Tjebbe (3 jaar): "Het leven is als een ei". Gerard (50 jaar): ???

Gerard Beentjes, geboren 20 juni 1951, is freelance docent schrijven; hij geeft cursussen creatief schrijven en poëzie aan kinderen, volwassenen en levensverhalen schrijven aan groepen senioren. Hij publiceerde in literaire tijdschriften en heeft twee bundels bij kleine uitgevers: Kameleons (1977) en Oefenboek (1982). Recent zijn gedichten van hem verschenen op de internetsite van Meander, in de literarire tijdschriften Opspraak, Lava en Mosselvocht. Tevens was hij samen met Herman Roest de schrijver van het onderzoeksrapport "Dichter bij Werk", een onderzoek in Engeland en in Nederland naar samenwerking tussen dichters, bedrijven en instellingen. Dit rapport verscheen in januari 2000.
Gerard Beentjes is mede-initiatiefnemer van de Stichting Poëzieslag. Sinds drie jaar organiseert deze stichting de poëzieslag een maandelijkse poëzieslam-avond in literair eetcafé Festina Lente in Amsterdam. Ook tot zijn eigen verrassing kenmerken deze avonden zich door: een jong publiek, dat luistert naar dichters van alle leeftijden en alle kleuren.

www.gerardbeentjes.web-log.nl

 

voor jou

hoe dan ook
als ik jou zie,
dan denk ik niet,
dan brult vuur:
ik wil je puur.

 

vóór de kerk op het plein
staat een beeld van brons:
een vrouw en een man
zitten op een dolfijn.

vader en zoon lopen
in cirkels rond het beeld.
hij meet de belichting.
ik schrijf een gedicht.

de vrouw en de man,
zij kussen elkaar.
vader maakt een foto.
de zon kleurt de avond.

ik schrijf een punt.
hij ziet mij,
ik zie hem.

 

Voor later

Ochtend plakt aan je tanden
niet van jou en toch van jou
als vergeten ontbijt.

Middag loopt als je schaduw
in de fotogalerij
van verdwenen beelden.

Avond hangt aan je ogen
als toegewijde honden
van weer een herhaling.

Nacht luistert naar je adem
de echo van een orgasme
in een tijdloze droom.

Mijn hand schrijft avondrood
in rimpels van morgen
voor als we oud worden

 

Het Melkmeisje van Vermeer

Elke dag sta ik portret zoals gisteren
Zoals morgen altijd ben ik zijn model
Altijd giet ik melk uit een stenen kruik
In een beslagkom en oude brokken brood
Liggen klaar voor de pap bij het ontbijt

Elke dag zie ik mensen mij voorbijgaan
Elkaar aanstoten en hoor hen wijze dingen
Zeggen over mij terwijl hun blikken rusten
Op mijn blote armen en slechts een enkeling
Staat echt stil en knikt alsof zij weet van mij.

Elke dag weegt de verborgen schilder het licht
Door het gebroken glas en meet mijn gestalte
Met zijn gulzige ogen, alsof in de nacht maar -

Ook een meid heeft haar geheimen: ik zwijg
En doe mijn plicht zoals gisteren, zoals morgen.

 

Het selectieve geheugen

Eén, je vader blaast
het eerste kaarsje uit
in het album van je moeder.

Drie, je stelt een vraag:
Mamma, waren we waar:
één nachtje slapen terug ?

Vier, je loopt de éérste dag
naar school. Ligt in de berm
doodstil een roodharig katje.

Zeven, je kijkt naar het plaatje:
geraamte, kop zonder ogen,
doodshoofd zonder tanden.

Negen, je loopt als misdienaar,
wijwater en kwast, voor
dames en heren in het zwart.

Dertien, je staat naast de kuil,
het graf van grootvader.
Je moeder huilt. Bruin is de kist.

Zestien, je ziet het bleke masker,
van een jongen uit de klas, magere
schaduw, van wie hij was.

Achttien, de telefoon gaat,
een vriend zegt: het was een mes,
kom maar niet, nee, nee.

Negentien, een auto remt, op tijd,
je stoere vrienden, ze lachen,
alsof er niets aan de hand.

Eenentwintig, je moeder verhaalt:
geboorte, navelstreng, nek,
godzijdank, de dokter op tijd.

Tweeëntwintig, je weegt pillen,
voor de slaap, voor de nacht en
denkt, als ik nu slik, dan -

Vijfentwintig, een vrachtwagen
glijdt van de berg. Mist.
Alles is één. Er is geen verschil.

Zesentwintig, het gif belooft,
de bijsluiter, de uitgang,
je maag keert zich om.

Achtentwintig, je moeder lacht,
ze wijst de eerste kraaienpootjes
rond je ogen aan.

Dertig, je hoofd tolt en dolt,
spuugt de drank, een beeld
van een bed, geheugen een lek.

Drieëndertig, als Jezus zo oud,
Goede Vrijdag, een droom
van dope en verlossing.

Vierendertig, een stem roept je:
jongen, kom thuis, vader,
zijn hart, ligt aan de monitor.

Vijfendertig, een schaar
in haar buik, de navelstreng,
de hals van je zoon.

Negenendertig, je collega
wankelt naar de deur:
hartaanval. Ook hij.

Veertig, vannacht, in zijn eigen bed.
Wij, zijn zonen, dragen hem
naar de laatste rustplaats.

Drieënveertig, spiegelt het glas
je gezicht van groeven en lijnen
om voorgoed te blijven.

Zesenveertig, een stem
dreigt: ik sla je, verdomme,
hartstikke in één keer.

Zevenenveertig telt de som
van gevaren, van mannen:
je dochter fietst de straat uit.

Negenenveertig belt,
je vriendin, een tia,
iedere hulp te laat.

Vijftig: jas aan de kapstok.