Ruud van Weerdenburg

De ontvoering van Azie (Ruud van Weerdenburg)
PROZA
HET SPOOR TERUG, NAAR DE DORPEN VAN DE TOEKOMST
HET SPOOR TERUG, NAAR DE DORPEN VAN DE TOEKOMST,
of: EEN SCHETS IS ALTIJD ONVOLLEDIG
of: VERBODEN!
De krant van zaterdag is vier keer zo dik als die van door de week - en dan puilen de tassen achterop ook uit. Meestal moet je de wijk nog een keer doorrijden en de resterende twintig abonneés op hun wenken bedienen. De met moeite veroorzaakte fietsbandenchoreografie in de nog ongerepte sneeuw op de drempel van het winterweekend in Amsterdam, kon ik gemakkelijk terugvinden in het potloodportret dat de kritiek op een tentoonstelling in het Rijksmuseum sierde. Mijn aandacht nestelde zich daarin, in diezelfde, opengeslagen krant waarvan ik er al tachtig op de deurmatten had laten belanden van waarschijnlijk nog steeds slapende hoofden. De ontspanning die zachtjes uit de spierenaanspanning tevoorschijn explodeerde - kon enkel in samenhang met het hierin gelande uitgeputte lichaam teweeggebracht worden, waarbij de geest alweer op de loer lag om nu eens zelf het heft in handen te nemen.
Ik was zonder geld en brodeloos in de hoofdstad
aangekomen, na een lange reis en had het bordje "BEZORGERS GEZOCHT"
op het raam van het aflegpunt gelezen. Ook uit nieuwsgierigheid bood ik mijn
diensten aan, bij de Nederlandse chef met hangsnor, en kon al dezelfde middag
wijk 22 van Het Parool voor mijn rekening nemen. Ik nam er ook twee wijken
vol ochtendbladen bij - om half vijf present zijn - en bezorgde één
keer in de week een ieder het Stadsblad, en/of de Echo - ik weet het niet
meer precies: te eten had ik in ieder geval voorlopig en ik kon ook een beetje
uitgaan, wat buitenlandse bladen kopen, muziek...Net in die periode vond er
een "zuivering" onder het personeel dat met de bezorging te maken
had plaats. Wat bijvoorbeeld inhield dat iemand van het bureau, veel jonger
dan Joop, onze chef, maar toch Nederlander, het aflegpunt aan de Hobbemakade
binnen kwam stieren met de woorden: "Zeg, kan je je ramen niet eens behoorlijk
lappen?". Ik was net in het keukentje koffie voor ons aan het zetten
en spitste mijn oren maar droeg er wel zorg voor mijn Hollands gezicht niet
te vertonen. Joop had mij al eens in vertrouwen genomen dat ze hem aan de
kant wilden zetten en dat ze bij alle aflegpunten in Amsterdam de binnenlanders
wilden weg doen omdat een landgenoot van de bezorgers veel meer van hun kultuur
afwist, bijvoorbeeld de uitwerkingen van de Ramadan, en daarmee ook van hun
aanpassingsmoeilijkheden.
"Met mijn tong zeker...", keek de rondhoofdige Amsterdammer op.
Ze hadden hem nog nooit een emmer, zemelap, of wat dan ook gegeven.
Een paar weken later verscheen Abdullah op het toneel, en achter het bureautje, die hier geboren was en een been in beide kulturen kon zetten, waarvan zijn vloeiende Arabisch en Nederlands getuigenis aflegde. De bezorgers dachten dat ik als enige bleekgezicht een spion van de vreemdelingenpolitie was - maar Abdullah en ik wisten elkaars vertrouwen te winnen, wat als een warme golfstroom zijn uitwerking in de gelederen kreeg. Ik had een goudmijn kunnen verdienen aan het schrijven van antwoorden op contactadvertenties tijdens het wachten op de krant. Iedereen wilde mij een opdracht geven, teneinde via de vrouw een verblijfsvergunning op de kop te kunnen tikken. Ik liet weten dat ik het kon: "Cindy...je kent mijn naam nog niet, maar je zult hem nog vaak en zuchtend met vochtige lippen in mijn oren kreunen...". En gaf van toen af niet meer thuis op dit gebied.
Maar het werk zat erop, het was half acht,
de sneeuw begon alweer als een aangename verrassing in me op te doemen, in
plaats van een half vervloekt arbeidsobstakel. Uitpuffen en de met lood gedrukte
letters in me opnemen, gold het parool. Onvoorstelbaar zwarte en sterke koffie
dronk ik tussen de illegale Marokanen - bijna had ik "tussen de andere
illegale Marokanen" geschreven. Eén van hen haalde me wel met
een brute terechtwijzing uit de waan één met de Arabisch en
Frans sprekende collega`s te zijn.
