Nieuwegeinse Literatuurprijs 2000

JURYRAPPORT

De jury van de Nieuwegeinse Literatuurprijs 2000 heeft 175 gedichten en 75 verhalen ter beoordeling voorgedragen gekregen. De inzendingen waren afkomstig uit Nederland, België en Suriname. De inzendingen zijn beoordeeld op vorm en inhoud, in het bijzonder op taalgebruik, stijl, keuze en uitwerking van thematiek, motieven en beelden, opbouw en originaliteit.

De jury heeft zich in werkgroepen over de poëzie en het proza gebogen. Na ampel overwegen werden in deze groepen nominaties geselecteerd die aan de gehele jury ter beoordeling zijn voorgelegd.

De aandacht voor vorm en inhoud door de auteurs en het gebruik van beelden en taal was zeer wisselend. De genomineerde twaalf gedichten en zes verhalen kwamen bijna als vanzelf bovendrijven door hun relatieve kwaliteit.

In de categorie poëzie is de keuze van de jury uiteindelijk gevallen op het gedicht

“Levenskunst” van Cora Boerke uit Hoorn.

De vorm en inhoud zijn goed in balans. De toegankelijkheid komt tot uiting in mooie, herkenbare beelden. Ook al is de gekozen vorm conventioneel, het gedicht is desalniettemin een mooie woordcompositie geworden.

In de categorie proza heeft de jury gekozen voor het verhaal “Rook stijgt op van Nathalie” van Albert Huberts uit Utrecht.

Ondanks dat de langste zin maar liefst 48 woorden telt, heeft dit verhaal met een armlengte voorsprong gewonnen. De auteur zet een prachtig beeld neer van onverschilligheid en ongenaakbaarheid zonder deze woorden te gebruiken. Het verhaal is een dialoog zonder woorden. Zonder dat er iets gebeurt, vindt er ontzettend veel plaats.

De jury was als volgt samengesteld: Johan Jongstra (voorzitter), Marian Bijvoet, Frans de Birk, Ben Brinkman, Jan van den Heuvel, Jack Koehorst en John Prins.

De winnaars kregen kunstwerken aangeboden, die ter beschikking waren gesteld door Nieuwegeinse kunstenaars. Een aanwesige boekhandelaar stelde twee boekenbonnen van fl. 100 ter beschikking.

Nieuwegein, woensdag 15 maart 2000.

WINNAAR CATEGORIE POËZIE

Levenskunst

Rondom mij zie ik mensen vaak genieten
en tegenslag wordt door hen steeds weerlegd
met dromen, plannen, kleurige verschieten,
geluk lijkt hen bij voorbaat toegezegd.

Zij kennen in hun voortgang geen limieten,
ze kneden 't leven naar hun eigen recht
waar ik, net als zo vele heremieten,
mijn grensgebied naar binnen heb verlegd.

Ik ben wel mondig doch niet welbespraakt,
noch blind, maar toch zie ik niet tot op heden

Hoe men de noten naar het welzijn kraakt
als geest gelijke tred houdt met de rede.

Ik kom pas weer tot leven in het naakt
dat kunstenaars van mij uit klei herkneden.

Cora Boerke

WINNAAR CATEGORIE PROZA

Rook stijgt op van Nathalie

Ze laat de rook tussen haar lippen ontsnappen waarvandaan hij zich verheft zoals het warme lucht betaamt. Loom strijkt hij over haar bovenlip en kringelt hij langs haar neusvleugels om zich dan pas los te maken van zijn oorsprong, op weg naar het plafond.

Vrij nu, zonder de begrenzingen van haar longen, weet de rook zich geen richting te geven en waaiert hij in steeds grotere kringen uiteen. Een alsmaar uitdijende trechter die zich ontvouwt boven Nathalie en te pletter slaat tegen het plafond, waar hij golvend over de witkalk uit het zicht verdwijnt.

