Frans de Birk

Nieuws
24 november 2006 - Nieuwe bundel samen met Jet van Swieten lees>
14 november 2006 - Frans de Birk benoemd tot erelid van BeeldSpraak lees>
Venetië
op het grote plein pikken verdwenen geesten
het voer uit jouw openheid
ontmasker ze, denk ik en neem een foto
van de achtergrond en de vergankelijkheid
souvenirs dwarrelen via die beroemde brug
en kaatsen terug op de maskers van de stad
en dan zijn er nog de plaatjes die wij niet schieten
die van onze dochters, die hier zwijgend genieten
het is juli
en het is goed zo
Tastbaar
Wanneer poëzie zo mooi als liefde was,
zou ik gedichten om je middel binden.
Je met zinnen, dezelfde, betasten.
Dezelfde die schoonheid vinden.
Wanneer poëzie zo mooi als liefde was,
Dan zou het gewennen tastbaar zijn,
als tweepersoons ledematen in één huid.
en niet meer, nooit meer dan dit besluit.
‘here we are now, entertain us’
Nirvana
Zo zal
In nauwelijks vervallen munteenheid.
Een laatste gedicht in guldens.
Met niets anders te bewaren meer,
dan jouw lichaam om mij heen.
Zo zal de liefde
ons langzaam doen vervagen.
Zo zal wat was vergeten zijn
en wat is dan nog verlangen naar meteen?
Met niets anders te bewaren meer
dan jouw lichaam om mij heen.
als een Slauerhoff aan jou
alleen in mijn gedichten ben ik anarchist
zoals ik alleen in jouw huid wonen kan
ik reis van mij naar jou en terug
om ons te bewijzen en dat is het dan
Gedane zaken
Zeventien kussen en een achtergebleven boek,
is wat rest, rustend in het archief
van gedane zaken.
‘Ik heb je lief’, schaduwt er omheen.
Een ansichtkaart lijkt nu wat achterhaald.
Momenten slechts, door tijd vertaald.
Later zeg je, dat het wel beviel,
maar dat was vroeger vaker.
Het draaien van de nacht
Om tot een volgende dag te komen,
droomde ik zinnen die de hare waren.
In helderheid die zij zou zijn
en alleen aan haar ontcijfering.
Met alleen aan ons de hunkering
naar dat verbond, naar dat verhaal.
Droomde ik muziek en taal,
vol van hoe zij kijkt, hoe zij lacht.
Soms was er dan adem,
dan weer tegenlicht.
Soms ook wat ruimte
en af en toe het draaien van de nacht.
verblijven
Pas in nachten verblijf ik
in het helder papier,
dat mij lijkt te kennen
tussen middennacht en vier.
Dan druipt de maatschappij
van mij af als de stroop van een lepel.
Ben ik vrij in dat wat vrijkomt,
zich analyseren laat en opsomt.
Dan, in tegenstelling tot daglicht
rest mij de metamorfose
in de nacht, de pikzwarte nacht,
die mij opneemt in gedichten.
Het boeiende van ons klimaat vind ik dat het bij machte
is vier
seizoenen in één week te leveren.
Simon Carmiggelt
De wisseling van seizoenen
het is herfst nu
het bos praat in verval
wanneer je heel goed luistert
hoor je de vallende bladeren al
een vogel weerkaatst op een gelaat
dat nog steeds op zomer staat
en konijnen graven een weg
naar de winter toe
waarin ijs zal smelten
tot aan de wisseling van seizoenen
tot aan wij weten hoe de lente
haar jas opent
en de zomer ons doet vervagen
in de tragere dagen
van wijn en begeerte
is het herfst nu
Winter
even proef ik de sfeer van de Provence
in het schilderij dat ruimte lekt
op het starre, stijve parket waar jij
op dit moment de veel te grote vaas op zet
even dat vergezicht met de zon in de rug
even de flits, die gedachte, we gaan terug
maar het is kaal, koud, de kerstboom staat
geen mens die nu nog de Provence in gaat
De Provence
we bewegen ons voort in het zwoele
tussen krekels en een fossiel kerkhof
de dorpjes knikken ons vriendelijk goedendag
terwijl de platanen ons wenken naar schaduw
ruig, is het goede woord, soms fluweel ook
hoe de velden liggen in een betovering
een eerste liefde misschien
die een uitnodiging stuurt
dit is het land om te dichten over l’amour
de plek om elkaar lief te hebben
pour toujours
Liefde is wijsheid van de dwaas en
dwaasheid van de wijze
S. Johnson
Jouw adem is mijn gedicht
hoe omschrijf je een omsingeling
van een persoon door een persoon
waarbij niets speciaals lijkt
maar alles zo gewoon
jouw adem is mijn gedicht
je lichaam is tastbaar
als de lente in de ochtend
zachter dan anders
misschien door een laken
misschien door het licht
jouw adem is mijn gedicht
Eet, drink en speel; na de dood is er geen genot meer
Durbuy in de lente
hoeveel vrijheid kan een mens op, denk ik
en zie de mensen gelukkig hier, aan de rivier,
die de kano’s van zich afduwt, tot waar
de bergbeklimmers naar hoogtepunten streven
dit is een stuk Ardennen, het goede leven
waar een Rochefort nummer tien, donker als modder
zich laat vergezellen door streekgerechten
die regelrecht aan de ziel en de papillen hechten
Onze natuur ligt in de beweging;
volmaakte rust is de dood
B. Pascal
Icarus
met zachte handen
tast hij de seizoenen af
op zoek naar de grens
van het toelaatbare
op zoek naar de wens
van het overschrijdende
zonder orders
zonder teugels
en hij roept – geef mij vleugels –
opdat hij kan dansen naar de zon
waarmee alles ooit eindigt
en zo onbewust begon
Het weer spreekt
ik ben wat u niet kunt vermijden
ik ben vier jaargetijden
en geef u kilte, zwoelte, hitte
totdat ik weer verdwijn
in de storm, de beving
de angst, de beleving
ben ik uw blijdschap, uw verdriet
in wat u ziet en toch ook niet
ik ben meerdere
ik ben mijn eigen kampioenen
ik ben de jaargetijden
ik ben de vier seizoenen