"Deze lijnen en bochten hebben we zeker al vanochtend als sporen achter
ons gelaten," wees ik een 17-jarige, die voorbij kwam in de ruimte van
het aflegpunt, op de schets - in het nest waarvan ik me niet meer kon losmaken.
Zodra ik aan het lezen van een zin begon, loste alles weer op in het voorlopige
einde van mijn krachten.
"Verboden!" strekte hij zijn vinger strak en streng uit naar de
afbeelding van de al bijna afgeronde schets.
Ik draaide, wakker geschrokken, mijn gezicht omhoog, uit mijn op de werktafel
zittende houding. En realiseerde me tegelijkertijd dat ik zomaar een van de
veertig andere bezorgers had aangesproken - met deze teenager had ik nog nooit
een woord of blik gewisseld. Het zou ook de laatste communicatievorm met hem
zijn - maar omdat ik in de veronderstelling verkeer dat deze planeet rond
is, schuifelde ik richting tafel waarachter de Marrokaan zat die chef was,
mijn leeftijd sierde en ondanks zijn huidskleur dus al een halve Nederlander
was - ik schatte het op tien minuten zwijgen voordat ook deze vorm van éénrichtingsverkeer
in menselijk contact zou worden afgebogen.
Ik sloeg de krant open, in een pauze van het gesprek dat tussen de vijf Marrokanen
hier gaande was, en wees met gestrekte vinger op de tekening, zei resoluut:
"Verboden!".
"Ja," zei hij knikkend, en half lachend, ik behoorde ook al tot
zijn pappenheimers die hij kende. Hij was er ondertussen al van doordrongen
dat ik, midden in al het werkzweet, uit was op betekenis - besef. Maar hij
wachtte met uitleg, niet omdat hij geen automaat was, maar omdat hij ervan
doordrongen raakte dat elke kleine eruptie al zoveel onzichtbare schaduwen
met zich meebrengt - het was zelfs beter die ene grijpbare over het hoofd
te zien omdat je dan gemakkelijker alle andere kan incalculeren.
"Ja, dat geloven ze nog in de dorpen - dat is een wet: dat je alleen
iets mag creeren als je het helemaal kan scheppen, bijvoorbeeld ook de reuk,
het geluid, de massa - anders heb je er geen greep op, geen idee van de gevolgen
die het produkt met zich meebrengt...".
Ik vond het fascinerend en verdacht het inzicht in de loop der tijd er nogal eens van op ware grond te zijn gebaseerd, wat ik als een geestelijke nederlaag onderging. Toen op 11 sept 2002 dat protserige weerhuisje van het kapitalisme werd doorboord, ging mij ondanks alles een licht op: wat al die geweldfilms in Hollywood aan onvermoede gevolgen met zich meegesleept hadden totdat de hele drakenstaart er maar eens op los moest zwaaien. A self-fulfilling prophecy. Het een en ander aan ballast van zich af moest zien te schudden.
Door slaap overmand schommelde de restauratiewagonkellner heen en weer in de op dit tijdstip van het traject tussen Algeciras en Madrid wel dronken lijkende trein. Moest hij zichzelf te licht bevinden voor de rol van biechtvader - nu er weer eens een Marrokaanse passagier opgeruimd de wereld van de West-Europeers tegemoet trad? Langs en door de bergen laverend en met de stad waarin nog een handvol lichten waren ontstoken ergens in de lucht. Tussen de bar en de langgerekte tafel stuiterde de Spanjaard als het ware horizontaal; de hele ambiente hier was uit ijzer opgetrokken - tesamen met het ijzer van de rails, waarover de wagon bonkte, verleende dit de gelegenheidskok een optimale omslotenheid waardoor hem noch lakens, dekens en matras ontbeerde noch werd er een bed gemist.
Achter de bar, rechts, bevond zich het
nu rijdende keukentje, waarin, als er een collega meeging, zelfs geen plaats
was voor ellebogenwerk in de ruimste zin van het woord. Dan, haaks op de kook-
en bakruimte, bevond zich de muur waarin het doorgeefluik ons weer met de
realiteit van tafels en stoelen van het restaurant verbond. Compleet met de
eventuele gasten, al dan niet met bestek gewapend. Juist hier, bij die altijd
weer onberekenbare bochten, was Georgo een keer met zijn buik in een toevallig
opgeheven vork beland. En daarbij was hij ook al aangenomen, voor deze job
bij de Spaanse Spoorwegen, omdat hij twee jaar lang op volle zee had gewerkt
- en dus een ongenaakbaar evenwichtsgevoel had moeten zien te ontwikkelen.
Dat was een sterk pluspunt geweest, bij het sollicitatiegesprek in de hoge
wolkenkrabber in het centrum van Madrid - waar een heftige storm de achtendertigste
verdieping ook weleens aan het schudden kon brengen, anders had de staff geen
invoelvermogen kunnen opbrengen voor het beroep dat er op een eenvoudige kellner
binnen het treinwezen dag en nacht wordt gedaan.
Hier, op dit punt van de reis, waarschijnlijk omdat het lichtnest in de heuvels
zowel hemelse als ook neerbuigende gevoelens deed hoogkomen, deden Marrokaanse
reizigers nogal eens letterlijk hun biecht bij hem, op dit tijdstip van de
nacht. Geknield bij het gat van het doorgeefluik, met een tersluiks kijkje
in de keuken. Schuld kenden ze niet, moest Georgo een steentje mensenkennis
aan zijn toch al onoverzichtelijke verzameling toevoegen, maar daarvoor lag
het begrip schaamte op de loer - alsof er vanuit Europa alleen maar werd teruggekeken
op het leven en vanuit Afrika juist louter tegenop werd gezien.
Sinds hij een keer een Amerikaanse jongeman het dek op had geholpen, die met een speedboat in de buurt van Havanna aan de horizon was opgedoken, en die hem buiten adem had gevraagd of hij weleens zonder gevoel voor zekerheid in een stormachtige nacht op volle zee was verdwaald geraakt, stond Georgo nergens meer verbaasd van. De miljonairszoon vertelde dat zijn oom in Los Angelos uitgerekend van zo iemand een grafrede had besteld - in plaats van een geestelijke. Er was haast bij - er werd grof geld voor betaald. De oom kende de kwatrijnen van de Orientalische dichter Omar Khayam op z`n duimpje, wist ze te pas en te onpas uit het hoofd te citeren, waarbij hij de volgende zin natuurlijk nooit over het hoofd mocht zien - zoals Frank Sinatra tijdens zijn concerten altijd met een vertolking van "Strangers in the night" moest afkomen.
"In kerken, tempels, moskeeen en synagogen wordt alleen maar gelogen...".
Hij had het karwei geklaard. Georgo was zijn rede als volgt begonnen: "Als een schip in de nevel verdwaalt, dan is de bemanning op open zee aangewezen op de stand van de sterren...".
Van de Marrokanen, maar ook andere Afrikanen, die met clandestiene bootjes, soms zelfs vanuit Ceuta richting Marseille hoopten te varen, maar uiteindelijk in Algeciras al dan niet aankwamen - waren de eenlingen in de trein vaak de enige overlevenden van de Middellandse Zeeoversteek. Zij zinderden doorgaans van angst (geregeld verborg hij een verstekeling in de lege dozen waarvan het toastbrood reeds in toch al goed doorvoedde magen was beland - nu vormde de beweeglijke avonturier als het ware de maag van de doos), ook als ze papieren hadden die steevast op de zwarte markt waren aangeschaft. En zij zagen bijvoorbeeld het feit dat in Frankrijk de bredere rails begon, en je bij de grens verplicht was in een andere trein over te stappen, als een afdaling langs de hemelse ladder tot in de onderbuik van de aarde.
Ieders leven is een drijvend eiland, met een oceaan van misverstanden er omheen - maar deze verstekelingen dreven het wel erg op de spits. "Is dat dat gat van jullie?" vroeg er een uit Eouiarsaset vanaf zijn tafeltje en wees op het doorgeefluik. Er waren verder geen gasten in de restauratiewagon. "Ja," had Georgo geleerd te ontwijken - en dan maar wachten wat er komt. "Daar moet je bij jullie je schuldgevoelens in uitspreken?". Georgo haalde zijn schouders op en knikte tegelijkertijd - alsof er iets werd besteld dat hij niet kende, maar wel op goed geluk bij elkaar zou proberen te improviseren. De jonge Marrokaan knielde ervoor neer en had de grootste moeite met het ellebogen zetten op het hoge, smalle vensterbankje voor het doorgeefluik. Georgo deed zijn muts in de keuken af, keek op zijn gast neer, in de opgeslagen ogen - en deed ze toen zelf dicht tijdens het voordoen van het vouwen van de handen.
Voor mij staat die koffer er nog en zo lang
als dat duurt, verlaat ik mijn woning niet. En dat heeft niets te maken met
de uitroep: "Ik zie hem nog zo staan!".
Wat zal erin zitten?
Vertalingen?
Hij heeft nog afscheid van me genomen ook - maar op de keper beschouwd is
die handeling niet eens tot me doorgedrongen. Net als de ernst van zijn voorstel
om te trouwen in geen velden of wegen vat op me had gekregen omdat de loop
der dingen ook toen al in een bepaalde glans bleef staan. De onderliggende
gebeurtenissen kregen daardoor blijkbaar een vrijbrief om hun eigen gang te
gaan. Misschien was dat wel de vanzelfsprekende autoriteit die een vertaler
zich kan aanmeten.
De koffer staat daar nog exact zo voor mijn cooper`s groene woningsdeur als
op de dag dat Patrick hier introk en de bovenverdieping in zijn eentje begon
te bevolken.
Oker, bruin en wit geblokt - niet groot, niet klein. Compleet met, voor mij
in ieder geval, de gewaarwording dat het "karkas van de koffer",
als in een groot lichaam, direkt en functioneel, voeling heeft met de rest
aan dragende muren van het gebouw. Of misschien vormt het juist wel het hart
en ben ik de persoon die de minste warmte en ideeen aan ons twee heeft geschonken.
Om die reden is de koffer niet uit mijn netvlies te branden. Dan zou ik het
loodje moeten leggen. Hoe het ook zij: zolang de koffer er staat, zet ìk
geen voet buiten de deur. Opgesloten in de kluis van het hart -
tenslotte moet je daarin ook je vrijheid zien te ontdekken net voor, of àls
je sterft.
Een tijdsspanne van drie, vier jaar moet onze stralende romance hebben omvat
- ik zie die aaneenschakeling van dagen en nachten ineens voor me als een
ring rondom een planeet. In Cornwall, waar ik in een dorp tussen de heuvels
ben opgegroeid, kon je tijdens stemmig weer een regenboog zien rondtrekken
alsof die net uit een schatkist werd losgelaten. Iets dergelijks, er ontbrak
altijd wel een kleur als je de scala aan tinten met schoolmeisjesvlijt probeerde
te onderscheiden.
Patrick d Àilleùrs bewoonde al drie maanden mijn bovenverdieping,
hier in High Gate, en hij kwam al geregeld op de thee omdat we toch gemeenschappelijke
interessen deelden. Franse literatuur - en wij`, mijn zoon en ik, hadden daar
zelfs ook al het een en ander aan verdiend. Terwijl de schrijvers zelf veelal
armoe hadden geleden. Met mijn aan de demoom alcohol ten gronde gegane echtgenoot
(ik zie zijn markante en ook liefdevolle gezicht met de fijnzinnige lippen
en van zorgen doorgroefd voorhoofd voor mij als een spookschip op de chaotische
zeegolven, waarbij de orkaanstoten ook niet meer weten of ze voertuig plus
bemanning nu het leven of juist de dood in moeten blazen) heb ik de Franstalige
boekhandel in Crouch End in het leven geroepen en met mijn zoon tot een lucratief
bedrijfje weten voort te voeren. Dat mijn zoon mij daarop met die allemansvriendin
van een vrouw van hem al snel uit de boot heeft gestoten, doet nu niet ter
zake: van belang is dat Patrick d Àillieurs een geregelde en geziene
klant in onze winkel was - waarvan ik nog vaak de deurbel midden in de nacht
hoor klinken alhoewel ik al acht jaar aan de kant ben gezet en eigenlijk ook
het Chestertonplein mijd waarop mijn zoon nu energiek de zaak runt maar de
boeken niet kan verkopen omdat hij en zijn vrouw er geen verstand van hebben.
d Àilleuirs kraaiepootjes aan weerszijden van de uiterste ooghoeken
en zijn, een beetje gedrongen, ingehouden hand- en armbewegingen die uitdrukking
gaven aan zijn groene oogopslagen, hielden een belofte in die, dat moet ik
in alle eerlijkheid toegeven, in geuren en kleuren uiteindelijk is ingelost.
Waarom zouden man en vrouw altijd bij elkaar moeten blijven om een verhouding
in een geslaagd daglicht te kunnen zetten?