As valt. Nathalie brengt de sigaret naar de asbak, ongehaast, en zich bewust van het nu nutteloze karakter van de daad, maar te geconditioneerd om de instinctieve reflex te kunnen stoppen. Ze tikt de kale peuk een keer af met een korte, routineuze polsbeweging en brengt de sigaret weer naar haar lippen. Ze neemt niet de moeite te kijken waar de as is gevallen.

Ik zie het nog nagloeiende askegeltje op de flauwe welving van haar buik liggen waarvandaan het langzaam naar de diepte tussen haar dijen rolt en uit mijn zicht verdwijnt. In de donkere kamer steekt Nathalie flauw af tegen het raam waarachter een volle maan een zilveren gloed verspreidt. Ze ligt ruggelings op de canapé, nog in dezelfde houding als toen ik binnenkwam, toch minstens al een uur of zes sigaretten geleden.

Mijn ogen zijn in de tussentijd gewend geraakt aan het duister, waar ik in eerste instantie niet meer kon ontwaren dan een oranje lichtkegeltje dat zich in een flauwe boog verplaatste van asbak naar mond en vice versa, ontrukten zich langzamerhand steeds meer details aan de duisternis.

Als eerste begon de rookkolom flauw op te lichten in het tegenlicht van de maan waardoor de hele scène, ik gebruik dit woord bewust, in een mystieke floers werd gehuld. Daarna tekende het silhouet van Nathalie zich af in donkere vlakken. Nachtzwart, daar waar haar jurk en haar haar de begrenzingen bepaalden en in okergrijze tinten waar haar huid de contouren vormde.

Ze heeft geen woord gesproken sinds ik binnenkwam en ze me vroeg de deur dicht te doen. In het licht dat vanuit de gang in haar kamer viel, kon ik even een stoel zien staan waarin ik tastend een plek vond nadat ik de deur schielijk had gesloten. Nathalie hoeft niet te bevelen.

Ik heb wel gesproken, althans in het begin, en dan nog aarzelend. Nathalie imponeert. Vraag me niet waarom, ze heeft dat effect op mij en iedereen die ik ken. Ik vraag me wel eens af of ze het zich wel bewust is vanwege de vanzelfsprekendheid waarmee ze die invloed uitoefent. Hoe dan ook, na een paar stotterende zinnen viel ik stil. Ze had op geen ervan gereageerd en het lichtpuntje bleef onverstoorbaar zijn baan vervolgen.

Zo zaten we in stilte in het donker terwijl de minuten voorbij tikten. Ik begon me af te vragen waarom ze me had toegelaten als ze niet met me wilde spreken. Wilde ze me iets duidelijk maken? Was ze boos? De gedachte alleen al was belachelijk: Nathalie werd niet boos. Nooit. Woede was een emotie die de erkenning inhield van het object waarop de woede was gericht. Daartoe zou Nathalie zich niet verlagen. Gezelschap? Het idee dat deze vrouw behoefte had aan gezelschap leek absurd, en toch overwoog ik de veronderstelling een tijdje serieus vooraleer ik hem verwierp omdat hij teveel overeenkwam met mijn verlangens om met de hare te kunnen stroken. Drama? Ze had behoefte aan drama. Ze leefde voor drama, voor een onderkoelde, gecontroleerde vorm van drama, een ge'nsceneerde dramatiek. Tenminste, zo werd haar leven door omstanders ervaren.

Misschien was ze gewoon nieuwsgierig naar de reden van mijn bezoek, al viel er weinig te raden; ik had mijn bedoelingen meer dan eens duidelijk gemaakt. Wellicht werd ze geamuseerd door mijn schutterig gedrag. Waarschijnlijk maakte het haar allemaal niets uit. De inspanning om mij toe te laten, te tolereren, viel in het niet bij de inspanning die ze zich zou moeten hebben getroost om mij af te wijzen. Zoals water het laagste punt zoekt, zo was ik hier gekomen: via de weg van de minste weerstand.

Als ze een volgende sigaret opsteekt raap ik tegen beter weten in mijn laatste restje moed bij elkaar en stel ik haar de vraag waarvoor ik ben gekomen. Ze zucht.

Albert Huberts

WINNAAR PUBLIEKSPRIJS

Gebroken rozen

Op de grond en op mijn nieuwe witte sandalen liggen een halve bol vanille en een hele bol chocolade ijs. Ik hoor de bel van de ijskar al drie straten verder. Opa veegt met zijn zakdoek de room van mijn schoenen. Daarna veegt hij met zijn grote hand de tranen van mijn wangen. Niet huilen, mijn haasje, zegt hij. Je bent veel mooier als je lacht.

Thermometer. Zilveren bolletjes springen tussen de stukjes glas op de vloer. Mama slaat mijn zusje. Nu is er ook nog een plasje op de grond. Ik vang het kwik op een papiertje. In de vuilbak!, gilt mijn moeder.

Johan heeft veel bruin haar en donkere ogen. Hij is zestien en twee jaar ouder dan ik. Hij heeft me gekust, vertel ik aan Veerle. Zijn tong was zacht en warm in mijn mond, zeg ik er niet bij. Ik dacht dat hij met Anja was, zegt ze zonder op te kijken uit haar boek.

Een gouden kerstbal valt heel anders op de vloer dan een Praags rood en wit geschilderd ei. De scherfjes zijn kleiner en springen verder. Kerstballen kan je overal kopen. Voor Praagse eieren moet je naar Praag.

De eerste keer deden we het in het bos. En meteen drie keer na elkaar. Vanaf nu doen we het altijd en alleen maar met elkaar. In het bos, in de auto en als we getrouwd zijn, in bed. Hij heeft het toch ook nog een keertje met haar gedaan.

Wikkelrok. Vijf jaar lang draag ik hem elke zomer. Blauwe, rode en paarse Indische motieven. Makkelijk aan en uit en gewassen en gestreken. De stof wordt zo dun dat ik de scheur niet kan herstellen. Ik ga bij je weg. We hebben nog gevree'n, een druppel rolde van zijn ooghoek naar zijn linkeroor.

Wit is voor jonge bruiden. Ik trouw in het groen. Een lange rok en een gehaakt bloesje, de kleur van blauw mos. En daaronder, voor later op de avond, mijn verrassing van witte kant. Ik ben de mooiste van mijn leven. Liefste, ik wil slapen, fluistert hij. Ik ben moe.

Mijn moeder heeft wel tien soorten kopjes. Geen enkel servies compleet. Ze houdt van gebloemd porselein. Te vaak veegt ze gebroken rozen bij elkaar. Ik was en droog voorzichtig af.

Woede. Het glas suist tegen de schoorsteen aan. Oude jenever spat in mijn ogen. Huilend ruimen we samen op.

April '98. Ergens tussen nacht en ochtend sterft mijn liefste in mijn armen. Het wordt licht en ik sta in de keuken. Er valt iets zwaars uit mijn handen. Een pot of een deksel. Ik weet het niet meer. Het is niet stuk. Maar als ik het opraap zie ik een barst in de vloer. In het huis waar ik nog lang zal wonen staat een datum geschreven.

Twee zomers later. Ik drink mijn nieuw geluk in zwarte lakens. Hij proeft van mij en vindt het lekker.

Ik lig op mijn rug en kijk door het dak naar de hemel. In dromen krijgen sterren kleuren. Een regen van bonte scherfjes op mijn blote huid. Ik zal weer mooi zijn in mijn mozaïeken jurk.

Christine van den Hove


Secretariaat bestuur
Israëlslaan 37, 3431 AS Nieuwegein
info@opspraak.net >
www.opspraak.net >

ABN AMRO BANK 56.84.02.170 t.n.v. Stichting BeeldSpraak, Nieuwegein

© 1994 - 2008 >