bodem kabbelt rondom
onze vastgegroeide voeten.
Wat is
van wie,
op wiens grond zaai ik ikken
en oogst ik jijen,
op die van jou,of die van mij?
Veel is
een vraag gebleven
en gesloten,nu eerlijk gezegd
antwoorden verzwijgingen waren,
woorden als stilte en wit.
Achter
elke zin zet ik
- of jij,of ieder ander? -
een vraagteken voor een woord,
en vraag stapelt zich op een vraag.
Veel is
verloren gegaan:
schepen,stemmen en de vracht.
Alleen de kosten bleven
en natuurlijk de aanmaning tot betalen.
Deze tijd
heet (wordt genoemd?)
de allernieuwste geschiedenis,
wellicht de laatste;
hier en heden is hiernamaals.
Een wereld
zonder werk,
zonder angst of pijn,
maar dan ook: zonder mensen,
dood of levend gezocht.
De vrijheid
is geslecht,is kwaad,
aanwezig zijn in andere wezens:
melaatse machines,mechanische maniakken.
Waar is toch de mens gebleven?
Eindelijk
is het geluk ontgonnen,
de historie is nooit geschreven,
woorden en daden zijn schilderingen,
een kwestie van vorm en kleur.
De dag
is weer jong,
elk lawaai is rede,
de chaos wordt logos,
de openbaring is duisternis.
Dit is
een nieuwer testament:
hij was de messias
uit een later evangelie
en geen verlosser.
Geen blijder
verwachting dan
leven tussen zes planken,
bevrijding tussen vier muren.
Vreugde is onwetendheid.
Jij en
ik bestaan niet meer,
hebben nooit bestaan.
Dag en nacht zijn spiegels,
water en vuur drinken elkaars brand.
Jij en
ik,wat is dat,was dat?
Een idee uit de voorgeboorte;
de kosmos baart en zoogt nieuw leven,
een herinnering aan de toekomst.
De waarheid
is afgedankt.
Wie,wat,waar,hoe,hoezo,waarom:
schroot op de grote hoop
lompen en oude metalen.
Leef en
handel ernaar:
luister niet meer,maar hoor,
kijk niet meer,maar zie,
besta niet meer,maar wees.
Praat niet,maar
zeg.Alles is
anders geworden,iedereen is de ander.
Achter is voren,onder is boven,
links rechts,één en één is veel.
Wij zijn
het zijn zelf;
zijn is geworden,is geweest,
meer is minder,meest.
Eindelijk zijn wij één.
Wanhoop,weemoed,waanzin:
uitvindingen uit stripverhalen.
Aardig bedacht,zul je zeggen.
Dat komt,Paschalis,jij bent bedacht.
Het is
een spel zonder spelers,
regels zonder spel.
Er is leven noch dood
en nul noch oneindig.
Geen huis
meer,geen tempel,
geen kruis op de deur.
Maar wij worden vervolgd,
meer valt er niet te zeggen.
DE ACHTSTE
DAG
een
epiloog in 12 kwatrijnen
De dag
dat de koude kwam
en de wereld bewolkt was van mensen,
barstte het basalt en het beton
uit al zijn bommen, van A tot B en van B tot C.
En het
was die dag
die een aanhef tot de rede van zwijgen bleek,
de grote, koude stilte
die over de wereld en de wateren woei.
Zeven kringen
schreef de storm in krijt
op de glazen muren en stalen geraamten,
zeven dagen zonder nachten duurde
de herschepping van de chaos.
En in die
dagen die nachten heetten
en geen licht konden verdragen,
waste de waterstof de testamenten blank
en begroef de ziekten in de zielen.
De grote
koude beneden onder
het diepste peil van nul,
ontgroende de bomen van het bos,
onttroonde de koning van zijn kroon.
Het was
in die tijd,
dat de kinderen ter kruisiging voeren
en zich ontpopten tot rupsen
en de dieren lachend hun reservaten verlieten,
zich spiegelend
aan de bodemloze meren
en zagen dat zij meer mens waren geworden
dan de meeste der mensen.
In die tijd ook was het,
dat niets
dierlijks meer vreemd was
aan de dingen en de doden
en dat de mensen verbleekten
tot onbeschreven bladen.
En de achtste
dag
was de dag van onrust,
leven paarde zich aan dood,
de grote stilte, het grote zwijgen
was geboren
aan de polen van het weten,
als het stervende in de menselijke kou.
Na deze dag was er geen dag meer,
ook de jongste tijd was oud.
Er was
de nacht van deze wereld.
Alles wat daarna kwam en alles
wat nog komen zal, is als deze
achtste plaag en alle dagen daarna.
Want hebben
is gehad, doen nooit gedaan.
Wat komen was, werd gaan, worden is geweest
en wat had moeten wezen, is nooit gebeurd.
Er is niets gebeurd.