Op de middag dat hij aan de bel trok, ik open deed, en hij de wens te kennen
gaf de te verhuren kamer te willen bemannen, voelde ik hoe er een spoor nauwlettend
en ontspannen werd gevolgd - en datzelfde spoor heeft d Àilleuirs niet
van eens geprobeerd van zich af te schudden. Eigenlijk was ìk een enkele
kamer in het huis dat leven heet en hem toebehoort. Door de brillenglazen
van geboorte en dood zijn wij allemaal woonwagens, daar komt het in een eenvoudige
metafoor op neer.
Bruine haren had hij en een duidelijke voorkeur voor zware Franse sigaretten.
Zijn voorstel, na drie maanden uiterst harmonieuze inwoning en gedeelde interessen
- ik ben niet het type die er burenpraat op na houdt - om met elkaar in het
huwelijk te treden, ook uit praktische oogpunten, vormde een vluchtweg in
mijn eigen levenswandel die ik met beide handen aannam - precies zo eensklaps
maar natuurgetrouw als ik me bij de beslissing weer te scheiden neerlegde.
Zoals mijn Duitse herder na het uitlaten met de poten over elkaar uitrust.
Tijdens het uitlaten van de hond ben ik Patrick d Àilleuirs ook geregeld
tegen gekomen. Hij schepte dan een luchtje tussen zijn vertaalbezigheden door.
Wat hij in mij heeft gezien, weet ik nog steeds niet, maar ik voelde wel aan
dat deze man al die extatische uitspattingen, waar waar mijn echtgenoot zich,
tot bloedens en sterven toe saan had gesneden, op onnavolgbare maar compacte
wijze in zich wist te blijven koesteren. In plaats van ze als hersenschimmen
te blijven najagen. Alleen al de middag waarop Patrick d Àilleuirs
mij ten huwelijk vroeg, getuigde van die glanzende inspiratie die zijn teruggetrokken
leven doortrok. Hij vertelde mij tijdens de thee dat hij bij de kapper zijn
haar had laten knippen en baard had laten scheren, tot de kapper geschrokken
uitriep: "Menner d Àilleuirs, wat heeft u daar voor een broche
op uw overhemd zitten?!"
Toevallig was mijn kapster de dag ervoor bìjna flauwgevallen bij het
ontdekken van de gouden spin op mijn kraag onder de weggehaalde schouderdoek
- daardoor volgde ik Patrick d Àilleuirs uiteenzetting met stijgende
verbazing. Hij bleek die ochtend in het park een hommel gevonden te hebben
waarvan hij niet zeker was of ze gestorven was en had het kleurrijke insekt
in de borstzak van zijn colbert gestopt. Met het witte doek, waar de kapper
de bruine geknipte haren uit losschudde, wilde hij de uitdrukkelijk gele hommel
de doodslag toedienen.
"Nee," riep Patrick uit in het Frans, "nee!".
Hij maakte van zijn handen een kooitje om het dier en rende ermee naar buiten,
liet de hommel vrij in de buurt van wat bomen en gras. Mijn hart was gebroken
- wij beminden elkaar als eerste geliefden in het hoge afgelegen en onbespiedde
gras van het Hollandpark. Het was alsof wij zelf uit zo`n kooi van vlees werden
losgelaten.
Werken dat de man kon! Dagen-, wekenlang zat hij boven te vertalen, onafgebroken.
Vertalen is eigenlijk herschrijven en er wordt ook wel beweerd dat je voor
vertalen meer talent nodig hebt dan voor in het wilde weg fantaseren of eenvoudig
navertellen wat er is voorgevallen..
In ieder geval heeft hij me gisteren, na de thee, eerlijk verteld dat zijn
echte geliefde in Montelimar woont. En dat hij al die tijd briefcontact met
haar heeft onderhouden en nu, nu haar man eindelijk is gestorven, met haar
het Paradijs zal gaan bevolken. Hij was niet te stuiten. Montelimar, de stad
van de noga.
Formaliteiten werden geregeld omdat het formaliteiten zijn.
Maar die koffer met ingepakte regenboog staat er nog en ik durf hem niet te
naderen. Als meisje heb ik altijd onmiddellijk gezocht naar die tweede regenboog
die zich doorgaans onafscheidelijk aan het uitspansel moest voordoen.
En meestal ook gevonden.
Wie weet hoe die man in Montelimar aan zijn einde is gekomen.

Secretariaat
bestuur
Israëlslaan 37, 3431 AS Nieuwegein
info@opspraak.net
>
www.opspraak.net
>
ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein