Gerrit Pleiter
tijd van steen
ik jaag de nacht voor de auto uit
de schichtige bomen en slapende dorpen
jouw dood heb ik niet ingehaald
maar mijn droom lijdt geen nederlaag
als ik bel aan de deur van het sterfhuis
werp ik een steen in de tijd
de jaren deinen wijder dan wijd
tot een eindeloos vandaag
wij zijn weer twee krijsende vogels
boven pleinen van blauwe klinkers
wij vliegen langs winkels en grachten
op reigervleugels naar huis
jij hebt een kamer met zolderraam
langzame vliegtuigen wankelen over
luchtafweer zorgt voor trommels en vuurwerk
bij de dodendans van een oorlog
de nachtzuster ontgrendelt zacht de nachtdeur
nachtzusters zijn bang dat doden ontwaken
op zoek naar vergeefse gebaren sluip ik
langs onderbelichte trappen en gangen
jij bent niet een gat in de nacht
geen lege plek achter vlekken en rimpels
jij hebt een ernstig kindergezicht
zolang ik jou vang in mijn tijd van steen
Dodemansdroom
ze hebben mij niet achteraf gelegd
ik houd van stadsranden en vinexwijken
waar de bouwkraan bakken zon
uit stuurse zomerwolken dregt
dichtbij de roep van schepen
op weg naar zee of stroomopwaarts
de ruimen tot de boorden ingeklaard
met wit geslepen spiegelbeelden
treinen ratelen mij rakelings voorbij
stoppen luidkeels bij het buurtstation
wie niet meetelt heeft zijn reizen vrij
en geen weet van grens of horizon
ook voor doden zijn de nachten om te slapen
dromen zijn mij niet verboden
gerugzakt ga ik met mijzelf op reis
weg van de tuinman op de paden
met zijn zeis en kiezelhark
de wortels en de schimmeldraden
boven mijn hoofd
van het park de zwarte onderkant
Redactie
Dick van Zijderveld
(hoofdredacteur)
LeoArie Elsenaar
Deborah Klaassen
Naomi Montroos
Jakob Rosenbaum
Suzanne Ruhof
Chloé van Uum
Redactiemedewerkers
Thierry Deleu
Redactie
redactie@opspraak.net
www.opspraak.net
insturen kopij: klik hier
ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein