Gedichten - december 2007

Eventjes schrok je dan

Schrale wind waaide
als je buiten kwam maar ook
binnen bleek het koud
je kwam dan uit het zuiden
en eventjes schrok je dan

Delius

 

Een droomgezicht

over velden met hop
appelboomgaarden

als avondlicht
bleek
schaduwloos

fluistert een waarschuwing
in zoete geuren van milde herfst
zwevend
als toonloze frasen

wanneer tijd niet meer bestaat
ruimte
klein en meetbaar wordt

Rudolf

 

Woorden zonder ligplaats

Roerloos...
liggen de woorden
voor me

Maar op m'n lippen
krijgen ze
geen ligplaats

De uren
zijn zo arm
aan omhelzen

Het gras aan de dijk
in de zomer
door ons platgelegen

Ligt nu als gewit
door de eerste
vorst

Ik durf het
nauwelijks
te betreden

Om mijn hart
een dikke korst
van het stil zwijgen.

Harry Daudt

 

De verknipte bruidegom

één

ik heb haar toch maar
in de gracht gegooid
haar geur viel me wat tegen

nu stapt ze
door mijn duister
en alle messen zijn gewet

haar honger knaagt
aan al mijn knoken
haar angsten krijg ik
nooit verwoord

ergens ligt mijn ziel op sterven
niet dat het mij dermate raakt

maar zij
zij komt steeds weer

de pret bederven

 

twee

ik heb haar handen
in een vaas gezet

haar nagels rood geverfd
morgen doe ik blauw

die fijne vingers doen het goed
net wapperende wieren

elke dag warm water geven
een koukleum was ze

wat ik met haar voeten moet
weet ik niet

misschien twee tafelstukjes
tussen Kerst en Nieuw

als geschenk zijn ze ook wel aardig
opgevuld met chocolaatjes

 

drie

alleen als ze goedaardig zijn
snij ik gezwellen uit haar hart

giet ik olie
op haar veel te hete borsten

de rest bemest ik puur organisch
in parallelle strepen

ze lacht me smakelijk tegemoet
en wrijft haar vlezig fruit
over mijn gespleten tong
ik lispel haar de hel in

 

vier

dat langs mijn raam
haar handjes voorbij vlogen
was ik al gewoon

toen ik haar voetjes zag
buitelen over het gazon
ging ik toch even kijken

ach
het vredig tafereeltje

met wel duizend pootjes
kroop haar schaamhaar
richting plafond

haar borstjes stevig op bed
verpakt in bois de rose

drogend aan een deurkruk
haar schaamlipjes
haar kontje
soezend in de hoedendoos

tussen wat vlokken pluizen
in een hoekje haar naveltje

haar buikje op zijn rug
tussen twee slanke benen

het hoofdje had ze
in de schoot gelegd
ze knipoogde

je bent er mij ook eentje
zei ik

 

vijf

vanmorgen om zeven uur
heb ik haar opgedolven

ze is nog wat stram
van het lange liggen

haar wangen hernemen
hun zachtroze kleur
en de aardgeur trekt
stilaan uit haar krullen weg

met een paperclip
peuter ik de modder
vanonder haar teennagels

ze heeft er opnieuw zin in
zegt ze

dus vanavond
weer gezellig
met z’n tweetjes
voor de buis

Guido Vanhee